Hoofdstuk 11: Wonderlijk laat

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Notaris Cornelis Blom woonde op de Singel, in een huis dat naar oud papier en zegellak rook, en hij deed om zes uur ’s ochtends zelf open, in zijn kamerjas, met een slaapmuts op die hij haastig afzette toen hij zag wie er stond.

„Juffrouw Claesdochter.” Hij was een kleine, gezette man van over de zestig, met inktvlekken op zijn rechterwijsvinger die er waarschijnlijk nooit meer af zouden gaan. „Op dit uur. Is er iemand dood?”

„Nog niet,” zei Margriet. „Maar als u me niet helpt, gaat er een oude man failliet en verliezen mensen in Lissabon hun leven, en dat gebeurt allemaal om tien uur vanochtend op het stadhuis.”

Hij keek haar aan. Toen deed hij de deur wijd open.

Ze had in de nacht aan hem gedacht, toen ze niet kon slapen en voor de vierde keer het briefje van Albers las. Nu de enige andere ondertekenaar niet in staat is te verschijnen. Wie kende de handtekening van haar vader? Joost, die in Haarlem zat. Van Heemskerck, misschien. En Blom. Blom, bij wie haar vader al zijn akten had laten passeren, dertig jaar lang. Bij wie in 1670 de obligatie van Steenhuysen was opgemaakt. Bij wie, dat wist ze uit haar vaders boeken, ook Pinheiro kwam als hij een contract had dat ertoe deed.

Blom las het bewijs van bewaring aan zijn keukentafel, met zijn bril op het puntje van zijn neus en een kop warme melk naast zich die hij vergat te drinken. Daarna stond hij op, liep naar een kast vol leren banden, trok er twee uit en sloeg ze open.

„1670,” zei hij. „De obligatie. Hier tekent uw vader.” Hij legde het bewijs ernaast. „En hier, 1668, een huurcontract voor een pakhuis aan de Amstel. Pinheiro Lobo.” Hij boog zich voorover, en zijn neus kwam bijna op het papier. „Hm. Hm. Ja. Kijk, de J. Hij maakt die J altijd met een lusje naar links, alsof hij er een Portugese J van wil maken. En de zegels...” Hij hield het bewijs schuin tegen het licht van het raam. „Muskaatnoot. Boom met drie wortels. Ik heb ze allebei in mijn protocol, in lak, naast hun namen. Ik leg ze ernaast, als de schepenen dat willen.”

„Zult u dat zeggen? Op het stadhuis?”

Blom zette zijn bril af en wreef in zijn ogen. „Juffrouw. Ik ben notaris. Ik zeg wat ik zie. En ik zie de hand van Claes Jansz, met wie ik dertig jaar lang op nieuwjaarsdag een glas heb gedronken, en ik zie de hand van Jacob Pinheiro, die me in 1668 een fles Portugese wijn heeft gestuurd die ik nog steeds niet heb durven openmaken omdat hij zo mooi is.” Hij zette zijn bril weer op. „Geef me een uur om me aan te kleden.”


Heinrich Albers zat in de hoge kamer van het stadhuis op de bank waar in juli Joost Steenhuysen had gezeten. Hij was een zware man met een rood gezicht en kleine, slimme ogen, en zijn advocaat was een Amsterdammer, mager en grijs, die niet zo hard praatte als de jongen met de pruik maar wel elk woord twee keer woog.

Het waren dezelfde drie schepenen. De oudste, met het gezicht als een gedroogde appel, knikte Margriet toe toen ze ging zitten. Ze dacht dat hij haar herkende. Ze dacht, misschien, dat hij blij was haar te zien.

De advocaat van Albers sprak eerst. Hij sprak kalm. Hij zei dat zijn cliënt niets beweerde wat de juffrouw zou kunnen beledigen. Hij zei alleen dat de schepenen hadden bepaald dat er voor de eerste september een geschrift moest komen, en dat er nu, op de laatste dag, een geschrift kwam. Uit een kistje. Met een geheim bodempje. Gevonden in de nacht. Door een meisje dat er alle belang bij had. Ondertekend door een dode en door een man die te ziek was om te verschijnen.

