Verhaal 8: Tweede Kerstdag

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Pieter van Dam had een lijst. Hij had hem gemaakt op de avond van drieëntwintig december, aan zijn keukentafel in de Banne, op de achterkant van een envelop van de belastingdienst. Ophalen om tien uur. Pont. Eye: tentoonstelling, daarna de film van kwart over één. Pannenkoeken. Terug met de pont, als het donker was, vanwege de lichtjes. Om zes uur thuis, spelletje, pizza. Morgen om twaalf terugbrengen.

Hij had de lijst drie keer herschreven. In de eerste versie stond ook nog de A'DAM Toren, maar dat was achtentwintig euro per persoon en Ties vond hoogtes eng.

Om tien over tien stond hij bij de deur van het huis in Oost waar hij elf jaar had gewoond. Esther deed open in haar ochtendjas, met een mok koffie, en hij zag achter haar in de gang de jas van Marc hangen, de groene van dat merk met dat logo van een berg.

„Ze zijn bijna klaar,” zei ze. „Lotte heeft haar telefoon op laten laden. Dat wil zeggen: ze is van plan alles te filmen.”

„Waarom?”

„Een project. Voor school. Vraag het haar maar.”

Ties kwam als eerste naar beneden, met zijn rugzak en zijn kerstcadeau van gisteren, een of ander robotje dat hij aan Pieter wilde laten zien. Lotte kwam vijf minuten later. Ze droeg een jas die Pieter niet kende en had haar haar anders, korter, met een pony die bijna over haar ogen viel. Ze hield haar telefoon voor zich uit, en de camera stond aan.

„Dag pap,” zei ze. „Zeg iets.”

„Wat moet ik zeggen?”

„Maakt niet uit. Iets.”

„Hallo,” zei Pieter, en hij voelde zich een idioot.


Op de pont filmde ze het water. Ze filmde de meeuwen, die achter de boot aan hingen alsof ze er met een touwtje aan vastzaten. Ze filmde een man met een bakfiets met twee honden erin, die allebei een kerstmuts op hadden. Ze filmde een rode kinderwant die aan het hek hing, stijf en vaal, close-up, een paar seconden lang.

„Wat is dat voor project?” vroeg Pieter.

„Documentaire. Over mijn familie.” Ze keek niet op van haar scherm. „Vijf minuten. We moeten het in januari presenteren.”

„Over ons?”

„Over mijn familie,” zei ze nog een keer, alsof dat niet hetzelfde was.

Ties trok aan zijn mouw. „Pap, kijk.” Het robotje kon lopen. Het liep drie stapjes over de reling en viel om. Ties lachte. Pieter lachte ook, en Lotte draaide haar telefoon naar hem toe, en hij hield op met lachen.


Het Eye was vol. Het was tweede kerstdag en het regende, en half Amsterdam had bedacht dat een filmmuseum een goed idee was. De grote hal met de schuine trappen was een rumoerige zee van natte jassen en kinderwagens. Er stond een rij voor de kassa, een rij voor de garderobe en een rij voor het restaurant.

De tentoonstelling ging over een regisseur van wie Pieter nog nooit had gehoord. Er hingen schermen aan de muren met fragmenten, zonder geluid, en in een donkere kamer draaide een film van twintig minuten over een vrouw die door een sneeuwlandschap liep en niets zei. Ties hield het vier minuten uit.

„Ik verveel me.”

„Nog even.”

„Ik verveel me al heel lang.”

Lotte filmde Ties, die zich verveelde. Ze filmde Pieter, die tegen Ties fluisterde dat hij nog even moest wachten. Ze filmde de vrouw in de sneeuw, op het scherm, en een oude man op het bankje naast haar die in slaap was gevallen.

In het souterrain was een ruimte waar je zelf fragmenten kon kiezen op een groot scherm, en daar was Ties gelukkig, een half uur lang, met een tekenfilm uit de jaren dertig over een kat die een piano at. Pieter zat op een kruk ernaast en keek op zijn telefoon. De film van kwart over één was uitverkocht. Dat had hij niet gecheckt. Hij had gedacht dat je op de dag zelf nog kaartjes kon kopen, zoals vroeger, toen hij met Esther naar het Filmmuseum in het Vondelpark ging, voordat het verhuisde.

„Pap,” zei Lotte. Ze stond achter hem. De camera was uit. „Mag ik je iets vragen?”

„Natuurlijk.”

„Voor het project.” Ze zette de camera weer aan. „Waarom zijn jullie gescheiden?”

Hij keek naar het scherm van haar telefoon, waar een klein rood bolletje knipperde. Hij keek naar haar gezicht erachter, dat hem niet aankeek maar naar het scherm.

„Lotte. Dat is...”

„Mama heeft al geantwoord.”

„Wat zei ze?”

„Dat mag ik niet zeggen. Dan beïnvloed ik je.” Ze trok een gezicht dat hij kende van Esther, het gezicht van iemand die heel goed weet wat ze doet. „Dat heeft de docent gezegd. Je moet iedereen apart interviewen.”

„Ik vind dit niet het moment.”

„Wanneer dan wel?”

Hij had geen antwoord. Ze wachtte nog drie seconden. Toen zette ze de camera uit en draaide zich om naar Ties, en vroeg of de kat de piano echt opat, of alleen deed alsof.


