Verhaal 11: Gevonden voorwerp
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De telefoon lag in de goot. Niet de goot van de straat, maar het smalle gootje langs de rand van het dek, waar het regenwater en het bier en de resten van het vuurwerk heen liepen. Mei-Lin Chan zag hem omdat ze naar beneden keek, omdat ze altijd naar beneden keek als ze moe was, en ze was heel moe. Het was half drie in de nacht van oud op nieuw, en ze kwam van een feestje in een kelder aan de Prinsengracht waar ze niemand had gekend behalve het meisje dat haar had uitgenodigd, en dat meisje was om half een met iemand anders vertrokken.
Ze bukte. Het was een iPhone van een paar jaar oud, in een hoesje met een print van zonnebloemen. Het scherm was gebarsten, van de linkerbovenhoek naar het midden, een spinnenweb van fijne lijntjes. Ze drukte op de zijknop. Het scherm lichtte op. Vier procent.
Op het vergrendelscherm stond een foto. Geen gezicht, geen kat, geen zonsondergang. Een oude kaart. Een plattegrond, met waterlijnen en dijken en kleine huisjes, en in het midden een kruisje in potlood.
„Is die van jou?” vroeg de jongen in het oranje hesje, die bij de klep stond. Hij had dreadlocks onder zijn muts en zag er net zo moe uit als zij.
„Nee. Lag hier.”
„Shit. Die zochten we.” Hij wreef in zijn ogen. „Een meisje met een muts met zo’n pompon. Vlak voor twaalf. We hebben het hele dek afgezocht.”
„Hij zat in de goot.”
„Natuurlijk zat hij in de goot.” Hij stak zijn hand uit. „Ik kan hem bij gevonden voorwerpen leggen. Bij de GVB. Dan kan ze hem daar ophalen. Over een paar dagen.”
Mei-Lin keek naar de telefoon in haar hand. Vier procent. Een gebarsten scherm. Ze wist wat er zou gebeuren als hij een paar dagen in een la lag. De batterij zou leeglopen. Het meisje zou haar telefoon zoeken via de app, en hem niet vinden, omdat hij uit stond. Ze zou hem misschien nooit terugkrijgen.
„Ik werk in een telefoonwinkel,” zei ze. „Aan de Van der Pekstraat. Reparaties. Ik kan hem opladen en kijken of ik iemand kan bereiken.”
De jongen keek haar aan. Toen keek hij naar het stuurhuis, waar een vrouw met een lange grijze vlecht stond, die even naar hen keek en toen knikte.
„Oké,” zei hij. „Maar als het niet lukt, breng je hem terug. Ik heet Joel. Vraag naar mij.”
Haar kamer was boven de winkel. Dat was een van de redenen geweest om het baantje te nemen: de eigenaar, meneer Aydın, verhuurde de kamer voor weinig aan wie in de winkel werkte. Een kamer van drie bij vier met een raam aan de achterkant, op een binnenplaats waar ’s nachts katten vochten. Ze had hem sinds april. Sinds ze was gestopt in Delft.
Ze legde de telefoon aan haar oplader en ging op het bed zitten. Ze trok haar laarzen niet uit. Haar oren suisden nog van de muziek, en buiten knalde het nog steeds, losse knallen, als iemand die de laatste restjes opmaakte.
Haar eigen telefoon trilde. Een bericht van haar vader. Gelukkig nieuwjaar, Mei. Mama en ik hopen dat je een goed jaar hebt. En dat je nadenkt over wat we besproken hebben.
Ze hadden het besproken met kerst, in het huis in Amstelveen, aan tafel, met de kalkoen die haar moeder elk jaar maakte omdat dat in Nederland zo hoorde, en die niemand lekker vond. Haar vader had gezegd dat de inschrijving voor het volgende studiejaar in mei sloot. Dat ze het nog kon halen, elektrotechniek, of iets anders, als ze dat liever had. Dat een meisje met haar cijfers niet in een winkeltje hoorde. Dat hij niet begreep wat ze daar deed.
