Verhaal 4: Vierhonderd meter

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De pont was achtenveertig stappen lang. Yonas had het in september geteld, op de eerste dag dat hij alleen naar school mocht, en hij telde het nog steeds, elke keer, van het hek aan de ene kant naar het hek aan de andere kant. Achtenveertig, als je normaal liep. Eenenvijftig, als er veel fietsen stonden en je eromheen moest.

Vandaag waren het vierenvijftig. De hele groep 8 stond op het dek, zesentwintig kinderen met rugzakken en mutsen en twee juffen en een vader die meeging omdat hij zelf vroeger had hardgereden. Juf Marieke telde de kinderen ook. Ze deed het met haar vinger, hardop, en kwam op vijfentwintig uit, en toen nog een keer op zesentwintig.

„Yonas,” zei ze. „Jij was weg.”

„Ik was bij het hek.”

„Blijf bij de groep.”

Bij het hek hing een rode kinderwant aan een spijl, met een witte sneeuwvlok erop. Yonas had hem al drie keer gezien, op de heen- en terugweg. Niemand nam hem mee. Hij vond dat vreemd. In Asmara zou iemand hem allang hebben gepakt, voor een klein broertje of zusje, maar hier hingen mensen dingen op en lieten ze hangen, voor de eigenaar. Een fietslampje aan een paal. Een sleutelbos op een hek in het Vliegenbos. Hij snapte het en snapte het niet.

Het was dinsdag, vijftien december, en het was koud zoals het in Nederland bijna nooit koud was. Vier graden onder nul, had de man op de radio gezegd, die zijn moeder ’s ochtends aanzette omdat ze er Nederlands van leerde. Op het water dreef geen ijs, maar de reling was wit en glad, en de adem van alle kinderen hing boven het dek als een kleine wolk.

„Kan het IJ bevriezen?” vroeg Yonas aan Daan, die naast hem stond.

„Nee,” zei Daan. „Te veel boten. En het is zout.”

„Het is niet zout.”

„Een beetje.”

Yonas wist zeker dat het niet zout was. Hij had het opgezocht. Maar hij zei niets, want Daan kon schaatsen en hij niet, en dat leek op dit moment belangrijker.


De tram naar de Watergraafsmeer duurde zeventien minuten, en in de tram vertelde Daan over de Elfstedentocht, die zijn opa had gereden, of bijna gereden, of had willen rijden, dat werd niet helemaal duidelijk. Het ging over tweehonderd kilometer op natuurijs langs elf steden in Friesland, en het was al bijna dertig jaar niet gebeurd omdat het nooit meer koud genoeg werd.

„Tweehonderd kilometer,” zei Yonas.

„Honderdnegenennegentig komma iets.”

Yonas rekende. Als je twintig kilometer per uur ging, wat hij niet wist of het snel was, dan was dat tien uur. Tien uur op ijs. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand dat wilde.

Hij had nog nooit ijs gezien dat groter was dan een vriezer. In Eritrea niet, natuurlijk, en ook niet in Ethiopië, waar ze twee jaar hadden gewacht, en niet in het azc in Ter Apel, en niet in het tijdelijke huis in Zaandam. Pas hier, in Noord, in het rijtjeshuis met de kapotte bel aan de Meeuwenlaan, had hij afgelopen winter één ochtend een plas op de stoep zien liggen die hard was. Hij had erop gestaan met zijn sneakers. Het was gebroken.

Zijn zusje Selam had gelachen. Zijn moeder had gezegd dat hij moest oppassen, in het Tigrinya, en daarna nog een keer in het Nederlands, omdat ze dat oefende.


De Jaap Edenbaan was groter dan hij had gedacht. Een ovaal van wit ijs onder de grijze hemel, met in het midden een veld waar mensen langzaam rondjes draaiden en op de buitenste baan mensen in strakke pakken die voorbijschoten met hun handen op hun rug, als vogels. Er speelde muziek uit luidsprekers die kraakte. Het rook naar koffie en naar friet en naar iets kouds en schoons dat hij niet kende.

„Vierhonderd meter,” zei juf Marieke. „Eén rondje. Wie dat zonder vallen haalt, krijgt chocolademelk van mij.”

