Verhaal 7: Pom

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Handschoenen,” zei oma. „Anders krijg je jeuk tot Pasen.”

Dion trok de blauwe huishoudhandschoenen aan die ze hem toestak. Ze waren te klein. Ze waren van haar, en zijn handen waren twee keer zo groot als de hare, en de rubber vingers sneden in zijn knokkels. Op het aanrecht lagen zes pomtajerknollen, bruin en harig, als iets wat je in een bos zou vinden en niet zou durven aanraken.

„Moet ik ze schillen?”

„Wat dacht jij dan? Dat je ze met jas en al in de pan gooit?”

Het was half acht ’s ochtends op eerste kerstdag, en de keuken van oma Carmen aan de Transvaalkade was zo klein dat ze niet samen voor het aanrecht konden staan. Oma zat daarom op een keukenstoel naast de koelkast, met haar rollator voor zich als een soort hek. Ze had haar bril op en haar schort voor, de groene met de gele bloemen die ze al had zolang Dion zich kon herinneren. Ze keek naar zijn handen alsof die elk moment iets verkeerd konden doen.

Dat konden ze ook.


Vijftig jaar lang had oma de pom gemaakt. Elk jaar, met kerst, voor de hele familie, en voor verjaardagen en begrafenissen en de keer dat tante Gloria trouwde met een man uit Almere die later wegliep. In 1975 was ze uit Paramaribo gekomen, een paar maanden voor de onafhankelijkheid, met een koffer en een zak met gedroogde peper die de douane bijna had afgepakt. De eerste kerst in Amsterdam had ze in een flat in de Bijlmer gezeten, die toen nog nieuw was en waar de liften het niet deden, en had ze geen pomtajer kunnen vinden. Ze had aardappels gebruikt. Daar had ze het nog steeds over, als een schande die ze nooit helemaal te boven was gekomen.

„Aardappels,” zei ze nu, terwijl Dion de eerste knol schilde. „Kun je je dat voorstellen. Het smaakte naar ovenschotel.”

Ze kon dit jaar niet raspen. Dat was het probleem. In oktober waren haar handen opgezwollen, de vingers krom en stijf, en de huisarts had gezegd dat het artrose was en dat het niet meer over zou gaan. Ze kon een kopje vasthouden, met twee handen. Ze kon haar telefoon bedienen, met één vinger, langzaam. Ze kon geen rasp vasthouden, laat staan zes kilo pomtajer raspen, wat je met de hand moest doen en niet met een keukenmachine, omdat het anders papperig werd.

Dat had ze gezegd. Dion wist niet of het waar was.

„Mama kan het ook doen,” had hij gezegd, een week geleden, toen het ter sprake kwam. „Bij haar thuis.”

„Je moeder koopt haar pom bij de toko.”

„Dat doet ze niet.”

„Dat doet ze wel. In een bakje. Diepvries.” Oma had haar neus opgetrokken. „Ze denkt dat ik het niet weet.”

En dus stond Dion hier. Negentien jaar, tweedejaars bedrijfskunde aan de HvA, en hij had nog nooit iets anders gekookt dan pasta en eieren.


Het raspen duurde twee uur. De pomtajer was hard en glibberig tegelijk, en werd tot een witte, kleverige massa die naar aarde rook en een beetje naar zeep. Hij moest de rasp heel schuin houden, zei oma. Niet duwen. Laten gaan. Na een kwartier deden zijn schouders pijn. Na een uur kon hij zijn rechterarm bijna niet meer optillen.

Ondertussen vertelde oma wat hij moest doen. Niet in stappen, zoals een recept. Ze vertelde het door elkaar, in een volgorde die alleen zij begreep.

„Het sinaasappelsap moet zuur zijn. Niet zo’n zoet pakje. Echte zure sinaasappels, of anders citroen erbij. Heb je de kip al gemarineerd? Gisteravond? Goed. Laat zien.” Hij liet de bak zien. Ze rook eraan. „Meer knoflook.”

„Je zei gisteren dat het genoeg was.”

„Gisteren was gisteren.”

