Hoofdstuk 9: Twintig augustus

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Joost Steenhuysen praatte die avond langer dan hij ooit tegen haar had gepraat, en hij keek haar al die tijd niet één keer aan.

Ze zaten in het kantoortje, omdat haar moeder met Jan in de voorkamer zat en hem niet meer losliet. Het raam naar de binnenplaats stond open; de vlier geurde zwaar en zoet in de warme nacht. Joost zat op de stoel van haar vader, met zijn hoed op zijn knie, en hij praatte tegen de schrijftafel.

Hij vertelde haar wat Rachel haar al had verteld, en meer. Over de wissels op Rouaan, die in juni waren geweigerd, omdat geen Franse koopman meer een Hollandse handtekening wilde honoreren zolang zijn koning in Utrecht zat. Over de wissels op Hamburg, die volgden toen de Hamburgers hoorden van Rouaan. Over de partij foelie die hij in mei had gekocht, op krediet, tegen een prijs van voor de oorlog, en die nu nog niet de helft waard was. Over zijn eigen schuldeisers, die nog geduld hadden, omdat hij Joost Steenhuysen was, met het huis op de Keizersgracht en de zilveren knopen, maar die dat geduld zouden verliezen zodra ze wisten hoe het werkelijk stond.

„Als ik val,” zei hij, „val ik niet alleen. Ik heb een boekhouder met zes kinderen. Ik heb twee pakhuisknechten. Ik heb een zuster in Haarlem die van mijn rente leeft. Ik heb dit allemaal opgebouwd in vijftien jaar, en het kan verdwijnen in vijftien dagen.”

„Daarom wilde u de suiker,” zei Margriet.

„Daarom wilde ik de suiker.” Hij draaide de hoed rond op zijn knie. „En daarom wilde ik met u trouwen. Niet alleen daarom. Maar ook. Uw vader had een goede naam op de Beurs. Een naam waar mensen op vertrouwen. Met die naam naast de mijne...” Hij hield op. „Ik heb tegen u gezegd dat ik eerlijk zou zijn. Dat was ik niet. Niet helemaal.”

„Waarom vertelt u het nu?”

Hij keek eindelijk op. Zijn grijze ogen waren rood aan de randen.

„Omdat u vandaag naar Muiden bent gevaren om uw broer te halen, in een lichter die niet van u is, met een knecht met één goed been. Omdat uw moeder me vanavond vertelde dat u de hele zomer elke stuiver hebt omgedraaid om Hendrick en die meid te kunnen betalen. Omdat ik in juni dacht dat u een slimme vrouw was en nu weet dat u ook een dappere bent, en dat ik dat niet ben.” Hij stond op. „Ik trek de vordering niet in, juffrouw. Dat kan ik niet. Als ik dat doe, ben ik verloren. Maar ik wilde dat u wist waarom.”

Hij ging. Margriet bleef zitten in het kantoortje, met de vlier en het donker, en ze wist niet of ze hem meer of minder haatte dan voorheen. Ze wist alleen dat ze hem niet meer kon zien als de man met het glas wijn dat hij niet aanraakte.


Op zondagavond, de eenentwintigste augustus, kwam de schuit uit Den Haag aan bij de Haarlemmerpoort, en de schipper stond al op de plecht te roepen voordat hij had aangelegd.

Margriet hoorde het in de kerk. Het nieuws ging door de rijen als een windvlaag door een korenveld: eerst een gefluister achterin, dan een geschuifel, dan mensen die zich omdraaiden en elkaar aankeken. De predikant hield op met preken. Iemand riep iets vanaf de deur. Het woord dat ze verstond was dood. Daarna het woord beiden.

Op zaterdag, de twintigste, hadden ze Cornelis de Witt willen verbannen. Dat was het vonnis: geen bewijs voor het complot, wel verbanning, omdat de Staten het zo wilden. Johan de Witt was naar de Gevangenpoort gegaan om zijn broer op te halen. Er had zich een menigte verzameld, met schutters erbij, en ze hadden de broers niet laten gaan. Ze hadden ze naar buiten gesleept. Ze hadden ze vermoord, daar, op het Groene Zoodje bij de Vijverberg, met musketten en pieken en messen. En daarna...

Margriet hoorde wat er daarna was gebeurd, die avond en de dagen erna, in tien versies, en elke versie was erger. Ze zou het nooit helemaal willen weten. Ze wist genoeg: dat ze de lichamen hadden opgehangen aan een galg, ondersteboven, en dat het volk ze had verminkt, en dat er mensen waren die stukken mee naar huis hadden genomen, als aandenken. Mannen uit de stad. Burgers. Met vrouwen en kinderen thuis.

Ze liep naar huis met haar moeder aan haar arm. Haar moeder huilde zonder geluid te maken. Jan liep achter hen, en hij zei de hele weg niets.


De stad was die week niet één stad, maar twee.

