Hoofdstuk 10: Het bodempje

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het kistje van de goudschaal stond op de plank naast de inktpot, waar ze het zelf had neergezet, zeven weken eerder, nadat ze Jan had uitgescholden.

Ze nam het mee naar de schrijftafel en zette de kaars ernaast. Het was een eenvoudig ding van notenhout, zo groot als een bijbel, met koperen hoekjes en een sluiting die al jaren niet meer sloot. Binnenin, in een uitgesneden bedje van groen fluweel, lagen de schaal, de twee bakjes aan hun kettinkjes en een rij kleine koperen gewichtjes, van een halve dukaat tot een rijksdaalder, elk in zijn eigen holte. Ze had het honderd keer gezien. Ze had er als kind zelf mee gespeeld, net als Jan.

Ze haalde de schaal eruit, en de gewichtjes, een voor een, en legde ze op een rij op het blad van de schrijftafel. Toen tastte ze met haar vingers langs de rand van het fluweel.

Aan de korte kant, links, zat een plekje waar het hout een fractie meegaf. Ze drukte. Er gebeurde niets. Ze drukte harder, en schoof tegelijk met haar duim, en met een droog klikje kwam de hele bodem omhoog, het fluweel en het bedje en alles, als een deksel op een tweede deksel.

Eronder lag papier.

Haar handen trilden zo dat ze de kaars bijna omstootte. Ze dwong zichzelf om langzaam te ademen, zoals haar vader haar had geleerd toen ze als meisje van tien voor het eerst een rekening van honderd gulden moest optellen. Rustig, Grietje. Getallen lopen niet weg.

Het waren drie papieren.

Het eerste was groot, dubbelgevouwen, van goed, stevig papier met een watermerk. Ze vouwde het open. Bewijs van bewaring, stond erboven, in haar vaders mooiste hand, de hand die hij gebruikte voor contracten en voor brieven aan de Compagnie. Daaronder: Ik ondergetekende Claes Jansz, koopman in specerijen te Amsterdam, wonende aan de Herengracht in De Vergulde Muskaatnoot, verklare bij dezen in bewaring te hebben genomen van Jacob Pinheiro Lobo, koopman alhier, de navolgende goederen, toebehorende aan genoemde Pinheiro Lobo en niet aan mij... Dan de lijst. Zesendertig kisten suiker, merk PL. Een kist met ijzeren banden, verzegeld. Een datum: de veertiende november 1671. En twee handtekeningen: de schuine, vastberaden letters van haar vader, en daarnaast, sierlijk en klein, Jacob Pinheiro Lobo. Onder allebei het zegel in rode lak. Het zegel van haar vader, de muskaatnoot. Het zegel van Pinheiro, een boom met drie wortels.

Ze legde het neer, heel voorzichtig, alsof het kon breken.

Het tweede papier was bijna hetzelfde. Dezelfde tekst, hetzelfde handschrift, maar met twaalf rollen tabak erbij en een andere datum: de achttiende december. Er stond alleen de handtekening van haar vader onder. Naast zijn naam was een lege plek, waar Pinheiro had moeten tekenen. Hij had het nooit gedaan. Twee dagen later was Claes Jansz met hoofdpijn naar bed gegaan.

Het derde papier was een snipper. Een hoekje dat van iets anders was afgescheurd, misschien van een rekening. Er stonden een paar woorden op, in potlood, scheef en bibberig, de letters door elkaar als die van een kind.

Aeltje – Jacobs papier ligt bij het goud. Zeg het G. Zij weet het wel.

Margriet zat heel lang stil.

Ze herkende het. Niet de woorden, maar de hand, de hand van de laatste dagen, toen hij nauwelijks nog een lepel kon vasthouden. Hij had het geschreven, ergens in die negen dagen, met zijn ogen half dicht van de koorts, en hij had het in het kistje gelegd in plaats van het aan haar moeder te geven, omdat hij in de war was, omdat zijn hoofd hem niet meer gehoorzaamde, omdat het kistje de plek was waar papieren hoorden. En daarna had niemand er meer aan gedacht.

Zij weet het wel.

„Nee, vader,” zei ze hardop, in het lege kantoortje. „Ik wist het niet. Ik wist het helemaal niet.”

En toen pas, voor het eerst sinds januari, sinds de begrafenis en de lege stoel en de rekeningen en de Beurs en de rode lak, huilde ze. Niet lang. Maar wel zo dat ze haar mouw tegen haar mond moest drukken om niemand wakker te maken.


Joost Steenhuysen kwam bij het eerste licht van de tweede zolder af.

Hij had zijn wang gewassen in de regenton op de binnenplaats; de snee was ondiep, een glasscherf. Zijn rok was gescheurd bij de schouder en zijn haar zat in de war, en hij zag er, dacht Margriet, uit als een gewone man. Niet als de koopman van de Keizersgracht. Gewoon iemand die slecht geslapen had op een harde vloer.

Ze legde het bewijs van bewaring voor hem op de schrijftafel. Ze zei er niets bij.

Hij las het. Hij las het twee keer, en het tweede papier ook. Toen ging hij zitten, op de stoel van haar vader, en hij legde zijn handen plat op het blad.

„Dat is zijn hand,” zei hij. „Ik heb tientallen brieven van hem. Dat is zijn hand, en zijn zegel.”

„Ja.”

„Waar was het?”