Ze had niet geantwoord, omdat ze het zelf ook niet goed begreep. Ze wist alleen dat ze in Delft in een collegezaal had gezeten met driehonderd mensen en formules op een scherm, en dat ze er ’s nachts van had liggen trillen in haar bed, zonder te weten waarom. En dat ze in de winkel van meneer Aydın een telefoon kon openschroeven en de connector van een scherm kon losmaken met een plastic plectrum, en dat haar handen dan stil werden. Heel stil.
Ze typte niets terug. Ze keek naar de gevonden telefoon. Negen procent.
Om tien over drie ging hij over. Ze schrok zo dat ze bijna van het bed viel. Op het gebarsten scherm stond een vast nummer, beginnend met 020. Geen naam.
Ze nam op.
„Hallo?”
Het was even stil. Toen een mannenstem, oud, heel precies, alsof elk woord eerst werd afgemeten. „Goedenavond. Of goedemorgen. Met Pos. U heeft de telefoon van mevrouw Tan, neem ik aan.”
„Ik heb hem gevonden. Op de pont.”
„Waar precies?”
Mei-Lin knipperde met haar ogen. „In de goot. Aan stuurboord, denk ik. Vlak bij het stuurhuis.”
„Aan stuurboord,” herhaalde de stem, tevreden, alsof dat een belangrijk detail was. „Ik heb het haar nog gezegd. Ze stond aan stuurboord toen die sloep voorbijkwam. Ze heeft overal gezocht, behalve daar.” Een pauze. „Mevrouw Tan is naar huis. Ze woont in Osdorp. Ze heeft me gevraagd om het om het uur te proberen, voor het geval iemand hem vond. Ik slaap toch niet. Het vuurwerk.”
„Ik kan hem morgen brengen,” zei Mei-Lin. „Vandaag, bedoel ik. Waar woont ze?”
„Ze komt hier. Om twaalf uur. Ze komt toch, want ze helpt me met een brief. Nieuwendammerdijk.” Hij noemde het nummer, twee keer, langzaam, en toen nog een keer, toen ze het herhaalde. „Een groene deur. Tussen twee grote huizen.”
Ze sliep vier uur. Om half elf ging ze naar beneden, de winkel in, die dicht was, met de rolluiken naar beneden. Ze deed het licht achterin aan, bij de werkbank. Het rook er naar soldeertin en isopropylalcohol en naar de koffie van meneer Aydın, die hij zo sterk zette dat je hem kon snijden.
Ze legde de telefoon op de antistatische mat. Ze had niet gevraagd of ze het mocht. Ze wist dat het niet mocht, niet zonder toestemming. Maar het scherm was niet alleen gebarsten. Het begon ook los te komen aan de onderkant, ze zag het nu bij daglicht. Als er nog één keer water tussen kwam, was het voorbij.
Ze had een scherm van dit type op voorraad. Ze wist het zeker, ze had vorige week de bestelling uitgepakt.
Ze dacht na. Toen pakte ze haar eigen telefoon en belde het vaste nummer terug.
„Met Pos.”
„Met Mei-Lin. Van de telefoon. Mag ik u iets vragen? Kunt u mevrouw Tan bellen?”
Om half twaalf stond ze aan de Nieuwendammerdijk. Het was een smalle dijk met huisjes in alle kleuren, houten en stenen, met bootjes erachter in het water en hekjes ervoor. Overal lagen de resten van het vuurwerk: rode snippers, kartonnen kokers, een verbrande doos waar nog rook uit kwam. De groene deur ging open voordat ze had geklopt.
Meneer Pos was lang, met een grijze duffel aan, ook binnen. Achter hem stond een jonge vrouw met donker haar en een muts met een pompon in haar handen, alsof ze hem net af had gezet.
„Dewi,” zei de vrouw. „Jij bent Mei-Lin?”
„Ja.”
Dewi pakte de telefoon aan, met het nieuwe scherm, glad en heel, zonder één barst. Ze draaide hem om, en weer terug. Ze drukte op de knop. Het vergrendelscherm lichtte op, met de oude kaart, het kruisje in potlood.
„Wat heb je gedaan?”
