Hoofdstuk 7: Bij het goud
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het huis op de Houtgracht was smal en hoog, met een stoep van blauwe steen en een deur met koperen beslag die glom alsof hij elke ochtend werd gepoetst. Aan de overkant van het water, op de hoek bij de Breestraat, stond een steiger tegen een half gebouwde muur van baksteen, enorm, hoger dan alle huizen eromheen. Daar bouwde de Portugese gemeente haar nieuwe synagoge. Margriet had erover gehoord: het zou de grootste van de wereld worden, zeiden ze. Maar de oorlog had het werk vertraagd, en er liepen maar een paar metselaars op de steigers, traag, in de hitte.
Rachel Pinheiro deed zelf open. Ze was een vrouw van in de vijftig, met donkere ogen die rood waren van het waken en een stem die laag was en heel vast.
„Hij slaapt veel,” zei ze. „Maar hij wil u spreken. Hij heeft drie dagen naar u gevraagd. Ik heb hem gezegd dat u een zaak hebt en een moeder en dat u niet kunt komen wanneer een oude man dat wil. Hij luistert niet.”
„Wat zegt de dokter?”
Rachel keek haar aan. „De dokter zegt wat dokters zeggen. Rust, bouillon, geen opwinding. In deze zomer.” Ze maakte een klein gebaar naar de straat, naar de stad, naar alles. „Kom binnen.”
Het huis rook naar was en citroen en iets wat Margriet niet kende, een kruidige geur die ze later zou herkennen als kaneel en kruidnagel die in wijn hadden getrokken. Op de trap hingen schilderijen: een haven met witte huizen en een fel blauwe lucht, een man in een zwarte mantel met een boek in zijn hand. In de kamer boven lag Pinheiro in een bedstee met de luiken open, bleek als het kussen onder zijn hoofd. Toen hij haar zag, probeerde hij overeind te komen.
„Blijf liggen,” zei Margriet.
„Een gastvrouw hoort te staan.” Hij glimlachte flauw. „Of een gastheer. Ik ben in de war. Ga zitten, juffrouw. Rachel, mag ze iets drinken? Ze heeft de hele stad door gelopen.”
Rachel bracht water met een scheut wijn erin, en een schaaltje gekonfijte sinaasappelschil. Margriet keek ernaar en voelde een steek. Ze was zes geweest, misschien zeven. Pinheiro had haar het stukje gegeven met twee vingers, plechtig, als een munt.
„U wilde me iets vertellen,” zei ze.
„Twee dingen.” Hij sloot even zijn ogen. „Het eerste is wat er in die kist zit. Ik had het u in maart moeten vertellen, maar ik was bang, en ik ben gewend om bang te zijn. Mijn hele familie is gewend om bang te zijn. Dat is iets wat u niet kunt weten, en daar ben ik blij om.”
Ze wachtte.
„Mijn grootvader is geboren in Lissabon,” zei Pinheiro. „Als christen, zoals het moest. Zoals iedereen van ons het moest, daar. Hij ging naar de mis, hij at varkensvlees als de buren keken, en op vrijdagavond deed hij de luiken dicht en stak hij twee kaarsen aan in de kelder. Mijn vader is als jongen hierheen gekomen, naar Amsterdam, waar je dat niet in de kelder hoeft te doen. Maar niet iedereen kwam mee. Er zijn neven, achterneven, nichten. Ze wonen nog in Portugal. Ze heten anders dan ik. Ze gaan naar de mis.”
Hij hoestte, lang. Rachel kwam met een doek. Toen het over was, ging hij verder, zachter.
„In die kist zitten brieven. Veertig jaar brieven, tussen mijn vader en hen, tussen mij en hen. Met hun echte namen. Met dingen die ze zeiden over wat ze in de kelder deden. Als die brieven in verkeerde handen vallen, juffrouw, bij iemand die handel drijft op Lissabon en een gunst nodig heeft van de verkeerde mensen daar, dan kunnen er mensen sterven. Mensen die ik nooit heb gezien. Kinderen van kinderen van mijn grootvaders zuster.”
Margriet zat heel stil. Ze dacht aan de deurwaarder met zijn schrijfbord. Een kist met ijzeren banden, verzegeld, inhoud onbekend. Ze dacht aan wat er zou gebeuren als de goederen in de boedel vielen. Ze zouden verkocht worden, bij opbod, in het openbaar, aan wie het meeste bood. De suiker, de tabak. De kist.
„Waarom hebt u ze niet verbrand?” vroeg ze. „De brieven.”
„Omdat het de enige plaats is waar ze nog bestaan zoals ze zijn.” Hij keek naar het plafond. „Mijn zoon wilde er een boek van maken. Een geschiedenis van onze familie. Hij was ermee begonnen, toen hij ziek werd. Zijn aantekeningen liggen er ook in. Ik heb niet de moed gehad.”
Ze zwegen. Beneden op de gracht riep een man dat hij kersen had, de laatste kersen, de zoetste van het jaar.
„En het tweede?” vroeg Margriet.
„Het tweede is iets wat uw vader zei. In december, toen ik hem het bewijs teruggaf.” Pinheiro draaide zijn hoofd naar haar toe op het kussen. „Ik vroeg hem waar hij het zou bewaren. Ik was bezorgd, zoals altijd. En hij lachte en zei: ‘Ik leg het bij het goud, Jacob. Daar kijkt niemand, want er ligt geen goud.’ Ik dacht dat hij een grap maakte. Over zijn geldkist. Hij maakte altijd grapjes over hoe leeg zijn geldkist was.”
