Verhaal 6: Nachtlijn
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De bus vertrok om tien over half twee, en om acht over half twee kwam de pont aan. Dat waren twee minuten. Marloes Kuiper had in de afgelopen drie maanden geleerd dat je in twee minuten van de pont naar de bushalte achter het station kon rennen, als je jong was en een rugzak had en geen fiets.
Hij rende altijd. Ze zag hem in haar zijspiegel, een lange jongen in een zwarte jas waaronder de witte kraag van een koksbuis uitstak, die over de stenen kwam aanspurten met zijn telefoon in zijn hand. Ze hield de deur open. Dat mocht eigenlijk niet, niet als het tien over half twee was en de klok in haar cabine dat ook zei, maar twintig seconden vond ze geen vertraging. Twintig seconden vond ze beleefdheid.
„Goeienacht,” zei hij, buiten adem, en hij hield zijn pas tegen de lezer.
„Goeienacht.”
Hij ging altijd op de stoel schuin achter haar zitten, de eerste rij, met zijn knieën tegen het tussenschot. In het begin zei hij niets. Hij keek naar zijn telefoon, of hij sliep met zijn hoofd tegen het raam. Na een week of twee begon hij te praten. Over het restaurant in Noord, waar hij werkte, aan de kade, met een open keuken waar de gasten konden zien hoe hij uien sneed. Over de chef, die schreeuwde als hij moe was en nooit als hij boos was. Over zijn opleiding, het vakdiploma waar hij in juni examen voor deed, en de proeven die hij moest maken: een fond, een saus, een gerecht van een stuk vis dat hij zelf moest fileren.
Hij heette Bilal. Hij woonde bij zijn moeder in Slotervaart en stapte uit bij de halte aan de Slotervaart zelf, vlak bij het ziekenhuis dat er niet meer was. Hij was drieëntwintig.
Marloes was negenenveertig en reed al zeventien jaar bus, waarvan de laatste zes ’s nachts.
’s Nachts was het een andere stad. Dat zeiden alle nachtchauffeurs, en het was waar, al begreep niemand die het niet zelf deed wat ze ermee bedoelden. Overdag reed je door een stad vol mensen die ergens heen moesten. ’s Nachts reed je door een stad vol mensen die ergens vandaan kwamen. Uit een café, uit een dienst, uit een ruzie, uit iemands bed. Ze waren moe of dronken of verdrietig of verliefd, en soms alle vier, en ze praatten tegen je of ze deden alsof je er niet was, en allebei vond Marloes prima.
Ze had haar vaste mensen. De schoonmaakster die om half drie instapte bij de Overtoom en altijd een mandarijn voor haar had. De twee verpleegkundigen van het OLVG West die samen naar huis reden en ruziemaakten over een collega die Ingrid heette. Een oude man die nooit uitstapte, die gewoon de hele route meereed, heen en terug, tot het licht werd, en die ze daarom liet zitten.
En Bilal. Die ze niet echt kende, natuurlijk. Ze wist niet hoe zijn moeder heette of welke voetbalclub hij had of of hij een vriendin had. Maar ze wist hoe hij rook als hij instapte, naar uien en knoflook en frituur en heel soms naar iets zoets, kaneel of vanille, als het dessertavond was geweest. Ze wist dat hij zijn rechterhand altijd in zijn zak hield, omdat er een brandwond op zat van een pan die iemand anders op het vuur had laten staan. Ze wist dat hij zijn moeder appte, elke nacht, bij de Kinkerstraat: ben er over tien min. Ze had het een keer gezien in het spiegeltje.
Op een donderdag in november gaf hij haar een plastic bakje met een deksel.
„Harira,” zei hij. „Over. De chef gooit het anders weg.”
„Ik mag niet eten achter het stuur.”
„Dan eet je het na je dienst.”
Ze at het om half acht ’s ochtends, aan haar keukentafel in Geuzenveld, in haar uniform, met haar schoenen nog aan. Het was dik en scherp en een beetje zuur, met linzen en kikkererwten en iets groens. Ze had niet geweten dat ze zo’n honger had.
Daarna kwam er af en toe een bakje. Nooit vaker dan één keer per week. Ze gaf hem een keer een doos Merci terug, en hij lachte haar uit, en at ze toch op, in de bus, tot de Jan Evertsenstraat.
Op zondag twintig december kwam de pont aan om acht over half twee. Marloes keek in haar zijspiegel. Er kwamen drie mensen over de stenen aanlopen. Geen van hen rende. Een man met een gitaarkoffer, een stel dat hand in hand liep. Ze wachtte twintig seconden. Ze wachtte er dertig. Toen sloot ze de deur en reed weg.
Hij kon ziek zijn. Hij kon vrij zijn. Hij kon de pont gemist hebben. Dat gebeurde. Twee keer eerder had hij de pont gemist, en dan kwam hij met de volgende bus, en dan zei hij dat de chef hem nog een bak had laten schrobben.
De volgende bus, een uur later, had een collega. Marloes appte hem, Rudi, die ze kende van de kantine in de garage. Lange jongen, koksbuis, stapt in bij CS achterkant, rijdt mee tot Slotervaart. Gezien?
Nee, appte Rudi om vier uur terug. Rustig nachtje. Hoezo?
Ze stuurde niets terug.
Op maandag kwam hij niet. Op dinsdag ook niet. Op woensdag, drieëntwintig december, was de stad vol met mensen die kerstinkopen hadden gedaan en tassen bij zich hadden van de Bijenkorf en van de Primark, en de bus was voller dan anders, zelfs om half twee, en ze lette niet op hen.
