Hoofdstuk 8: Op de dijk bij Muiden

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Pieters moeder gaf de sleutel van het kajuitje voor de tweede keer zonder iets te vragen. Ze keek alleen naar Margriets gezicht en zei: „Hij zal op hem passen, die jongen van u. Pieter kan dat. Hij heeft drie zusjes groot zien worden.”

Ze vertrokken om vijf uur, toen de lucht boven het IJ nog grijs was en de meeuwen op de palen zaten met hun koppen in hun veren. Hendrick stond aan de boom tot ze voorbij de laatste schepen waren, en daarna zette hij het kleine zeil. Er stond een zwakke wind uit het westen, net genoeg. Margriet zat op de kajuit met een mand brood en kaas op haar schoot en keek naar de stad die achter hen kleiner werd, de torens die een voor een uit het ochtendlicht opdoken: de Oude Kerk, de Montelbaanstoren, de nieuwe koepel van het stadhuis.

Ze waren nog nooit zo ver samen geweest, zij en Hendrick. Hij zei weinig. Hij stuurde, met zijn slechte been gestrekt over een kist, en af en toe wees hij iets aan.

„Daar,” zei hij, toen ze voorbij Diemen voeren. „Kijk.”

Ze keek. Rechts van hen, achter de dijk die de Zuiderzee buitenhield, lag waar vroeger land had gelegen nu een grijze, glanzende vlakte, tot zo ver als ze kon zien. Er staken dingen uit: de toppen van knotwilgen, als borstels. Een hooiberg die scheef was gezakt. Het rieten dak van een boerderij, met daaronder alleen water, en op de nok een kat die naar hen keek. Verderop stak een kerktoren omhoog uit het niets, zonder dorp eromheen. Er dreef iets in het water, een vat of een kist of een dood dier, ze kon het niet zien.

„Dat was de Diemermeer,” zei Hendrick. „Mijn broer heeft er gewoond. Hij had koeien.”

„Waar is hij nu?”

„In de stad. Bij zijn schoonzoon op de Lindengracht. Hij zit de hele dag bij het raam.” Hendrick keek naar het water. „Hij zegt dat hij het niet meer terug zal zien zoals het was. Zout water. Dat gaat er niet zomaar uit.”

De wind draaide wat naar het noorden en het zeil klapperde. Hendrick trok aan het touw.

„Hij zegt ook,” zei hij na een tijd, „dat het goed is. Dat het moet. Dat hij liever zijn land kwijt is dan zijn land en zijn vrouw en zijn dochters. Hij heeft gehoord wat de Fransen in Gelderland doen.”

Margriet wist wat hij bedoelde. Iedereen had het gehoord, en niemand zei het hardop.


Muiden zag ze eerst aan het slot: vier ronde torens van rode steen aan de monding van de Vecht, met een vlag op de hoogste, oranje-blanje-bleu. Daarachter het stadje, klein en dicht op elkaar, en overal soldaten. Ze zaten op de dijk, ze stonden bij de sluizen, ze lagen in het gras met hun musketten naast zich. Er brandden vuurtjes. Er hing een geur van rook en natte wol en latrines, en van iets wat gebakken werd in een pan. Op de Vecht, vlak bij de sluis, lag een dam van palen en zand, waar mannen met schoppen bezig waren, en daarachter stond het water hoger dan ervoor.

Een soldaat met een hellebaard hield hen tegen bij de kade. Margriet zei wie ze zocht. Hij lachte en wees naar de dijk ten oosten van het stadje.

„De Amsterdammers liggen daar. Bij de schans. Je hoort ze wel, ze klagen over het eten.”

Ze vonden het vendel na een half uur lopen langs de dijk. Ze vonden eerst Jan.

Hij zat op een omgekeerde emmer bij een vuur en schilde aardappels met een mes dat te groot was voor zijn hand. Hij had een muts op die niet van hem was, en zijn gezicht was zwart van de rook. Toen hij haar zag, liet hij het mes vallen.

„Margriet—”

Ze zei niets. Ze liep op hem af en sloeg haar armen om hem heen, zo hard dat hij kreunde, en ze rook rook en zweet en zijn eigen, jongensachtige geur die ze kende van toen hij nog in de wieg lag. Pas daarna, toen ze hem losliet, gaf ze hem een draai om zijn oren.

„Au!”

„Moeder heeft de hele nacht niet geslapen,” zei ze. „Hendrick heeft de hele stad doorzocht met een lantaarn. Met zijn knie.”

Jan keek naar Hendrick, die achter haar stond, en kreeg een kleur onder het roet.

„Ik heb hem gezegd dat hij terug moest.” Dat was Pieter. Hij kwam over de dijk aanlopen, met zijn musket over zijn schouder en een gezicht dat magerder was dan zes weken geleden, met een stoppelbaard die roder was dan zijn haar. „Hij kwam gisteravond aan, met een schipper die turf naar het slot bracht. Ik heb hem gezegd dat hij morgen terug moest, met dezelfde schipper. Hij zei dat hij liever verdronk.”

„Ik wil vechten,” zei Jan.

„Je schilt aardappels,” zei Pieter. „En je doet het slecht.”


Ze bleven tot de middag. Hendrick ging met Jan naar de kade om de lichter klaar te maken; Margriet liep met Pieter een stuk de dijk op, weg van het vuur, tot ze bij een plek kwamen waar je over het water kon kijken naar het oosten. Daar, ergens, achter de wazige lijn waar het grijs van het water overging in het grijs van de lucht, lagen de Fransen.