Ze vertelde het hem. Het kistje, het bodempje, Jan. Hij luisterde, en toen ze klaar was, lachte hij, zacht en vreemd.

„Bij het goud,” zei hij. „Natuurlijk. Claes Jansz woog alles drie keer, en hij vertrouwde niemand behalve zijn eigen schaal.” Hij schudde zijn hoofd. „U hebt gewonnen, juffrouw Claesdochter. Met dit papier geven de schepenen de goederen vrij voordat de advocaat zijn pruik heeft rechtgezet.”

Ze had gedacht dat ze iets zou voelen als hij het zei. Opluchting, triomf. Ze voelde alleen dat ze moe was.

„Er is nog iets wat u moet weten,” zei hij. Hij keek naar het papier, niet naar haar. „Ik ben de vordering niet meer.”

„Wat bedoelt u?”

„Dinsdag, de dag voordat ze naar mijn huis kwamen. Ik voelde het aankomen. Iedereen voelde het aankomen. Ik had een schuld aan een Hamburger die ik niet kon betalen, en hij dreigde naar de schepenen te gaan, en als hij dat deed, zou heel de Beurs het weten.” Hij ademde diep in. „Ik heb hem de obligatie van uw vader gecedeerd. Als zekerheid, en als betaling. Met alle rechten. Ook de rechten op de goederen op uw zolder.”

Ze voelde iets kouds in haar maag. „Welke Hamburger?”

„Heinrich Albers.”

Ze zag hem voor zich, de man onder de zuilengang, met zijn tolk. De man die van de angst van anderen kocht. Die haar peper had gekregen voor haar prijs min een tiende, omdat zij de enige was die een lichter had.

„Hij weet van de suiker,” zei Joost. „Ik heb het hem verteld. Ik moest wel, anders nam hij de obligatie niet aan. Hij heeft een advocaat. Een betere dan de mijne.” Hij keek op. „Het spijt me. Ik weet dat dat niets betekent. Maar het spijt me.”


De stad kwam langzaam tot rust in de laatste dagen van augustus. De schutterij patrouilleerde nu ook ’s nachts langs de grachten, en de groepen met fakkels bleven weg. Joost Steenhuysen bleef twee dagen op de tweede zolder, achter de foelie. Trijn bracht hem eten en vroeg niets; Hendrick keek hem één keer aan, lang, en zei toen: „U kunt beter de luiken dichthouden, mijnheer. De buren aan de overkant hebben goede ogen.” Op de derde dag haalde een knecht hem ’s avonds op met een huurkoets, en hij ging naar zijn zuster in Haarlem tot het rustiger werd. Bij de deur gaf hij Margriet een hand. Het was de eerste keer dat hij haar aanraakte.

Op dinsdag de dertigste kwam er goed nieuws, voor het eerst in maanden. Groningen was ontzet. De bisschop van Münster had het beleg opgebroken, zondag, na wekenlang schieten op de stad, en was teruggetrokken met zijn kanonnen en zijn soldaten en zijn trots. De stad had standgehouden. De klokken luidden weer, en dit keer luidde Margriet in gedachten mee.

Dezelfde dag kwam er een brief uit Muiden. Hij was gebracht door een turfschipper en was zo vaak gevouwen dat de randen zacht waren. Het handschrift was groot en onbeholpen, met fouten die Margriet ontroerden.

Juffrouw Margriet. Wij hebben het hier gehoord van Den Haag. Er zijn mannen in ons vendel die gejuicht hebben. Ik niet. Ik heb de hele nacht wakker gelegen en gedacht aan wat u zei op de dijk, over de barbier, en dat ik had gezegd dat iemand moest betalen. Nu hebben ze betaald, en ik schaam me. Ik had dat niet moeten zeggen. Ik weet niet of het verraders waren. Ik weet wel dat het mensen waren. Ik hoop dat het goed met u gaat en met de zaak en met Jan. Het water staat hoog en het is rustig. Uw Pieter Arentsz.

Uw, dacht ze. Ze las het briefje drie keer, en daarna stopte ze het in haar keurslijf, tegen haar hart, waar ze ook haar vaders snipper bewaarde.


Pinheiro kon niet komen. Dat liet Rachel haar woensdag weten, de laatste dag van augustus. De koorts was teruggekomen. Hij kon niet staan, laat staan de trappen van het stadhuis op. Rachel zou zelf gaan, schreef ze, maar zij was er in november niet bij geweest. Ze kon alleen zeggen wat haar man haar had verteld, en dat wisten de schepenen ook.

Die avond kwam er een jongen in livrei aan de deur met een briefje dat niet van Rachel was. Het was geschreven in een strak, zakelijk handschrift, met een Duitse krul aan elke hoofdletter.

Aan Juffrouw Margriet Claesdochter. Mijnheer Heinrich Albers, houder van de obligatie ten laste van de boedel van wijlen Claes Jansz, laat u weten dat hij morgen voor de schepenen zal verschijnen. Hij is ingelicht dat u een geschrift zou hebben gevonden. Hij laat u weten dat hij de echtheid daarvan zal betwisten, nu de enige andere ondertekenaar niet in staat is te verschijnen en het geschrift wonderlijk laat aan het licht komt.

Ze vouwde het briefje dicht. Ze keek naar het kistje van de goudschaal, naar de koperen hoekjes die glansden in het kaarslicht.

Wonderlijk laat. Dat was het. Dat was precies wat het was.