„En als je valt?” vroeg Nour, uit zijn klas, die een roze hoofddoek droeg onder haar muts en ook nog nooit had geschaatst.

„Dan krijg je ook chocolademelk,” zei juf Marieke. „Maar dan moet je er wat langer over doen.”

Ze huurden schaatsen bij een loket. Yonas kreeg maat 38, en toen 37, omdat de eerste te groot was en zijn hiel erin rondzwom. Hij trok de veters zo strak dat zijn vingers pijn deden. De vader van Daan bukte zich en trok ze nog strakker.

„Enkels recht houden,” zei hij. „Niet naar binnen laten zakken. Kijk, zo.”

Yonas keek. Hij knikte. Hij stond op en zakte meteen naar binnen, alle twee de enkels tegelijk, alsof iemand de lucht uit zijn benen had gelaten.


Bij de rand van het ijs stonden plastic dingen, in de vorm van een pinguïn, met een handvat. Kleine kinderen duwden ze voor zich uit en schuifelden erachter aan. Nour pakte er meteen een. Ze zette hem voor zich en duwde, en ging, langzaam, maar ze ging, en ze lachte zo hard dat haar muts scheef zakte.

„Neem er ook een,” zei juf Marieke.

„Nee, dank u.”

„Yonas.”

„Ik wil het zelf doen.”

Hij stapte op het ijs. Hij hield de rand vast, die koud en nat was door zijn handschoenen heen. Daan schoot al weg, met zijn armen op zijn rug, zoals de mannen in de strakke pakken. Yonas haalde zijn hand van de rand. Hij stond. Hij stond echt. Toen bewoog zijn rechtervoet zonder dat hij dat had gevraagd, naar voren, en zijn linkervoet naar achteren, en toen zat hij op het ijs, op zijn billen, en het deed meer pijn dan hij had verwacht.

Iemand lachte. Hij wist niet wie.

Hij stond op. Het duurde lang. Hij moest eerst op zijn knieën, toen op één voet, toen op twee, met zijn handen op het ijs zoals een hond. Hij viel weer. Hij stond weer op.

Na tien minuten had hij elf meter afgelegd. Hij wist dat precies, omdat er strepen op de rand van de baan stonden, om de tien meter, en hij was bij de tweede streep en een klein beetje erna. Er waren nog driehonderdnegenentachtig meter.

Hij voelde iets in zijn borst dat geen kou was. Het was hetzelfde als wat hij voelde als hij in de klas iets moest voorlezen en de woorden niet goed uitsprak, en iedereen dat hoorde. Hij was goed in rekenen, de beste van de klas, beter dan Daan, beter dan iedereen. Maar dat kon je niet zien. Vallen kon je wel zien.

Nour kwam langs met haar pinguïn. Ze stopte, wat ze niet goed kon, zodat ze half tegen hem aan botste.

„Wil je ruilen?” vroeg ze. „Even. Dan probeer ik het zonder.”

„Je valt.”

„Jij valt ook.”

Daar had ze gelijk in. Ze liet de pinguïn los en stak haar armen uit, en wankelde, en stond.

Yonas pakte het handvat. Hij keek om zich heen of Daan keek. Daan was aan de overkant van het ovaal, een klein blauw puntje. Hij duwde. De pinguïn gleed. Zijn voeten gleden mee. Het was niet hetzelfde als lopen, het was meer als duwen en daarna wachten, en dan weer duwen. Hij voelde het ritme ervan, ergens in zijn heupen.

Hij duwde, en wachtte, en duwde, en telde de strepen.


Bij tweehonderd meter liet hij de pinguïn los. Hij wist niet waarom. Hij deed het gewoon. Nour was ergens achter hem, ze was één keer gevallen en had gegild, niet van pijn maar van verbazing. Hij liet de pinguïn los en die gleed nog even door, zonder hem, en bleef toen staan, en Yonas schoof erlangs, op zijn eigen benen, met zijn armen wijd.

