Verhaal 5: Lampjes
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Om kwart over vijf ging het licht uit, en Ria Zeevat wist meteen wie het had gedaan.
Ze stond op de stoep van de Lindengracht met haar handen in haar zij en keek omhoog naar haar gevel. Drie verdiepingen aan lampjes. Warm wit langs de daklijst, rood en groen in slingers onder de kozijnen, een ster van zeshonderd ledjes boven de deur die Joop in 1987 zelf had gesoldeerd, van een plaat triplex en een rol koperdraad en een doos lampjes van de Hema. Alles donker. Het hele huis zag eruit als een kerstboom in januari.
„Mensah!” riep ze naar boven.
Er gebeurde niets. Op de tweede verdieping brandde licht achter de gordijnen. Op de derde, waar zijn slaapkamer was, niet.
Ze liep naar binnen, de steile trap op, langs de deur van haar eigen woning, naar de voordeur van de bovenwoning. Ze belde. Ze klopte. Ze belde nog een keer.
De deur ging open. Kofi Mensah stond in een joggingbroek en een T-shirt van een festival in Utrecht, met een koptelefoon om zijn nek.
„Mevrouw Zeevat.”
„Jij hebt de stekker eruit getrokken.”
„Ik heb het verlengsnoer van mijn balkon gehaald. Ja. Omdat het mijn balkon is.”
„Dat snoer hangt daar al veertig jaar.”
„Het hangt daar sinds vorige week. Daarvoor hing het er niet, want daarvoor woonde ik hier ook al, en toen heeft u het niet gevraagd.” Hij wreef in zijn ogen. „Vorig jaar heeft u het ook niet gevraagd. Toen heb ik niets gezegd. Maar het snoer loopt door de kier van mijn balkondeur, en daardoor gaat die niet meer dicht, en het tocht. En de stekkerdoos staat in mijn plantenbak. In de regen.”
„Hij is waterdicht.”
„Hij is van de Action, mevrouw Zeevat.”
Ze hadden ruzie sinds hij erboven was komen wonen, twee jaar geleden in september. Over de fietsen in de gang, eerst. Over de muziek, daarna, de lage tonen die door het plafond kwamen als iemand die met een vuist op een deur bonsde, maar zachtjes, eindeloos. Hij was geluidstechnicus, had hij gezegd, hij werkte bij concerten en theaters en mixte thuis, met een koptelefoon, maar soms moest hij het op de speakers checken, tien minuten, niet meer.
„Om twee uur ’s nachts?”
„Ik kom om één uur thuis van mijn werk.”
Dan het briefje van de VvE, die eigenlijk alleen uit hen tweeën bestond, en de beheerder die ze nooit hadden gezien. Dan de vogelvoederbak die Ria aan de regenpijp had gehangen, en waar de duiven op afkwamen, die op zijn balkon poepten. Dan de keer dat hij zijn auto, een deelauto, voor de deur had geparkeerd op de plek waar Joop altijd stond, ook al was Joop al zes jaar dood en had Ria nooit een rijbewijs gehad.
Ze wist dat het niet eerlijk was, dat laatste. Ze wist het en ze voelde het toch.
Het huis was van haar ouders geweest. Toen van haar en Joop. Ze hadden de bovenwoning in de jaren tachtig verhuurd aan een student, en toen aan een stel, en toen weer aan een student, en na Joops dood had ze hem moeten verkopen, omdat ze anders de lening niet kon aflossen, en de man van de makelaar had gezegd dat ze geluk had, met die prijs. Ze voelde zich geen gelukkige vrouw toen ze de handtekening zette.
En toen kwam Kofi Mensah, met zijn kratten vol kabels en zijn speakers die zo groot waren als een koelkast. Geboren in Amsterdam, had hij gezegd, in de Bijlmer, en ze had geknikt en gedacht: dan ben je nog niet van hier.
De volgende ochtend, vrijdag achttien december, stond er een storm. Niet een hele grote, maar groot genoeg dat de takken van de lindes langs de gracht heen en weer zwiepten en er een vuilniszak van de overkant over het water woei. Ria zat aan de keukentafel met haar koffie en luisterde naar het tikken van iets losgeslagens tegen haar raam.
