Verhaal 10: Oudejaarsdienst
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Hennie Brouwer had eenendertig keer oudejaarsdienst gehad, en ze had er nooit om gevraagd en nooit voor bedankt. Het rooster was het rooster. Andere schippers hadden kinderen, of een man die een feestje gaf, of een moeder in Purmerend die op hen rekende voor de oliebollen. Hennie had een kat, en de kat vond het vuurwerk vreselijk, ook als ze thuis was.
Dit was de laatste. Over zes dagen ging ze met pensioen. Ze had het zelf aangevraagd, de vroegpensioenregeling, het potje dat de vakbond in de jaren negentig had bevochten voor mensen die hun hele leven in ploegendiensten hadden gewerkt. Ze had het formulier drie keer ingevuld en twee keer verscheurd. De derde keer had Joel, haar maat, het van haar overgenomen en zelf in de bus van de personeelsdienst gedaan.
„Anders doe je het nooit,” had hij gezegd.
Joel was vierentwintig en had dreadlocks onder zijn muts en deed het werk aan dek: de klep, de lijnen, de mensen. Hij praatte met iedereen. Hij kende de namen van de vaste fietsers en de honden van de vaste fietsers, en hij wist wie er ’s ochtends een slecht humeur had en wie er ’s avonds dronken was. Hennie praatte met bijna niemand. Ze stond in het stuurhuis en keek naar het water. Zo werkten ze al vier jaar samen, en het werkte.
Om drie uur ’s middags, op de laatste dag van het jaar, was het IJ al half donker. Het was koud en helder, met een strakke oostenwind die over het water kwam als een vlakke hand. De stad was onrustig. Er knalde al van alles, ergens in de verte, achter het station en in Noord, losse rotjes en een enkele vuurpijl die te vroeg de lucht in ging en verdween in het grijs.
Op het dek stonden de mensen met tassen. Oliebollen, champagne, kratjes bier. Een man met een kerstboom die hij blijkbaar nu pas weggooide, of ergens anders naartoe bracht. Hennie keek naar het hek, voorin, waar de rode kinderwant hing.
Hij hing er bijna vier weken. Ze had hem op vijf december opgehangen, de avond dat die man in het Sinterklaaspak hem was komen vragen. Daarna was er niemand meer naar gekomen. Wel mensen die hem aanraakten, die erover praatten. Een jongetje dat elke ochtend met zijn klas overstak en die hem steeds bekeek alsof hij het ding wilde opmeten. Een oude vrouw met een tas vol lampjes. Een meisje dat hem filmde. De want was stijf geworden van de kou en vaal van de regen, en de witte sneeuwvlok op de rug was grijs.
Ze had besloten dat ze hem vandaag zou weghalen, als niemand kwam. Ze wist niet waarom het vandaag moest. Het voelde als iets wat je niet mee het nieuwe jaar in wilde nemen. Of juist wel.
„Je kijkt weer naar die want,” zei Joel door de deur van het stuurhuis.
„Ik kijk naar het water.”
„Het water zit links.”
Om half vier legden ze aan bij de Buiksloterweg. De kraam van de Hoekstra’s was op zijn laatste dag. De rood-witte luifel klapperde in de wind, de peertjes brandden, en er stond een rij die tot aan de fietsenrekken liep. Hennie zag het meisje, Sanne, bij de ketel, en de vader op een krat bij de kassa, en de moeder die de zakken vulde. Tijdens de wachttijd liep Hennie erheen, zoals ze al twintig jaar deed op oudejaarsdag.
„De speciale,” zei ze. „Als je ze nog hebt.”
Sanne keek op. Haar gezicht was rood van de hitte en haar haar zat onder een netje. „Nog vier. Ik heb ze apart gehouden.”
„Voor mij?”
„Voor u. U had het gezegd.”
Hennie kreeg een zakje met vier bollen. Ze rook de sinaasappel er al door het papier heen. Ze wilde betalen, maar de vader schudde zijn hoofd, vanaf zijn krat.
„Laatste jaar,” zei hij. „Voor ons allebei, misschien.”
