Verhaal 12: Drie koningen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Opa had nooit uitgelegd waarom het de drie koningen heette. Fenna Visser had het een keer gevraagd, toen ze een jaar of tien was, en hij had gezegd: „Omdat we met z’n drieën zijn en omdat het zes januari is.” Daarna had hij zijn krant weer opgepakt. Dat was, besefte ze later, het hele antwoord.
Nu stond ze bij de pontsteiger van de NDSM-werf, om vier uur op een woensdagmiddag, met de handen diep in de zakken van haar werkjas. De wind kwam over het IJ en sneed door alles heen. Achter haar lag de werf: de grote loods met de graffiti, de oude kraan met het hotel erin, het kraanspoor met de glazen kantoren erop, als een doos op poten. Voor haar het water, grijs en breed, en aan de overkant de lichtjes van de Houthavens en het Westelijk Havengebied.
Ze was te vroeg. Ze was altijd te vroeg, net als opa.
Kees Rot kwam om vijf over vier, op een scootmobiel met een vlaggetje van Ajax aan een stok. Hij was eenentachtig en droeg een pet van ribstof en een sjaal die iemand voor hem had gebreid, met een patroon van ankertjes. Hij stopte naast haar en keek haar aan, lang, van onder de klep van zijn pet.
„Je lijkt op hem,” zei hij. „Om je kin.”
„Dat zegt iedereen.”
„Iedereen heeft gelijk.” Hij keek naar het water. „Manuel is laat.”
„Het is vijf over.”
„Dan is hij laat.”
Manuel Ferreira kwam om tien over vier, lopend, met een wandelstok die hij niet leek te gebruiken maar meedroeg zoals een ander een paraplu. Hij was negenenzeventig en klein en had een dikke bos wit haar dat alle kanten op stond. Hij zoende Fenna drie keer, zoals in Portugal, en toen nog een keer, „voor Bram”, en toen draaide hij zich om naar Kees.
„Je hebt een nieuwe muts.”
„Pet.”
„Hij is lelijk.”
„Mijn dochter heeft hem gekocht.”
„Dan is je dochter ook lelijk,” zei Manuel, en Kees lachte zo hard dat hij moest hoesten.
Fenna stond erbij. Ze had geen idee wat ze moest doen. Ze had opa’s oude werfpas in haar binnenzak, een gelamineerd kaartje met een zwart-witfoto van een jongen van een jaar of twintig met een kuif en een veel te groot hoofd. Hij was in oktober overleden, in zijn slaap, op zijn tachtigste. Bij de begrafenis hadden Kees en Manuel achteraan gestaan, en na afloop was Kees op haar afgekomen en had gezegd: „Zes januari. Om vier uur. Bij de pont. Jij komt.” Het was geen vraag geweest.
De pont van de NDSM was groter dan die van de Buiksloterweg, en hij voer langzamer, of het leek langzamer, omdat de overtocht langer duurde. Kees reed met zijn scootmobiel naar de voorkant, naar het hek, en zette hem daar op de rem. Manuel en Fenna gingen naast hem staan. Er waren weinig andere passagiers. Een paar studenten met laptoptassen, een vrouw met een hondje in een tas, een man die met een vriend aan het videobellen was in een taal die Fenna niet herkende.
„Zo,” zei Kees, toen de pont losmaakte.
„Zo,” zei Manuel.
Ze zwegen. Fenna wachtte. De motor bromde. Het water kolkte achter de schroef. Een groot vrachtschip voer voorbij, laag op het water, met containers in alle kleuren, en de pont deinde even op de golven ervan.
„Bram begon altijd,” zei Kees ten slotte.
„Waarmee?”
„Met het jaar.” Hij keek haar aan alsof dat duidelijk had moeten zijn. „We zeggen allemaal één ding. Over het afgelopen jaar. Eén ding. Niet meer.”
„En dan?”
„Dan zijn we aan de overkant,” zei Manuel. „En dan gaan we terug. En dan drinken we een borrel. En dan gaan we naar huis.”
„Sinds wanneer?”
„Sinds de laatste dag,” zei Kees. „Januari ’84. Toen kregen we de brief. Allemaal tegelijk. We stonden op de helling, alle drie, met de brief in onze hand. Toen zei Bram: we gaan met de pont. Waarom wist niemand. Hij wilde gewoon niet meer op die werf staan. Dus we gingen met de pont. Naar de overkant, en terug. Want wat moesten we aan de overkant.” Hij haalde zijn schouders op. „Het was zes januari. Toen zei Manuel: de drie koningen. Als grap.”
„Het was geen grap,” zei Manuel. „Bij ons in Portugal is het een feest. Dia de Reis. Mijn moeder bakte een taart met een boon erin.”
„Er zat geen boon in.”
„Er zat nooit een boon in. Dat was het punt.”
Fenna keek van de een naar de ander. Ze begreep er niets van. Ze begreep er alles van.
„Ik begin wel,” zei Kees. Hij keek naar het water. „Dit jaar ben ik overgrootvader geworden. In juni. Een meisje. Ze heet Noor. Ze lacht al. Ik heb haar vastgehouden en ik was bang dat ik haar zou laten vallen, want mijn handen trillen. Dat is mijn ding.”
Manuel knikte. Toen hij praatte, deed hij zijn ogen dicht. „Dit jaar is mijn vrouw vergeten wie ik ben. Niet altijd. Soms. Ze kijkt me aan en ze vraagt of ik de man van de verwarming ben.” Hij zweeg even. „Ik zeg ja. Dan zet ik koffie voor haar. Dan zegt ze dat de man van de verwarming heel goede koffie zet. Dat is mijn ding.”