Toen ze naar buiten keek, zag ze de ster. Hij hing scheef, aan één draad, tussen de eerste en de tweede verdieping, en sloeg bij elke windvlaag tegen de gevel. Het triplex was nat en zwart. Een stuk van de rand was er al af.
Ze trok haar jas aan en ging naar buiten. Ze kon er niet bij. Ze was een meter vierenvijftig, en de ster hing op vier meter, en haar ladder stond in de berging, die ze al drie jaar niet open had gekregen omdat het slot was verroest.
„Wacht,” zei een stem boven haar.
Kofi stond op zijn balkon, in een jas over zijn T-shirt, met blote voeten. Hij keek naar de ster en naar haar.
„Ik kan hem van boven pakken,” zei hij. „Als ik ga liggen.”
„Je valt.”
„Ik val niet.”
Hij ging op zijn buik liggen op het balkon, zijn armen tussen de spijlen door, en reikte. Het lukte niet. Hij was te kort, of de ster hing te laag. Hij stond weer op, verdween naar binnen, en kwam terug met een microfoonstandaard, een lange metalen stok met een klem aan het eind. Hij stak hem tussen de spijlen door, haakte de ster aan zijn draad vast en trok hem langzaam omhoog, tegen de wind in. Ria hield haar adem in. De ster kwam boven en Kofi greep hem met twee handen en trok hem over de balustrade.
„Hebbes,” zei hij.
Ze zaten bij hem in de woonkamer, omdat zijn tafel groter was. Ria was er nog nooit binnen geweest. Het was anders dan toen de studenten er woonden. Witte muren, een houten vloer die hij zelf had geschuurd, een bank, en verder alleen apparatuur: schermen, een paneel met schuifjes, kasten met kabels die op kleur waren gesorteerd. Er stond geen kerstboom. Er hing niets aan de muur behalve één foto, van een vrouw in een geel-groene jurk die lachte naar iemand buiten beeld.
De ster lag op tafel tussen hen in. Kofi bekeek hem door een loep op een armpje, het soort dat ze bij de opticien hadden.
„Wie heeft dit gemaakt?”
„Mijn man.”
„Hij heeft alles in serie gesoldeerd,” zei Kofi. „Zeshonderd lampjes. Als er één kapot is, gaat de rest ook uit. Dat is waarom hij steeds flikkerde.”
„Hij flikkerde niet.”
„Mevrouw Zeevat, hij flikkert al twee jaar. Ik kan het zien vanuit mijn slaapkamer. Om de paar seconden. Als een stroboscoop.”
Ria zei niets. Ze had het niet gezien. Ze keek niet meer naar de ster, eigenlijk. Ze hing hem op, in de eerste week van december, en ze zette hem aan, en ze ging naar binnen, en ze wist dat hij er was. Dat was genoeg geweest.
„Kun je hem maken?” vroeg ze.
Kofi keek haar aan. Toen naar de ster. „Het is veel werk.”
„Dat vroeg ik niet.”
Hij lachte, voor het eerst sinds ze hem kende. Het was een hoge lach, die niet bij zijn lijf paste.
„Ja,” zei hij. „Ik kan hem maken.”
Het duurde de hele middag. Ria bleef zitten. Ze had dat niet gepland, maar elke keer als ze wilde opstaan, vroeg hij iets. Hoe Joop het had gedaan. Waar de lampjes vandaan kwamen. Waarom de ster zes punten had en niet vijf.
„Omdat hij zes punten mooier vond,” zei Ria. „Hij was niet gelovig. Hij vond het gewoon mooier.”
Kofi soldeerde. Het rook naar hars en heet metaal. Hij werkte langzaam en heel precies, met zijn tong tussen zijn lippen, zoals Joop ook had gedaan. Buiten werd het donker en de storm ging liggen. In de verte, boven de daken, hoorde Ria een scheepshoorn, laag en lang, van de kant van het IJ.
„Is dat je moeder?” vroeg ze, en ze knikte naar de foto.
„Ja.”