„Bij het goud,” herhaalde Margriet.
„Ik weet niet of het iets betekent. Maar ik heb er de hele nacht over gelegen, en ik dacht: als ik doodga voordat ik het u vertel, dan heb ik niets gedaan om mijn eigen kist te redden.”
„U gaat niet dood.”
„Dat zei ik ook tegen mijn zoon.” Hij sloot zijn ogen. „Ga nu maar, juffrouw. Rachel kijkt al naar u alsof u een koortsige hond binnen hebt gelaten.”
Rachel liet haar uit. In de gang, bij de deur, bleef ze staan.
„Er is nog iets,” zei ze zacht. „Hij weet het niet. Ik heb het hem niet verteld, want het zou hem alleen maar opwinden.”
„Wat?”
„Mijnheer Steenhuysen is hier geweest. Vorige week, op de dag na uw zaak voor de schepenen. Mijn man sliep. Ik heb hem in de voorkamer ontvangen.” Rachels gezicht was strak. „Hij bood aan de suiker en de tabak te kopen. Van ons. Nu, voor contant geld, buiten de schepenen om. Voor een derde van wat ze waard zijn. Hij zei dat het beter voor ons zou zijn: dan hadden we tenminste iets, als de zaak verloren ging.”
Margriet voelde het bloed naar haar gezicht stijgen. „Wat hebt u gezegd?”
„Dat ik de vrouw van mijn man ben en niet zijn weduwe. Nog niet.” Rachel trok de deur open. Het licht van de straat viel naar binnen, fel en wit. „Maar ik heb ook iets gehoord, juffrouw. Op Vlooienburg hoor je veel; de makelaars praten. Er wordt gezegd dat er wissels van mijnheer Steenhuysen zijn geprotesteerd, in juni. Op Hamburg, en op Rouaan. Groot geld. Hij heeft het tot nu toe kunnen afdekken. Maar suiker, ziet u, suiker kun je in Hamburg altijd verkopen.”
Op weg naar huis liep Margriet langs de Amstel en over de Dam, langs de Beurs, door de Kalverstraat waar de winkels half leeg waren en de winkeliers in de deuropening stonden zonder klanten. Ze zag niets van wat ze zag. Ze dacht aan Joost Steenhuysen in het prieel met de druif. In oorlogstijd heeft niemand genoeg. Ze had gedacht dat hij het zei zoals mannen zulke dingen zeggen, om indruk te maken. Nu begreep ze dat hij het over zichzelf had gehad.
Thuis ging ze rechtstreeks naar het kantoortje. Ze opende de geldkist, haalde er alles uit, de buidel met wat er nog over was van de rijksdaalders, de losse stuivers, de kwitantie van Steenhuysen, en ze tastte de bodem af, de zijkanten, de binnenkant van het deksel. Ze klopte erop. Het hout klonk vol en dicht. Ze haalde de kist van de muur en keek erachter, eronder. Niets.
Daar kijkt niemand, want er ligt geen goud.
Ze zat lang op de grond, met de lege geldkist naast zich.
De weken daarna waren heet en zwaar. Het water buiten de stad stond nu hoog, en als de wind uit het zuiden kwam, rook de hele stad naar stilstaand water en rottend gras. Er kwamen steeds meer vluchtelingen, boeren uit Amstelland en het Gooi, die op de kades sliepen en in de kerken. Brood werd duurder. Turf werd duurder. Margriet verkocht kruidnagel per half pond aan winkeliers die maar een half pond konden betalen.
Eind juli kwam het bericht dat Cornelis de Witt gevangen was genomen. In Dordrecht, zijn eigen stad, waar hij burgemeester was geweest. Een barbier had hem beschuldigd van een plan om de Prins te laten vermoorden. Hij was naar Den Haag gebracht, naar de Gevangenpoort, en daar zat hij nu, in afwachting van een proces.
„Dat bewijst het,” zei Jan aan tafel. Hij was gegroeid deze zomer, of het leek zo: zijn armen staken uit zijn mouwen, en zijn stem sloeg soms over. „Dat bewijst alles wat ze zeggen. Ze zijn verraders.”
„Een barbier heeft iets beweerd,” zei Margriet. „Dat bewijst dat een barbier iets heeft beweerd.”
„Waarom zouden ze hem anders vastzetten?”
Haar moeder legde haar hand op Jans arm, maar hij schudde haar af.
Een week later, op de eerste vrijdag van augustus, kwam het volgende bericht: Johan de Witt had ontslag genomen. Hij was geen raadpensionaris meer. Na negentien jaar. De man die volgens haar vader kon rekenen, die de vloot had opgebouwd, van wie je wist waar je aan toe was. Op de Nieuwendijk dansten ze.
Die avond kwam Jan niet thuis voor het eten. Ook niet voor het donker werd. Om tien uur ging Hendrick hem zoeken, met een lantaarn, langs de Dam en de herbergen. Om middernacht kwam hij alleen terug.
Margriet vond het briefje pas de volgende ochtend, toen ze zijn bed opmaakte. Het lag onder zijn kussen, in zijn hanenpoten, met een vlek van iets zoets in de hoek.
Ik ga naar Muiden. Naar Pieter. Ik wil vechten voor de Prins. Niet boos zijn. Jan.