„Ik zeg niet dat het vals is,” zei de advocaat. „Ik zeg dat het wonderlijk laat is. En dat wonderlijke dingen in een zaak van recht onderzocht moeten worden.”

„Dat zijn we met u eens,” zei de oudste schepen. „Juffrouw?”

Margriet stond op. Ze had in de nacht bedacht wat ze zou zeggen, zin voor zin, en nu ze stond, was het allemaal weg. Ze voelde de koude vloer door haar schoenen heen. Ze voelde de snipper van haar vader en het briefje van Pieter in haar keurslijf.

„Het is laat,” zei ze. „Dat is waar. Mijn vader is gestorven in januari, binnen negen dagen. Hij heeft niemand kunnen zeggen waar hij dit had gelegd. Hij heeft het geprobeerd.” Ze legde de snipper op de tafel, naast het bewijs. „Dit heeft hij geschreven, in zijn koorts, voor mijn moeder. Het is in het kistje terechtgekomen, bij de rest. Mijn broertje wist van het bodempje, omdat mijn vader het hem had laten zien toen hij klein was, en hij heeft er pas aan gedacht toen ik iets zei, vorige week, in de nacht dat ze op de Keizersgracht de ramen ingooiden.” Ze haalde adem. „Ik kan niet bewijzen dat ik het niet zelf in dat kistje heb gelegd. Ik kan alleen vragen of iemand die mijn vader kende naar zijn hand wil kijken.”

Notaris Blom stond op voordat de schepenen hem hadden gevraagd.

Hij deed het grondig. Hij legde zijn twee leren banden op de tafel, opende ze, wees de schepenen de handtekeningen, de lusjes, de zegels in lak. Hij liet ze de J van Pinheiro zien. Hij liet ze zien hoe Claes Jansz de C van zijn naam altijd in één haal schreef, zonder de pen op te tillen, met een staartje naar onderen. Hij sprak over watermerken en over de soort lak die haar vader gebruikte, met een beetje te veel hars, zodat hij altijd iets doffer was dan die van anderen.

De advocaat van Albers luisterde zonder hem te onderbreken. Toen Blom klaar was, zei hij: „Een goede vervalser kent ook de lusjes, edelachtbare.”

„Een goede vervalser,” zei Blom droog, „zou de tabak niet vergeten zijn op het eerste exemplaar. Hij zou er niet twee hebben gemaakt, waarvan één half af. Hij zou er geen snipper bij hebben gelegd in een hand die nauwelijks te lezen is. Een goede vervalser maakt het zichzelf makkelijk.”

Iemand op de achterste bank lachte. Margriet draaide zich om.

Joost Steenhuysen zat bij de deur. Ze had hem niet zien binnenkomen. Hij droeg een geleende jas die te wijd was, en de snee op zijn wang was een donkere streep geworden. Toen de oudste schepen naar hem keek, stond hij op.

„Edelachtbare. Mag ik iets zeggen? Ik ben geen partij meer in deze zaak. Mijnheer Albers is de houder. Maar ik was het, in juli.”

De schepen knikte.

„Ik heb in juli voor deze kamer gezegd dat recht geschreven moet staan,” zei Joost. „Dat meen ik nog steeds. Maar ik heb toen niet alles gezegd wat ik wist.” Hij keek naar Margriet, één tel. „In december vorig jaar sprak ik Claes Jansz op de Beurs, een paar dagen voor hij ziek werd. Hij vertelde me dat hij goederen bewaarde voor Pinheiro Lobo, en dat hij er een bewijs voor had opgemaakt, en dat hij het aan het overschrijven was omdat er tabak bij was gekomen. Hij vertelde het me omdat ik zijn schuldeiser was, en omdat hij een eerlijk man was die wilde dat ik wist wat van hem was en wat niet.” Hij zweeg even. „Ik heb dat geweten, de hele zomer. Daarom zei ik in maart tegen de juffrouw dat ze goed moest kijken wat van de zaak was. Ik wilde dat ze het zou vinden. En tegelijk hoopte ik dat ze het niet zou vinden. Ik heb het hier niet gezegd, in juli, omdat ik de suiker nodig had. Dat is de waarheid, en ik zeg haar nu omdat ik vorige week in het pakhuis van deze juffrouw heb geslapen, achter haar foelie, terwijl ze mijn huis leeghaalden.”