Ze knikte. Ze wist niet precies wat hij bedoelde, maar ze vroeg het niet. Ze liep terug naar de pont met het zakje in haar jaszak, en de warmte ervan tegen haar heup.
Om vijf uur kwam het meisje. Hennie zag haar pas toen de pont al bijna vol was, aan de kant van het station: een klein meisje met donker haar in twee vlechten, aan de hand van een lange man met een bril op zijn voorhoofd. Het meisje had een rode want aan haar linkerhand. Aan haar rechter niets. Ze trok haar vader mee, recht naar voren, naar het hek, en bleef daar staan.
Hennie zag haar kijken. Ze zag haar hand omhooggaan, langzaam, en de want aanraken. Ze zag haar omkijken naar haar vader, die iets zei wat Hennie niet kon horen. Toen pakte het meisje de want van de spijl en hield hem voor zich, en bekeek hem, van alle kanten, en bracht hem naar haar neus en rook eraan. Ze trok hem niet aan.
Hennie stapte uit het stuurhuis. Joel keek verbaasd op. Ze liep naar het hek.
„Is die van jou?”
Het meisje knikte. „Ik heb hem verloren. Met Sinterklaas. Toen we van oma kwamen.”
„Ik heb hem gevonden. Ik heb hem hier opgehangen.”
„Weet ik.” Het meisje keek haar ernstig aan. „Ik heb hem al gezien. Een paar keer. Maar ik wilde nog niet.”
„Waarom niet?”
„Omdat die meneer had gezegd dat hij zou uitkijken.” Ze hield de want omhoog. „Die meneer van Sinterklaas. Die niet Sinterklaas was. Ik wilde weten of hij het zou doen.”
Hennie keek naar de vader. Die haalde zijn schouders op, op een manier die zei: ik doe hier niet meer aan mee, ik ben alleen de vader.
„Hij heeft het gedaan,” zei Hennie. „Hij heeft gevraagd. Diezelfde avond nog. Hij heeft me gevraagd hem op te hangen, zodat jij hem zou zien.”
Het meisje dacht daar lang over na. De pont was losgegooid, ze voeren al, het dek trilde.
„Oké,” zei ze ten slotte. Ze stopte de want in haar jaszak, niet aan haar hand. „Dan mag hij nu weer.”
Hennie wist niet wat ze bedoelde, en ze vroeg het niet. Ze liep terug naar het stuurhuis, en Joel zei niets, wat bijzonder was voor Joel.
Na negen uur werd het voller en luidruchtiger. Het vuurwerk was nu overal. Boven Noord, boven het centrum, boven de daken van het Oostelijk Havengebied. De lucht stonk naar kruit. Mensen kwamen in groepen, met muziek op hun telefoon en flessen in hun handen. Joel had zijn handen vol. Een jongen die over de reling wilde klimmen om een foto te maken. Een vrouw die haar sleutels kwijt was. Een groep Spaanse toeristen die wilden weten waar het beste uitzicht was.
Om half twaalf stak ze over met een volle pont. Iedereen wilde naar Noord, naar de kade, naar het uitzicht op het IJ en de stad. Hennie zag tussen al die mensen een man met een cellokoffer op zijn rug, die met zijn rug tegen de wand stond en naar zijn schoenen keek. Ze herkende hem niet meteen zonder de baard en het rode pak. Toen keek hij op, en zag haar, en stak zijn hand op. Ze knikte.
Vlakbij hem stond een oude man in een grijze duffel, met een pet, naast een jonge vrouw met een muts met een pompon. De oude man keek naar het water. De jonge vrouw keek naar haar telefoon en daarna naar de oude man, alsof ze hem in de gaten hield. Hennie had ze eerder samen gezien, een paar keer, de laatste weken. Altijd in de richting van de dijk.
Ze voeren. Om tien voor twaalf zag ze de sloep.
Hij kwam van rechts, van de kant van de Oranjesluizen, laag op het water. Geen lichten. Niets. Alleen de vonken van een sterretje dat iemand aan boord in zijn hand hield, en het geluid van gelach. Er zaten zes, zeven mensen in. Ze voeren recht op de vaargeul af, recht op de plek waar Hennie over een minuut zou zijn.