Ze vertelde over de uien, die heel lang moesten bakken, tot ze bijna zwart werden aan de randen. Over de peper, Madame Jeanette, die je heel moest laten en niet doorsnijden, tenzij je wilde dat de halve familie ging huilen. Over de nootmuskaat, die je vers moest raspen, en de pekel, die je moest weken, en het pomtajersap, dat er niet allemaal uit mocht, want dan werd het droog. Over de boter.

„Hoeveel boter?”

„Genoeg.”

„Oma. Hoeveel is genoeg?”

Ze keek hem aan over de rand van haar bril. „Genoeg is als het genoeg is.”

Hij had een notitie open op zijn telefoon, die op het aanrecht lag tegen de broodtrommel. Hij probeerde alles op te schrijven met zijn ene niet-geraspte vinger. Sinaasappel: zuur. Uien: lang, bijna zwart. Peper: heel laten. Boter: genoeg. Het zag er niet uit als een recept. Het zag eruit als een gedicht van iemand die niet goed kon dichten.

„Wat doe je?”

„Ik schrijf het op.”

„Waarom?”

„Zodat ik het weet. Volgend jaar.”

Oma zei niets. Ze keek naar het raam, waar het grijs was, en waar op de vensterbank een kerststalletje stond met een Maria zonder hoofd, al sinds een verhuizing in 1992.

„Pom schrijf je niet op,” zei ze toen.

„Waarom niet?”

„Omdat het dan van het papier is. En niet van jou.”


Om twaalf uur ging de pom de oven in. Een grote ovenschaal, de oude metalen, die zwart was aan de buitenkant van vijftig jaar gebruik. Een laag pomtajer, een laag kip met de uien en de saus, nog een laag pomtajer, en bovenop klontjes boter en een beetje van de saus, zodat de bovenkant goudbruin en krokant zou worden. Dion had de lagen gelegd terwijl oma vanaf haar stoel aanwijzingen gaf. Ze had twee keer gezegd dat het te dun was en één keer dat het te dik was, op dezelfde plek.

De keuken rook naar boter en citrus en iets dieps en zoets dat Dion herkende van elke kerst van zijn leven. Hij stond met zijn rug tegen de koelkast en voelde zijn armen kloppen.

„Hoe lang?”

„Tot hij klaar is.”

„Oma.”

„Twee uur, misschien twee en een half. Je ziet het aan de randen.” Ze tikte met haar kromme vinger op haar slaap. „Je ziet het, of je ziet het niet.”

Om tien over twee haalde hij de schaal uit de oven. De randen waren donkerbruin en een beetje omgekruld, de bovenkant goud met donkere plekken waar de boter was gesmolten. Hij zette hem op het fornuis. Oma boog zich over haar rollator heen en keek, lang, alsof ze iets las.

„Hm,” zei ze.

„Is het goed?”

„Dat zien we straks.”


Ze aten bij zijn moeder, in Noord, aan het Waterlandplein, omdat zijn moeder een huis had met een tafel waar veertien mensen aan konden. Oma ging altijd met de taxi, met kerst. Dit jaar wilde ze niet.

„Met de pont,” zei ze.

„Oma, het is kerst. Met de rollator. Met de pom.”

„Ik ben in 1975 met de pont naar Noord gegaan, de eerste keer. Om bij de tante van je opa op visite te gaan. Het regende. Ik had mijn goede schoenen aan.” Ze keek hem aan. „Ik wil de pont.”

Dus namen ze de bus naar Centraal, oma met haar rollator en Dion met de ovenschaal, in twee theedoeken en een badhanddoek gewikkeld, tegen zijn borst als een baby. Het was rustig in de stad. Een paar toeristen met rolkoffers, een groepje jongens met kerstmutsen, een man die een hond uitliet met een lampje aan zijn halsband. Achter het station waaide het, en de ovenschaal was nog zo warm dat Dion hem door alle doeken heen voelde.

De pont lag te wachten. Een schipper in het stuurhuis, een vrouw met een lange grijze vlecht, stak haar hand op toen ze oma zag aankomen, en wachtte, en wachtte nog even, terwijl oma met haar rollator over de drempel schuifelde.

„Fijne kerst,” riep de schipper.

„Ook zo,” zei oma, en tegen Dion: „Ken ik haar?”