„Hé,” zei de schoonmaakster, bij de Overtoom. „Je hebt niet eens gegroet.”
„Sorry. Goeienacht.”
„Wat is er?”
„Niks.”
De schoonmaakster gaf haar een mandarijn en ging zitten zonder verder iets te vragen.
Marloes had het nummer van het restaurant niet, en ze wist niet zeker hoe het heette. Ze wist alleen dat het aan de kade lag, in Noord, met een open keuken. Op donderdagmiddag, haar vrije dag, fietste ze naar het station en nam de pont.
Het was licht, wat ze bijna niet meer gewend was. Het water was grijsblauw en glinsterde, en er voeren meeuwen achter de pont aan alsof ze ergens op hoopten. Aan het hek voorin hing een rode kinderwant. Ze vroeg zich af of Bilal hem ook had gezien, elke nacht, als hij overstak. Of hij erop had gelet. Of hij had gedacht: van wie zou dat zijn.
In het stuurhuis stond een vrouw met een lange grijze vlecht. Marloes dacht dat ze haar kende, van de garage misschien, of van een feestje van het GVB. Toen ze langs het raam liep, keek de vrouw op en knikte, het knikje dat je collega’s geeft die je niet bij naam kent.
„Kun jij iets weten?” vroeg Marloes, en ze stak haar hoofd om de deur. „Een jongen, een kok, die ’s nachts altijd de pont van tien over half twee nam. Rond die tijd. Lang. Koksbuis.”
De vrouw dacht na. „Werkt bij De Werf, of hoe het heet. Bij de kade. Rent altijd.”
„Ja.”
„Die heb ik deze week niet gezien.” Ze keek Marloes aan. „Familie?”
„Nee.”
„Oké,” zei de vrouw, en ze vroeg verder niets.
Het restaurant heette niet De Werf. Het heette iets met Kade en een getal, en het was een groot glazen gebouw met houten tafels en lampen die aan touwen hingen. Om drie uur ’s middags was er bijna niemand. Een meisje met een schort en een opschrijfboekje kwam op haar af.
„Een tafel voor één?”
„Ik zoek iemand. Bilal. Hij werkt in de keuken.”
Het meisje keek over haar schouder naar de open keuken, waar twee mannen bezig waren met kratten groente. „Chef,” riep ze. „Hier is iemand voor Bilal.”
De chef was kleiner dan Marloes zich had voorgesteld, kaal en met een buik, en hij had een theedoek over zijn schouder. Hij keek haar aan alsof hij zich afvroeg of ze van de belastingdienst was.
„U bent zijn moeder niet,” zei hij.
„Nee. Ik ben de chauffeur. Van de nachtbus.”
Er gebeurde iets in zijn gezicht. „O,” zei hij. „De buschauffeur.”
„Hij komt niet meer.”
„Nee. Hij is weg. Sinds vorige week vrijdag.” De chef haalde de theedoek van zijn schouder en vouwde hem op. „Hij is aangenomen bij een hotel. Aan de Zuidas. Daguren. Betaalt beter, en zijn moeder kan ’s nachts niet slapen als hij er niet is. Ze is ziek, geloof ik. Of ouder. Ik weet het niet precies.”
„Oké.”
„Ik was boos. Je leidt ze op en dan gaan ze weg. Zo gaat het altijd.” Hij keek naar de keuken. „Hij is goed. Hij wordt beter dan ik.”
Marloes knikte. Ze wist niet wat ze nu moest doen. Ze had niet gedacht dat het zo gewoon zou zijn. Hij was ergens anders gaan werken. Hij nam nu een andere bus, overdag, of de metro, of hij fietste. Hij had haar niets gezegd, omdat zij de buschauffeur was, en je zegt het je buschauffeur niet als je ergens anders gaat werken. Dat was normaal. Ze had het zelf ook niet gedaan, bij de chauffeurs van vroeger.
„Wacht,” zei de chef.
Hij liep de keuken in en kwam terug met een vel papier, dubbelgevouwen, met een vetvlek in de hoek. Het was een recept. Met de hand geschreven, in blokletters, met pijlen en doorgestreepte woorden. HARIRA (voor 6). Linzen, kikkererwten, tomaat, selderij, koriander, gember, kurkuma, een scheut citroen aan het eind. Niet te vroeg zout. Laten trekken. Morgen is hij beter dan vandaag.
Onderaan stond: Voor de buschauffeur. Nu moet je hem zelf maken. B.
„Hij heeft het hier gelaten,” zei de chef. „Hij zei dat je misschien zou komen. Ik zei dat dat onzin was.”
Op zondagnacht, de laatste zondag van het jaar, reed Marloes weer om tien over half twee weg van de halte achter het station. Ze keek in haar zijspiegel. De pont kwam aan om acht over half twee. Niemand rende.
Het recept zat in haar binnenzak. Ze had het gemaakt, op kerstavond, in haar keuken in Geuzenveld, voor zichzelf en haar zus, die bij haar kwam eten omdat haar zus ook niemand had om bij te gaan eten. Het was niet zo goed als dat van Bilal. Ze had het zout te vroeg erin gedaan. Haar zus had twee keer opgeschept.
Bij de Overtoom stapte de schoonmaakster in met een mandarijn. Bij het Surinameplein stapte een meisje in van een jaar of twintig, met een rugzak en een schort die onder haar jas uitstak, en ze bleef staan in het gangpad en keek waar ze moest zitten.
„Daar,” zei Marloes, en ze knikte naar de stoel schuin achter haar. „Die is vrij.”