De pannenkoeken aten ze op het terras van een tent bij de NDSM-werf, omdat het Eye-restaurant een wachttijd had van veertig minuten. Ze waren erheen gelopen, langs het water, een half uur, waarvan Ties er twintig over had geklaagd. Het regende niet meer, maar het was koud, en de pannenkoeken waren groot en slap en een beetje taai. Ties at er een met spek en stroop en kreeg stroop in zijn haar.

Lotte at niet veel. Ze filmde de overkant van het IJ, waar de lichtjes al aangingen, om half vier. Ze filmde de enorme kraan van de werf, verroest en zwart tegen de witte lucht. Pieter keek naar haar, naar de nieuwe pony en de nieuwe jas, en dacht: ik weet niet wie haar vrienden zijn. Ik weet niet wat ze leest. Ik weet niet waar ze bang voor is.

Hij had dat de afgelopen twee jaar gedacht, elke keer, aan het eind van een weekend. Maar nu dacht hij het halverwege een dag, aan een plakkerig tafeltje, en het voelde anders.

„Wat had mama gezegd?” vroeg hij.

Lotte keek op.

„Je mag het zeggen,” zei hij. „Ik beloof dat ik me niet laat beïnvloeden.”

Ze dacht na. Toen zei ze: „Ze zei: dat ging niet meer. En toen begon ze te huilen en ging ze naar de wc.” Lotte haalde haar schouders op. „Dat kan ik niet gebruiken.”

„Nee.”

„Iedereen in mijn klas heeft gescheiden ouders, bijna. Dat is niet interessant. Ik wil weten waarom. Niet dat het gebeurd is.”


Ze namen de pont terug, de NDSM-pont naar het station, en daarna de pont naar de Buiksloterweg, omdat het op zijn lijstje stond: twee keer het IJ over, vanwege de lichtjes. Van de Buiksloterweg was het daarna nog maar een kwartier met de bus naar zijn flat. Om vijf uur was het donker. Het water was zwart, met strepen oranje erin van de lampen van het station, en aan de overkant zag je de lichtjes van het Eye en van de toren, die van kleur veranderden: rood, blauw, wit.

Ties zat op een bankje in de beschutting en speelde met zijn robotje. Lotte stond bij de reling. Ze filmde niet. Pieter ging naast haar staan.

„Zet hem maar aan,” zei hij.

Ze keek hem aan.

„Je camera.”

Ze pakte haar telefoon. Het rode bolletje knipperde. Pieter keek niet naar het scherm, maar naar het water.

„We waren goed in plannen,” zei hij. „Je moeder en ik. Vakanties. Verbouwingen. Jullie. We hadden altijd een lijst. We waren een heel goed team, als het ging om een lijst afwerken.” Hij zweeg. De pont trilde onder zijn voeten. „Maar we vergaten te vragen wat de ander eigenlijk wilde. Niet op de lijst. Daarbuiten. Ik weet niet eens meer wanneer we ermee ophielden. Het was niet ineens. Het was alsof je stopt met water geven aan een plant. Hij gaat niet meteen dood. Je merkt het pas als hij dood is.”

Lotte zei niets. De telefoon was stil in haar hand.

„Is dat genoeg?” vroeg hij.

„Ja.” Ze zette de camera uit. Toen zei ze, zonder hem aan te kijken: „Ik heb je lijstje gezien. Op de envelop. Hij lag op het dashboard van de auto toen je me vorige week van hockey haalde.”

Hij voelde zijn gezicht warm worden, ondanks de kou.

„We hoeven niet alles te doen,” zei ze.

„Nee.”

„Ties wil gewoon met dat robotje spelen. En ik wil gewoon filmen.”

„En wat moet ik dan?”

Ze dacht na. „Gewoon,” zei ze. „Erbij zijn.”

In het stuurhuis stond een vrouw met een lange grijze vlecht. Ze keek even naar hen, naar de man en het meisje bij de reling, en richtte haar ogen toen weer op het water.


Die avond, na de pizza en het spelletje dat ze niet speelden omdat Ties op de bank in slaap viel, liet Lotte hem een stukje zien. Ze had het in de badkamer gemonteerd, op haar telefoon, met een app. Het was een minuut lang. Geen interview. Alleen beelden. De meeuwen achter de pont. De honden met kerstmutsen. De rode want aan het hek. Ties met stroop in zijn haar. De vrouw in de sneeuw, op het scherm in het museum.

En Pieter, op de pont, ’s ochtends, lachend om een robotje dat van de reling viel. Hij wist niet dat ze dat had gefilmd. Hij had gedacht dat ze de camera toen juist had weggedraaid.

Hij keek naar zijn eigen gezicht. Hij kende het niet zo. Hij zag er jonger uit, of ouder, dat kon hij niet zeggen.

„Komt dat erin?” vroeg hij.

„Misschien,” zei Lotte. „Ik moet nog kiezen.” Ze pakte haar telefoon terug. „Ik heb nog een heleboel nodig. Ik kom vaker filmen. Als dat mag.”

„Dat mag.”

„Ook als het niet jouw weekend is?”

Pieter keek naar de envelop van de belastingdienst, die op het aanrecht lag, met al zijn doorgestreepte regels. Hij pakte hem op en vouwde hem dubbel.

„Ik zal het met je moeder bespreken,” zei hij. „Maar ja.”