„Ik weet het niet.”

„Ze lijkt op iemand van de kerk.”

Ze gingen bij de reling staan, vooraan, omdat oma het water wilde zien. Er hing een rode kinderwant aan het hek, stijf en een beetje verkleurd. Oma keek ernaar en zei: „Die is van iemand.”

De pont maakte los. Het water was grijs en glad, en de wind kwam van het westen, koud en nat, en oma trok haar sjaal over haar mond. Toen ze halverwege waren, kwam er een rondvaartboot van links, en de pont gaf een kleine draai, en het dek kantelde een paar graden, en Dion deed een stap opzij om zijn evenwicht te houden, en de ovenschaal gleed.

Het ging heel langzaam. Hij voelde de doeken over elkaar schuiven, de warme schaal tegen zijn pols, het gewicht dat ineens naar één kant ging. Hij greep. Hij had de rand van de badhanddoek. De schaal hing in de lucht, scheef, op een paar centimeter van het dek.

Oma zei niets. Ze stak haar hand uit, haar kromme, stijve hand, en legde hem onder de schaal. Ze kon hem niet vasthouden. Maar ze kon hem ondersteunen, één tel, twee tellen, net lang genoeg dat Dion zijn andere hand eronder kon krijgen en hem rechtop kon trekken.

„Au,” zei oma, en ze schudde haar hand. „Heet.”

„Gaat het?”

„Het is pom. Het moet heet zijn.” Ze bekeek haar hand. Er zat een rode streep op de palm. „Niks aan de hand.”

Hij hield de schaal tegen zich aan tot ze aan de overkant waren. Zijn hart bonsde in zijn keel.


Er waren dertien mensen aan tafel. Zijn moeder, Jacqueline, die de hele middag had gekookt: bruine bonen met rijst, bojo, gemberbier in flessen van de vorige zomer, een ham met kruidnagels, en een salade die niemand at. Tante Gloria en haar twee dochters. Oom Errol, die zijn hoorapparaat steeds uitzette. Dions zusje Kayla en haar vriend, die Nederlands was en voor de eerste keer kwam en de hele tijd vroeg wat alles was.

De pom stond in het midden. Iedereen schepte op. Het was stil, dat soort stilte die alleen bij goed eten valt. Oom Errol knikte langzaam, met zijn ogen dicht. Kayla’s vriend nam een tweede keer, en een derde.

Oma at heel kleine hapjes. Ze kauwde lang. Dion keek naar haar en probeerde niet te kijken.

„Hij is te zout,” zei ze ten slotte.

Aan tafel werd het stil.

„Een beetje,” zei ze. „Je hebt de pekel niet lang genoeg geweekt.” Ze nam nog een hap. „En de randen zijn te donker. Vijf minuten te lang.”

„Oké,” zei Dion.

„En de uien zijn goed.” Ze legde haar vork neer. „De uien zijn heel goed.”

Zijn moeder keek hem aan over de tafel heen en trok haar wenkbrauwen op, alsof ze wilde zeggen: dat is het hoogste wat je ooit van haar zult krijgen.


Later, toen de anderen in de kamer zaten met koffie en zwarte cake en de televisie aan, zat Dion in de keuken met de ovenschaal. Hij krabde de laatste krokante randjes los met een vork en at ze op. Oma kwam binnen met haar rollator.

„Geef me je telefoon,” zei ze.

Hij gaf hem. Ze opende de notitie, met één kromme vinger, heel langzaam. Ze las wat hij had geschreven. Boter: genoeg.

Toen begon ze te typen. Het duurde lang. Hij keek niet mee. Hij at de randjes en luisterde naar het tikken van haar nagel op het scherm, en naar oom Errol die in de kamer iets riep over de televisie.

Ze gaf de telefoon terug. Onder zijn notities stond, in haar spelling, zonder hoofdletters: 250 gram boter. maar je moet kijken. pekel een nacht weken. en de rasp schuin. en niet bang zijn.

„Je moet het wel zelf doen,” zei oma. „Volgend jaar. Ik kijk.”

„Oké.”

„Op de pont,” zei ze. „Ik wil weer de pont.”