In de herbergen op de Nieuwendijk en in de Jordaan werd gedronken op de Prins en op de dood van de verraders. Er werden liederen gezongen die Margriet niet wilde horen. Pamfletten met afbeeldingen van de galg in Den Haag werden voor drie duiten verkocht en gingen als brood. Maar in de huizen aan de grachten waren de luiken overdag dicht, en mannen die in juni nog op de Beurs hadden gezegd dat De Witt het land zou redden, kwamen niet meer op de Beurs. Er werd gezegd dat de Prins de heren van de vroedschap zou laten vervangen, in alle steden. Er werd gezegd dat er lijsten waren, met namen van Loevesteiners, de vrienden van De Witt, en dat het volk wist waar die woonden.

Van Heemskerck, op de Beurs, zei niets meer. Hij keek alleen naar zijn handen.

Op woensdagavond trok er een menigte langs de Keizersgracht.

Margriet hoorde het van Trijn, die van de bakker kwam en buiten adem in de keuken stond. Ze waren met honderd, of tweehonderd, met fakkels en stokken. Ze gingen van huis naar huis. Bij een paar huizen gooiden ze alleen de ramen in. Bij één huis waren ze binnengedrongen en hadden ze de meubels op straat gegooid, de stoelen, een kast, een spinet dat in stukken op de keien lag.

„Welke huizen?” vroeg Margriet.

Trijn noemde een paar namen. De laatste was Steenhuysen.


Hij kwam om twee uur ’s nachts, langs de achterkant.

Margriet was niet gaan slapen. Ze zat in het kantoortje met een kaars en het kladboek van haar vader, dat ze inmiddels uit haar hoofd kende, en ze hoorde het geklop op de deur van de binnenplaats, zacht, drie keer, en daarna nog eens drie keer. Ze dacht eerst dat het Hendrick was. Toen ze opendeed, stond er een man in het donker met een leren tas tegen zijn borst geklemd, zonder hoed, met bloed op zijn wang.

„Ik weet dat ik niet het recht heb,” zei Joost Steenhuysen. Zijn stem was schor. „Ik ben over drie schuttingen geklommen. Mijn knecht heeft me door de tuin van de buren gelaten. Ze staan voor mijn deur. Ze zeggen dat ik geld van De Witt heb aangenomen, wat niet waar is, en dat ik met de Fransen handel, wat ook niet waar is, behalve dat ik wissels op Rouaan had.” Hij lachte, een kort, verschrikkelijk geluid. „Ik had nergens anders heen gekund. Iedereen die ik ken, staat op dezelfde lijst.”

Ze keek naar hem. Naar de tas. Naar het bloed.

„Wat zit erin?”

„Mijn boeken. Mijn wissels. Mijn obligaties. Alles. Als ze die verbranden, heb ik niets meer om te bewijzen wat van mij is.”

Ze stond heel even stil. Ze dacht aan de deurwaarder. Aan de advocaat met de pruik. Recht moet geschreven staan. Ze dacht aan de kist van Pinheiro, achter het touw en de rode lak.

Toen deed ze een stap opzij.

„Kom binnen,” zei ze. „In het pakhuis. Op de tweede zolder, achter de foelie. Daar kijkt niemand.”

Ze bracht hem naar boven met de kaars in haar hand afgeschermd, langs de kruidnagel en de kaneel, en ze maakte een plek voor hem tussen de kisten, met een deken en een kruik water. Hij zei niets meer. Hij ging zitten met de tas op zijn schoot en zijn rug tegen een foeliekist, en hij sloot zijn ogen.

Toen ze weer beneden kwam, stond Jan onder aan de trap.

Hij was in zijn hemd, op blote voeten, met zijn haar overeind. Hij had alles gezien, dat zag ze aan zijn gezicht.

„Dat is Steenhuysen,” fluisterde hij. „Die van de lijst.”

„Ja.”

„Ze zoeken hem. Op de Keizersgracht. Ik heb ze gehoord, toen ik bij het raam stond.” Jan slikte. Ze zag hoe hij worstelde, hoe de jongen met het oranje lint om zijn pols vocht met iets anders, iets wat ouder was en zwaarder. „Als ze weten dat hij hier is...”

„Dan komen ze hier,” zei Margriet. „Dan gooien ze onze ramen in. Misschien steken ze het pakhuis in brand. Ja.”

„Waarom doe je het dan?”

Ze dacht na. Ze wilde hem een goed antwoord geven, een antwoord dat hij zou onthouden.

„Omdat ze in Den Haag twee mannen hebben vermoord op het woord van een barbier,” zei ze. „En omdat ik niet wil dat iemand uit deze stad ooit een stuk van Joost Steenhuysen mee naar huis neemt.”

Jan keek haar lang aan. Toen knikte hij, heel langzaam, en draaide zich om naar de trap.

Halverwege bleef hij staan.

„Margriet,” zei hij. „Die papieren die je zoekt. Van vader. Heb je al in de goudschaal gekeken? Onder het bodempje?”

Ze voelde haar hart een slag overslaan. „Welk bodempje?”

„Van het kistje. Er zit een plankje in dat los kan, als je aan de kant drukt. Vader liet het me een keer zien, toen ik klein was. Hij zei dat het zijn geheime bergplaats was en dat ik het aan niemand mocht vertellen.” Jan haalde zijn schouders op, beschaamd. „Ik had het vergeten. Tot nu. Toen je zei: daar kijkt niemand.”