„Je ziet ze soms,” zei Pieter. „’s Nachts. Hun vuren. Bij Naarden. Een keer kwamen ze met een paar man in een bootje, om te kijken hoe diep het was. We hebben geschoten. Ik weet niet of we iemand hebben geraakt.” Hij zweeg even. „Ik hoop van niet. Is dat raar?”

„Nee.”

„De anderen vinden het raar.” Hij ging op het gras zitten en ze ging naast hem zitten, haar rokken om haar heen. „Het is niet wat ik dacht. Het is vooral wachten. Wachten en natte voeten en slecht brood. En ’s nachts lig je wakker en dan denk je: als het gaat vriezen, deze winter, dan bevriest dit allemaal. En dan lopen ze er gewoon overheen.”

Ze had er nooit aan gedacht. Ze dacht er nu aan, en het was alsof er een koude hand op haar nek werd gelegd.

„Ze zeggen,” zei Pieter, „dat De Witt dat wist. Dat hij de vloot heeft opgebouwd en het leger heeft laten wegrotten, omdat hij bang was voor de Prins. Dat hij liever de Fransen binnenliet dan een Oranje aan de macht.” Zijn stem werd harder. „En nu zit zijn broer in de Gevangenpoort, en hij is zelf afgetreden, en mensen zeggen dat het niet genoeg is. Dat ze moeten hangen. Allebei.”

„Zeg jij dat ook?”

Hij gaf niet meteen antwoord. Hij plukte een grasspriet en draaide hem tussen zijn vingers, en ze dacht aan Joost Steenhuysen in het prieel, met het druivenblad.

„Mijn vader is gestorven op een schip van De Ruyter,” zei Pieter. „In de oorlog die De Witt begon. En nu staan we hier, in het water, met niks. Met de helft van het land kwijt. Iemand moet daarvoor betalen.”

„Mijn vader bewonderde De Witt,” zei Margriet.

„Uw vader was een koopman.” Het klonk niet gemeen. Het klonk alsof hij een feit noemde. „Kooplieden kijken naar het geld. De Witt was goed voor het geld.”

„En jij kijkt niet naar het geld? Jij, die me vertelde dat je je eigen baas wilt zijn?”

Hij keek haar aan, verrast. Toen lachte hij, kort, een beetje beschaamd. „Dat is waar.”

„Pieter. Ze zeggen allemaal dingen. De pamfletten, de herbergen, de vrouw met de haring bij de Haarlemmerpoort. Ze weten het niet. Niemand weet het. Een barbier heeft iets gezegd over Cornelis de Witt, en nu wil de halve stad hem aan de galg. Op het woord van een barbier.” Ze hoorde haar stem trillen. „Op dit moment zit er bij mij op zolder een kist van een oude man, en een advocaat met een pruik zegt dat die kist niet van hem is, omdat er een papier ontbreekt. En ik weet dat het wel van hem is. Ik wéét het. Maar ik kan het niet bewijzen, en dus wordt het van hem afgepakt. Snap je wat ik bedoel? Wat je zeker weet, is niet hetzelfde als wat waar is.”

Pieter zweeg lang. Het water klotste tegen de voet van de dijk. Bij het vuur in de verte riep iemand dat het eten klaar was.

„Ik snap het,” zei hij eindelijk. „Ik weet niet of ik het met u eens ben. Maar ik snap het.”

Het was niet wat ze wilde horen. Het was eerlijker dan wat ze wilde horen.


Op de kade, toen ze afscheid namen, gaf hij Jan een hand als een man en zei: „Pas op je zus.” Tegen Margriet zei hij niets. Hij keek naar haar, en zij keek naar hem, met Hendrick en Jan erbij en een half vendel soldaten dat van de dijk af toekeek en grinnikte.

„Je hebt me nog iets te zeggen,” zei ze ten slotte. „Als je terugkomt.”

„Dat heb ik.” Hij trok zijn hoed dieper over zijn ogen. „Als u dan nog wilt luisteren.”

Ze voeren terug met de wind in de rug. Jan sliep op de kajuit, met zijn hoofd op de mand, en Hendrick stuurde zonder te praten. Margriet keek naar het water rechts van hen, naar de kat op het dak, die er nog steeds zat, of een andere kat op een ander dak. Ze dacht aan wat Pieter had gezegd. Iemand moet daarvoor betalen. Ze dacht aan hoe hij had gezegd: ik hoop van niet. Is dat raar?

Het was donker toen ze bij de Herengracht aanlegden. In het pakhuis brandde licht. Haar moeder stond in de deur, en toen ze Jan zag, liet ze een geluid horen dat Margriet nooit eerder van haar had gehoord, half snik, half lach.

Achter haar moeder, in het lamplicht, stond een lange, magere man in het donkerbruin.

„Ik wist niet dat u weg was,” zei Joost Steenhuysen. „Uw moeder vertelde het me. Ik ben gebleven. Ik hoop dat u het niet erg vindt.” Hij keek naar Jan, en naar Hendrick, die de lichter vastlegde, en toen weer naar haar. Zijn gezicht was moe, en voor het eerst zag ze dat hij niet alleen ouder was dan zij, maar ook ouder dan zesendertig. „Ik moet u spreken, juffrouw Claesdochter. Niet over de obligatie. Over mezelf.”