„Woont ze nog in de Bijlmer?”
„Ze is terug naar Kumasi. Vorig jaar. Ze zei dat ze niet in een land wilde doodgaan waar het om vier uur donker is.” Hij blies op een soldeerpunt. „Ik ga er in februari heen. Met kerst kan ik niet, dan is er te veel werk.”
„Dus je bent alleen.”
„Ik werk. Op kerstavond doe ik het licht in de Westerkerk. Op eerste kerstdag een concert in het Muziekgebouw. Ik ben niet alleen. Ik ben met tweeduizend mensen.”
Ria knikte. Ze dacht aan haar eigen kerstavond, vorig jaar, en het jaar daarvoor. De televisie aan, de kerstnachtmis vanuit Rome, een blikje haring van de Dirk. Haar zus Toos had niet gebeld. Zij had Toos niet gebeld. Zo ging het al zeventien jaar.
„Ik heb een zus,” zei ze. „In Noord. Aan de overkant.”
„Ziet u haar weleens?”
„Nee.”
Kofi wachtte. Hij was goed in wachten, merkte ze. Dat zat waarschijnlijk in zijn werk, in het luisteren naar dingen die nog niet klonken.
„Ruzie over het huis,” zei ze. „Na de dood van mijn moeder. Zij vond dat ik het niet had mogen houden. Dat we het hadden moeten verkopen en delen. Ze had gelijk, misschien. Maar ik woonde er al. Joop en ik.” Ze wreef met haar duim over een plek op de tafel. „En nu heb ik de helft toch verkocht. Aan jou.”
„Aan mij,” zei Kofi.
„Ze weet het niet eens. Ik heb het haar nooit verteld.”
Om zeven uur was de ster klaar. Kofi had de oude lampjes vervangen door ledjes die parallel geschakeld waren, en het triplex aan de randen gelijmd en geschuurd, en een nieuw snoer gemaakt, met een stekker die hij zelf had gekozen en die, zei hij, wél tegen regen kon.
„En dat snoer gaat niet door mijn balkondeur,” zei hij.
„Waar dan?”
„Door uw eigen raam. Op de eerste verdieping. Ik heb een klem die u in het kozijn kunt zetten.”
Ze hingen hem samen op, hij vanaf het balkon, zij beneden op de stoep met haar hand boven haar ogen om te zien of hij recht hing. Toen stak hij de stekker in, en de ster ging aan. Helemaal. Niet flikkerend, maar heel en wit en stil, zes punten boven de deur, net als in 1987.
Een fietser op de gracht remde af en keek. Een vrouw die haar hond uitliet bleef staan.
„Oké,” zei Ria. Haar stem deed iets wat ze niet wilde. „Oké.”
„Ik heb nog meer van die lampjes,” zei Kofi, boven haar. „Zo’n rol. Ik gebruik het voor decors. Ik heb er veel te veel van.”
Ze keek omhoog.
„Als uw zus een raam heeft,” zei hij.
Op zaterdagmiddag stond Ria op de pont achter het Centraal Station. Ze had een tas bij zich met een rol lampjes en een stekkerdoos die niet van de Action was. Ze had haar goede jas aan en haar lippen gestift, en ze had twee keer bijna rechtsomkeert gemaakt, op de Haarlemmerdijk en bij de draaideuren van het station.
Ze was hier zeventien jaar niet geweest. Er was niets veranderd en alles. Het water was hetzelfde grijs, de motor bromde hetzelfde, maar aan de overkant stond nu een wit gebouw als een opgevouwen vliegtuig, en een toren met een schommel bovenop, en mensen die ze niet kende, die hier woonden alsof dat altijd zo was geweest.
Aan het hek voorin hing een rode kinderwant. Iemand had hem daar gehangen, zodat de eigenaar hem terug kon vinden. Ria keek ernaar en dacht dat dat lang kon duren, als niemand wist dat hij zocht.
In het stuurhuis stond een vrouw met een grijze vlecht. Ze keek even naar Ria, of naar de tas in haar handen, en knikte.
De pont maakte los. Ria hield zich vast aan de reling en keek niet om.