Ze minderde vaart. Ze gaf een lange stoot op de hoorn, en nog een. Op de sloep keek niemand op. Het vuurwerk boven de stad was te luid, het licht te fel, ze waren te dronken of te gelukkig of allebei.
„Joel,” zei ze door de intercom. „Iedereen vasthouden.”
Ze draaide het roer. Ze gooide de motor in zijn achteruit. De pont kreunde, het hele dek trilde, en iemand op het dek gilde. Hennie voelde het water tegen de romp, ze voelde de hele pont zwaar en traag reageren, als een paard dat niet wil. De sloep schoot voor hun boeg langs, op een meter of tien, misschien minder. Ze zag een vrouw met een papieren kroon op haar hoofd, die opkeek en haar mond opende en niets zei.
Toen waren ze voorbij.
Hennie liet haar adem gaan. Haar handen lagen op het roer, en ze trilden, en dat had ze in eenendertig jaar maar een paar keer meegemaakt. Ze pakte de marifoon en meldde het aan de verkeerspost. Een sloep zonder verlichting, richting het westen, zes, zeven personen, geen reactie op geluidssein. De stem aan de andere kant zei: begrepen, we sturen iemand.
„Gaat het?” vroeg Joel. Hij stond in de deur. Zijn muts was afgezakt.
„Het gaat.”
„Iedereen is oké. Die jonge vrouw heeft haar telefoon laten vallen, geloof ik, ze zoekt hem. Verder niks.”
„Help haar zoeken.”
„Er zijn vierhonderd mensen aan dek, Hennie.”
„Help haar zoeken.”
Joel ging.
Om middernacht lag ze nog op het water. Ze had de vaart er weer in gezet, langzaam, en toen de klokken begonnen, de klokken van de Westertoren en de Oude Kerk en van overal, die je over het water heen kon horen als je goed luisterde, lag de pont nog honderd meter uit de kant.
Het vuurwerk ging overal tegelijk. Boven de stad, boven Noord, boven het water, in alle kleuren die er waren. Het licht weerkaatste op het IJ, zodat het leek alsof het hele water brandde. De mensen op het dek begonnen te juichen, en te zoenen, en te zingen, en een paar huilden, en iemand liet een kurk knallen die tegen het raam van het stuurhuis sloeg.
Hennie keek naar het water.
Ze dacht aan haar vader, die lasser was geweest op de NDSM en die haar op zondag meenam naar de werf, als er niemand was, en die haar dan op de rand van een droogdok liet zitten met haar benen bungelend boven het niets. Ze dacht aan de eerste keer dat ze aan het roer had gestaan, in 1995, met een oude schipper naast zich die Leen heette en die alleen maar zei: „Het water doet wat het wil, jij doet wat het water toelaat.” Ze dacht aan het meisje met de want in haar zak.
Ze dacht: ik weet niet wat ik moet doen, straks, als ik hier niet meer sta.
Toen legde ze aan. Joel deed de klep open. De mensen stroomden van het dek, de kade op, het nieuwe jaar in, en de pont was leeg, en het was stil, op het knallen na, dat nu overal was en nergens.
Joel kwam het stuurhuis in met twee plastic bekertjes. Hij schonk er iets in uit een flesje dat hij uit zijn binnenzak haalde.
„Kinderchampagne,” zei hij. „We zijn in dienst.”
Ze proostten. Het smaakte naar appel en suiker.
„Die telefoon,” zei Hennie. „Gevonden?”
„Nee. Ze is met die oude meneer van boord gegaan. Ze zei dat ze morgen terug zou komen.” Joel dronk zijn bekertje leeg. „Gelukkig nieuwjaar, Hennie.”
„Gelukkig nieuwjaar.”
Ze haalde het zakje van de Hoekstra’s uit haar jaszak. De bollen waren koud en een beetje plat. Ze gaf er een aan Joel en nam er zelf een. De sinaasappel was er nog, en iets anders, iets wat ze niet kon thuisbrengen, warm en een beetje bitter.
„Wat is dat?” vroeg Joel.
„Geen idee,” zei Hennie. „Iets nieuws.”
Aan de overkant stonden alweer mensen te wachten. Ze startte de motor.