Het was stil in de kamer. Heel stil. Heinrich Albers draaide zich om op zijn bank en keek Joost aan met een gezicht dat roder was dan ooit.

De drie schepenen bogen hun hoofden naar elkaar toe. Het duurde niet lang.

„De goederen,” zei de oudste, „zesendertig kisten suiker, twaalf rollen tabak en een kist met ijzeren banden, worden vrijgegeven aan Jacob Pinheiro Lobo. Het eerste geschrift is door beide partijen getekend en door de notaris erkend. Wat de tabak betreft: het tweede geschrift is van de hand van wijlen Claes Jansz zelf, en daarin verklaart hij dat de tabak niet de zijne is. Een koopman die schriftelijk verklaart dat iets níet van hem is, zal dat zelden ten onrechte doen.” Hij keek naar Albers. „De vordering van mijnheer Albers op de boedel blijft bestaan, voor het resterende bedrag. Maar niet op deze goederen.” Hij keek naar Margriet, en nu glimlachte hij echt. „U hebt goed gezocht, juffrouw.”


Op de stoep van het stadhuis was het koel. De zomer was in één nacht omgeslagen; er waaide een frisse wind van het IJ, en boven de Dam dreven grijze wolken met witte randen. Heinrich Albers kwam naar buiten met zijn advocaat. Hij bleef staan toen hij haar zag.

„Juffrouw.” Hij sprak Nederlands, met een zwaar Duits accent. Zijn tolk had hij niet bij zich. „Ik heb nog tweeduizend vierhonderd gulden van u tegoed.”

„Dat weet ik.”

„Hoe gaat u dat betalen?”

Ze had erover nagedacht, die nacht, tussen het briefje van Albers en de ochtend bij Blom. „Ik heb kruidnagel en foelie op mijn zolders voor ongeveer twaalfhonderd gulden, tegen de prijs van nu. Die kunt u krijgen, aan boord van uw schip, met een lichter. Ik weet dat u die prijs in Hamburg kunt verdubbelen, want in Hamburg is geen oorlog. Ik betaal u vierhonderd in geld, volgende week. De rest in mei, na de voorjaarsverkoping van de Compagnie.”

„Vierhonderd in geld. Waarvan?”

„Van bewaarloon,” zei een stem achter haar. Rachel Pinheiro stond onder aan de stoep, in het zwart, met haar haar onder een donkere doek. Ze moest de hele zitting op de Dam hebben gewacht. „Mijn man is de juffrouw bewaarloon schuldig. Voor een half jaar, voor zesendertig kisten, twaalf rollen en een kist die meer waard is dan alles. Hij zei: vierhonderd gulden, en dat hij zich schaamt dat het niet meer is. En als mijnheer Albers zekerheid wil voor mei, dan staat mijn man borg.”

Albers keek van Rachel naar Margriet. Toen begon hij te lachen, een diepe, rommelende lach die uit zijn buik kwam.

„In juni,” zei hij, „verkocht u mij peper omdat u de enige lichter had. Nu betaalt u mij met foelie omdat ik het enige schip heb.” Hij stak zijn hand uit. „Mei. Afgesproken. Maar u brengt het zelf aan boord.”

Ze gaf hem een hand.


Later die maand werd de vroedschap van Amsterdam vervangen. Gezanten van de Prins kwamen naar de stad, en heren die er twintig jaar hadden gezeten, moesten plaatsmaken voor anderen. Er waren mensen die juichten en mensen die zwegen, en de meesten gingen gewoon naar hun werk, omdat de turf duur was en de winter eraan kwam. Op de Beurs werd weer een beetje gehandeld. Niet veel. Maar genoeg.

De zesendertig kisten suiker gingen in de tweede week van september terug naar het pakhuis aan de Amstel, met De Hoop, met Hendrick aan de boom. De ijzeren kist droeg Margriet niet zelf, daar was ze niet sterk genoeg voor. Maar ze liep met Hendrick mee de hele Herengracht af en de Amstel op, en toen hij hem met de knecht van Pinheiro in de gang van het huis op de Houtgracht neerzette, legde ze even haar hand op het rode zegel. Het was nog heel.