Ze waren halverwege. De wind trok aan Fenna’s haar. Ze voelde de werfpas in haar binnenzak, het harde randje tegen haar borst.
„Nu jij,” zei Kees.
„Ik?”
„Jij bent Bram, vandaag.”
Fenna keek naar het water. Ze dacht aan het afgelopen jaar. Aan haar werkplaats in de grote loods op de werf, een hokje van vier bij vier tussen een meubelmaker en een vrouw die lampen maakte van oude flessen. Aan de lasapparaten die ze tweedehands had gekocht, en de eerste beelden die ze had gemaakt, van staal dat ze bij een sloperij in Zaandam vandaan haalde. Aan opa, die in augustus nog met zijn rollator door de loods was gelopen, langzaam, tussen alle hokjes door, en bij het hare was blijven staan.
Hij had naar haar las gekeken. Een naad op een stalen plaat, die ze die ochtend had gelegd. Hij had zijn vinger erover laten gaan. Hij had niets gezegd. Toen had hij geknikt, één keer, en was doorgelopen.
„Dit jaar,” zei ze, en haar stem deed raar, „dit jaar heeft mijn opa naar mijn las gekeken. Op de werf. Waar hij zelf ook laste. En hij vond hem goed. Hij zei het niet. Maar ik weet het.”
Het was stil. Kees haalde een zakdoek uit zijn jas, een echte, van stof, en snoot zijn neus.
„Dat is een goed ding,” zei Manuel.
„Bram zou dat een goed ding vinden,” zei Kees.
Aan de overkant gingen ze niet van boord. Ze bleven staan, aan het hek, terwijl de studenten en de vrouw met het hondje en de videobellende man de kade op liepen, en nieuwe mensen opstapten. De schipper keek even uit het stuurhuis, een jonge vrouw met een ring door haar wenkbrauw, en knikte naar Kees en Manuel, alsof hij wist dat ze hier elk jaar stonden en dat je ze niet moest storen.
Toen, vlak voordat de klep dicht zou gaan, kwam er nog iemand aan. Een vrouw, lang, met een grijze vlecht over haar schouder en een rugzak, die rende, of zo snel liep als iemand van haar leeftijd kon. Ze stapte aan boord op het moment dat de klep omhoog begon te komen.
„Hennie,” zei Kees.
„Kees.” Ze was buiten adem. Ze keek naar Manuel, toen naar Fenna. „Ik was bang dat ik te laat was. Mijn laatste dienst liep uit. Er was een fietser die in de goot was gevallen. Niks ernstigs.”
„Je laatste dienst,” zei Manuel. „Vandaag?”
„Vandaag.” Ze haalde haar schouders op. „Eenendertig jaar. Om drie uur was het klaar. Joel had slingers opgehangen in het stuurhuis. Ik wist niet waar ik moest kijken.”
Kees draaide zich naar Fenna. „Dit is de dochter van Jaap Brouwer. Lasser. Hij werkte op dezelfde ploeg als je opa. Ze kwam als kind op zondag mee naar de werf. Ze zat op de rand van het droogdok met haar benen erover. Je opa werd er gek van.”
„Hij zei dat ik erin zou vallen,” zei Hennie.
„En?”
„Ik viel er niet in.” Ze keek naar Fenna, lang. „Bram,” zei ze toen. „Ik heb het gehoord. Het spijt me.”
„Dank u.”
„Je.”
„Dank je.”
Op de terugweg zeiden ze niets. Dat hoorde ook bij de traditie, legde Manuel later uit, op het terras van het café aan de kade, met vier kleine glaasjes jonge jenever voor zich en een schaal bitterballen die niemand had besteld en die toch kwam. Heen zei je je ding. Terug zei je niets. Dan nam je het jaar mee naar de overkant en liet je het daar, en kwam je leeg terug.
Fenna stond aan het hek. Hennie stond naast haar. Het was donker nu, en de lichten van de werf kwamen dichterbij, de loods en de kraan en de grote letters die op de gevel geschilderd stonden. Verderop, in het oosten, zag Fenna de lichtjes van de andere ponten, kleine gele vlekjes die over het water schoven, van het station naar Noord en van Noord naar het station, alsof ze aan een onzichtbaar draadje heen en weer werden getrokken.
Hennie keek ernaar. Ze zei niets, want dat hoorde bij de terugweg. Maar Fenna zag haar handen op de reling, en hoe ze die bewoog, heel klein, naar links en naar rechts, alsof ze nog stuurde.
Aan het hek hing niets. Fenna had verwacht dat ze iets zou voelen bij het lege hek, maar het was gewoon een hek, koud en nat, met een paar roestplekken op de spijlen. Ze haalde opa’s werfpas uit haar binnenzak. Ze keek naar de jongen met de kuif op de foto. Ze dacht er even over om hem in het water te gooien, zoals in een film. Ze deed het niet. Ze stopte hem weer terug.
Toen ze aanlegden, gaf de schipper drie korte stoten op de hoorn. Dat deed ze nooit, zag Fenna aan de studenten op de kade, die verbaasd opkeken. Hennie keek naar het stuurhuis. De schipper stak haar hand op door het raam.
„Gelukkig nieuwjaar,” zei Hennie, zacht, tegen niemand in het bijzonder. Dat was eigenlijk tegen de regel, iets zeggen op de terugweg. Kees deed alsof hij het niet hoorde. Manuel ook.
Fenna keek naar het water, waar de lichtjes van de stad in lagen, gebroken door de golfjes van de schroef, en weer heel, en weer gebroken.
„Volgend jaar,” zei Kees, toen ze van boord gingen, en hij keek eerst naar Fenna en toen naar Hennie. „Vier uur. Bij de pont. Jullie komen.”
Het was geen vraag.