Hij viel niet. Hij ging heel langzaam. Een vrouw in een rood jack haalde hem in en zei iets wat hij niet verstond, maar het klonk aardig. Zijn enkels deden pijn. Zijn billen deden pijn. Zijn adem kwam in korte stoten.

Tweehonderdvijftig. Driehonderd. Bij driehonderdtwintig viel hij, hard, op zijn zij, en zijn hoofd raakte bijna het ijs. Hij bleef even liggen. De lucht boven hem was wit. Er vloog een meeuw over, laag, alsof hij kwam kijken.

Hij dacht aan zijn vader. Aan de laatste keer dat hij hem had gezien, op een videogesprek dat steeds bevroor, omdat het internet in Addis zo slecht was. Zijn vader zat nog in Ethiopië. Er was een procedure. Het heette gezinshereniging, een woord waarvan Yonas de eerste keer had gedacht dat het een ziekte was. Het duurde al veertien maanden. Zijn moeder belde elke week met een advocaat, en elke week zei de advocaat dat het nog even ging duren.

Zijn vader had gevraagd, in het laatste gesprek: Wat ga je doen, deze winter? En Yonas had gezegd: Schaatsen. En zijn vader had gelachen en gezegd dat hij dat ook wilde zien.

Hij stond op.


Bij de finish, als het een finish was, een streep bij de ingang waar juf Marieke stond met haar telefoon, kwam hij binnen in zeventien minuten en twaalf seconden. Hij wist het precies, want de juf had de tijd bijgehouden, en ze riep het, hardop, alsof het een record was.

„Twee keer gevallen,” zei Yonas. „Op het laatste stuk.”

„Ik telde er vier,” zei juf Marieke.

„Twee keer zonder pinguïn.”

„Dat telt,” zei ze, en ze gaf hem een beker chocolademelk die al een beetje lauw was.

Nour kwam een paar minuten na hem binnen, met de pinguïn weer voor zich, en ze riep dat ze vijftig meter zonder had gedaan, of misschien veertig. Daan had al vijf rondjes. Het kon Yonas, op dat moment, niets schelen.


Op de terugweg, op de pont, liep hij niet achtenveertig stappen. Hij ging bij het hek staan, aan de voorkant, waar de rode want nog steeds hing, stijf van de kou. Zijn benen trilden. Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn, die eigenlijk van zijn moeder was, en die hij mocht meenemen als hij beloofde hem niet te laten vallen.

Hij had een filmpje. Juf Marieke had het gemaakt, op zijn vraag, en het naar zijn moeder gestuurd, en zijn moeder had het naar hem doorgestuurd met zeven hartjes. Twaalf seconden. Een jongen in een groene jas die heel langzaam over het ijs schoof, met zijn armen wijd, zonder iets vast te houden.

Hij stuurde het naar zijn vader. Eén grijs vinkje. Geen bereik, daar in Addis, of geen stroom, of geen telefoon. Het kon dagen duren voordat er twee vinkjes kwamen. Soms kwamen ze helemaal niet.

De schipper van de pont, een vrouw met een lange grijze vlecht, keek door het raam van haar stuurhuis naar hem. Toen kwam ze naar buiten, terwijl de pont al bijna aanlegde, wat ze volgens Yonas niet mocht.

„Kun je schaatsen?” vroeg ze. Ze knikte naar de schaatsenzak van Daan, die naast hem op de grond stond.

„Een beetje,” zei Yonas. „Vierhonderd meter.”

„Dat is meer dan ik,” zei de vrouw. „Ik ben drieënzestig en ik heb nooit op ijs gestaan. Ik vind het eng.”

Hij keek haar aan. Ze zag er niet uit als iemand die iets eng vond.

„Het IJ bevriest niet,” zei hij. „Toch?”

„Niet meer. In '63 wel, zeggen ze. Toen konden ze erover lopen.” Ze legde een hand op de reling, die glad was en wit. „Maar dat was voor mijn tijd.”

De pont schokte tegen de steiger. Het hek ging open. Yonas pakte zijn rugzak en keek nog één keer naar zijn telefoon. Nog steeds één vinkje.

Hij telde de stappen naar de kade. Achtentwintig, met trillende benen. Dat was een nieuw getal.