Hoofdstuk 6: Oranje boven
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Lambert Kock verzegelde de bovenste zolder met vier lakzegels en een touw.
Hij deed het zorgvuldig, zoals hij alles deed. Eerst spande hij het touw over de deur, van de ene deurpost naar de andere, en daarna drukte hij op elk uiteinde en op twee plekken op de deur zelf een klodder warme lak, rood als kersensap, met daarin het stempel van de stad: drie kruisen onder elkaar. Toen hij klaar was, stapte hij achteruit en bekeek zijn werk.
„Zo,” zei hij. „Als iemand dat verbreekt, juffrouw, is dat een zaak voor de schout. Niet voor de schepenen. Dat begrijpt u.”
„Ik begrijp het.”
„De specerijen op de andere zolders mag u verkopen. Mijnheer Steenhuysen heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt; hij heeft er belang bij dat u verkoopt, zei hij. Alleen dit.” Hij tikte met zijn knokkel tegen de deur. „Tot de zaak gehoord is. Dat is volgende week, op het stadhuis.”
Hij ging de trap af, tree voor tree, met zijn hand aan de muur. Margriet bleef boven staan, voor de deur met het touw en de vier rode zegels. Achter die deur stonden zesendertig kisten suiker, twaalf rollen tabak en de ijzeren kist van een oude man, met daarin de spullen van een zoon die al acht jaar dood was. Ze kon er niet meer bij. Niemand kon er nog bij.
Ze ging op de bovenste tree zitten en drukte haar handen tegen haar ogen tot ze sterretjes zag.
De stad werd oranje in de eerste dagen van juli.
Het begon in Zeeland, en daarna in Dordrecht, waar de burgers het stadhuis waren binnengedrongen en de heren hadden gedwongen om de Prins tot stadhouder uit te roepen. Daarna ging het als een vuur langs de steden van Holland: Rotterdam, Delft, Haarlem, Leiden. In Amsterdam gaven de heren van de vroedschap toe voordat de straat het hun liet doen. Op maandag de vierde juli kwam het bericht dat de Staten van Holland Willem van Oranje tot stadhouder hadden benoemd, en de stad ontplofte.
Overal hingen vlaggen. Oranje linten aan de deuren, oranje sjerpen over de schouders van de schutters, oranje papier in de ramen. Op de Dam brandden vreugdevuren tot diep in de nacht, en jongens sprongen eroverheen terwijl de omstanders klapten. Bij de herbergen op de Nieuwendijk werd gezongen, steeds hetzelfde lied, steeds harder, en wie niet meezong werd aangekeken. Een man die op de Haarlemmerdijk had gezegd dat hij niet zag waarom een jongen van eenentwintig het land beter zou besturen dan mannen die het al twintig jaar deden, werd in de gracht gegooid. Hij kwam er weer uit, druipend, en niemand hielp hem.
Jan had een oranje veer op zijn muts en kwam elke avond schor thuis.
„Je vader zou het niet gewild hebben,” zei hun moeder, toen hij aan tafel weer begon te zingen.
„Vader is dood,” zei Jan, en daarna, toen hij haar gezicht zag, werd hij rood en at verder zonder iets te zeggen.
Margriet hing geen vlag op. Haar moeder ook niet. Maar op de derde avond, toen er een groep mannen langs de Herengracht trok met fakkels en bij elke deur bleef staan waar geen oranje hing, ging Hendrick zonder iets te vragen naar binnen en kwam terug met een oranje lap die hij van ergens had opgediept. Hij spijkerde hem onder het uithangbord van de muskaatnoot. Toen de mannen voorbijkwamen, keken ze omhoog, knikten en liepen door.
„Het is maar een lap,” zei Hendrick. „Er zitten nog vlekken van mijn vrouw haar stoofpot op.”
De zaak voor de schepenen was op dinsdag, in een kamer van het nieuwe stadhuis die zo hoog was dat Margriet haar eigen voetstappen hoorde terugkaatsen van het plafond. Aan de muren hingen schilderijen van mannen in harnassen en vrouwen in wapperende gewaden die iets betekenden wat ze niet begreep. Achter een lange tafel met een groen kleed zaten drie schepenen in het zwart, met witte kragen. Een klerk zat aan het eind en schreef alles op.
Joost Steenhuysen had een advocaat meegenomen, een jonge man met een pruik die te groot was voor zijn hoofd en een stem die te groot was voor de kamer. Margriet had niemand. Ze had haar moeder gevraagd mee te gaan, maar haar moeder had haar hoofd geschud. „Ik zou alleen maar huilen,” had ze gezegd, „en dan zeggen ze dat Claes Jansz zijn weduwe het niet aankan.” Dus zat Margriet alleen op de houten bank, met Pinheiro naast zich.
Hij zag er slecht uit. Hij was grauw onder zijn baard, en hij hoestte in een zakdoek die hij steeds snel weer wegstopte. Maar hij zat rechtop, en toen hij gevraagd werd om te spreken, deed hij dat helder en rustig, in een Nederlands dat beter was dan dat van de advocaat.