„Een nieuw scherm. Het oude was kapot en kwam los.” Mei-Lin voelde zich ineens heel onzeker. „Meneer Pos zei dat het van u mocht. Ik hoef er niks voor. Het was een scherm uit de voorraad, ik regel het wel met mijn baas.”
„Dat heb ik ook gezegd,” zei Dewi. „Ik had niet gedacht dat je het zou doen. Op nieuwjaarsdag. Binnen een uur.”
„Veertig minuten,” zei Mei-Lin. Ze wist niet waarom ze dat zei.
Meneer Pos maakte een geluid dat ergens tussen een lach en een hoest in zat. „Kom binnen,” zei hij. „Het is warm. Sinds dinsdag. Er is een nieuwe ketel.”
Ze bleef een uur. Het huis was klein en vol: kasten met boeken, een tafel met kaarten, een oude theodoliet op een statief in de hoek, die glom alsof hij elke week werd gepoetst. Er was een gloednieuwe radiator onder het raam, wit en blinkend, met de stickers er nog op. Meneer Pos zette thee. Dewi zat aan tafel met een stapel papieren en een pen: een brief aan de huurcommissie, legde ze uit, over de maanden zonder verwarming, en over de vraag of meneer Pos daar iets van terug kon krijgen.
„Ik wil niks terug,” zei meneer Pos.
„U wilt wel dat het vastligt,” zei Dewi.
„Dat wil ik wel,” gaf hij toe.
Mei-Lin keek naar de theodoliet. Meneer Pos zag het.
„Van mijn werk,” zei hij. „Landmeter. Eenenveertig jaar.”
„Hoe werkt hij?”
Hij keek haar aan, verrast. Toen stond hij op, langzaam, en liep naar de hoek. Hij legde het uit. Hoeken en afstanden. Een vast punt, waar je van uitgaat. Een tweede punt, ergens anders. En dan met driehoeken alles daartussen, tot je wist waar alles lag, tot op de centimeter. Hij liet haar door de kijker kijken, naar de dijk buiten, naar het water, naar een lantaarnpaal die ineens heel dichtbij was, met een kraspatroon op het metaal.
„Het eerste punt is het belangrijkst,” zei hij. „Als dat fout is, is alles fout. Dan kun je nog zo nauwkeurig meten.”
Mei-Lin keek door de kijker. Ze zag de lantaarnpaal, en het water achter de dijk, en heel in de verte de pont, die traag over het IJ voer.
„Waarom doe je het?” vroeg Dewi, achter haar. „Dat werk. Telefoons.”
Mei-Lin richtte zich op. Ze dacht aan het bericht van haar vader, dat ze nog steeds niet had beantwoord. Ze dacht aan de collegezaal in Delft, en het trillen. Ze dacht aan het moment vanochtend dat ze de connector had losgemaakt en het oude scherm eraf had gehaald, en hoe haar handen stil waren geworden.
„Omdat ik dan weet waar ik ben,” zei ze. Het klonk raar. Het was waar.
Meneer Pos knikte, alsof dat een volkomen redelijk antwoord was.
Op de pont terug naar de stad stond ze aan stuurboord, bij het stuurhuis. Het was een grijze, stille nieuwjaarsdag. De stad lag er doods en vermoeid bij, met overal rook die nog boven de daken hing. Er waren bijna geen passagiers. Aan het hek voorin hing niets.
In het stuurhuis stond een schipper die ze niet kende, een man met een kale kop. Joel was er niet, en de vrouw met de grijze vlecht ook niet. Die lagen waarschijnlijk te slapen. Mei-Lin keek naar haar handen, die leeg waren, en vond dat een goed gevoel.
Mei-Lin pakte haar telefoon. Het bericht van haar vader stond er nog. Ze begon te typen. Ze typte niet dat ze terug zou gaan naar Delft, en ook niet dat ze dat nooit zou doen. Ze typte: Gelukkig nieuwjaar, papa. Mag ik zondag langskomen? Ik wil je laten zien wat ik de hele dag doe.
Ze verstuurde het voordat ze aan de overkant was.