Hij vertelde over november. Over de afspraak met Claes Jansz. Over het bewijs van bewaring in tweevoud, en over december, toen hij zijn eigen exemplaar had teruggegeven om er de tabak bij te laten schrijven.
„U hebt het dus niet,” zei de advocaat.
„Ik heb het niet.”
„En de juffrouw heeft het ook niet.”
„Ik ben het aan het zoeken,” zei Margriet.
„Aan het zoeken.” De advocaat glimlachte naar de schepenen, alsof ze met z’n allen een grap deelden. „Edelachtbare heren. Mijn cliënt heeft aan wijlen Claes Jansz vierduizend gulden geleend, met een obligatie die verviel op Sint-Jan. Een deel is betaald. Voor de rest heeft mijn cliënt recht op de goederen van de zaak. In het grootboek van de zaak staat niets over enige bewaring. Er is een regel in een kladboek, zonder bedragen, zonder handtekening. Er is een lijst die de juffrouw in maart zelf heeft getekend, toen de obligatie al bijna verviel en zij wist dat haar zaak in moeilijkheden was. En er is het woord van een koopman die er groot belang bij heeft dat deze goederen als de zijne worden erkend.”
„Ze zijn de mijne,” zei Pinheiro zacht.
„Dat zegt u.”
De oudste van de drie schepenen, een man met een gezicht als een gedroogde appel, hief zijn hand. Hij keek lang naar Pinheiro, daarna naar Margriet, daarna naar Joost Steenhuysen, die de hele tijd stil was gebleven, met zijn handen op zijn knieën.
„Mijnheer Steenhuysen,” zei de schepen. „Hebt u enige reden om te twijfelen aan het woord van mijnheer Pinheiro? Behalve het ontbreken van een papier?”
Joost keek op. Het duurde even voordat hij antwoordde, en Margriet zag dat hij het niet makkelijk vond.
„Nee, edelachtbare,” zei hij. „Ik ken mijnheer Pinheiro al jaren als een eerlijk man. Maar het gaat hier niet om eerlijkheid. Het gaat om recht. En recht moet geschreven staan.”
De schepenen overlegden fluisterend. De klerk krabde met zijn pen. Buiten, op de Dam, begon iemand weer te zingen. De oudste schepen schraapte zijn keel.
„De goederen blijven verzegeld,” zei hij. „De juffrouw krijgt tot de eerste september de tijd om het bewijs van bewaring, of een ander geschrift van de hand van wijlen Claes Jansz, aan deze kamer voor te leggen. Kan zij dat, dan worden de goederen aan mijnheer Pinheiro vrijgegeven en staan ze buiten de schuld. Kan zij dat niet, dan vallen ze in de boedel, en kan mijnheer Steenhuysen er zijn vordering op verhalen.” Hij keek Margriet aan, en ze meende iets van medelijden in zijn gezicht te zien. „Zoek goed, juffrouw.”
Buiten op de stoep van het stadhuis was het warm en fel. De zon stond boven de Dam en weerkaatste op de natte keien waar iemand een emmer had leeggegooid. Overal oranje.
Joost Steenhuysen kwam naast haar staan. Zijn advocaat was al weg, de pruik scheef op zijn hoofd.
„Ik heb het u gezegd,” zei hij. „In het pakhuis. Ik heb u gezegd dat het op papier moest staan.”
„U hebt het me gezegd,” zei Margriet. „U had ook kunnen zeggen dat u mijnheer Pinheiro gelooft. Dat hebt u net gedaan, daarbinnen. En toch staat u hier.”
Hij keek haar niet aan. Hij keek naar de Waag, waar de dragers met een vracht kaas aan het sjouwen waren. „Mijn aanbod staat nog,” zei hij. „Tot de eerste september. Als u met mij trouwt, laat ik de vordering vallen. Dan krijgt mijnheer Pinheiro zijn suiker, met of zonder papier. Dat beloof ik u.”
Ze voelde iets in haar borst dat geen boosheid was, en ook geen angst, maar iets wat er dicht tegenaan lag.
„U koopt mij,” zei ze, „met de suiker van een ander.”
„Ik bied u een uitweg.” Nu keek hij haar wel aan. „Dat is iets anders. Of misschien niet. Ik weet het niet meer, juffrouw Claesdochter. In deze zomer weet ik niets meer zeker.”
Hij tikte aan zijn hoed en liep weg, de Dam over, een lange, magere gestalte in het donkerbruin tussen al het oranje.
Pinheiro was achter haar komen staan. Hij leunde op zijn stok en hijgde. Toen ze zich naar hem omdraaide, zag ze dat zijn zakdoek, die hij snel weer wegstopte, rode vlekken had.
„Het is niets,” zei hij. „De warmte. Het is te warm voor oude mannen, deze zomer.”
Ze bracht hem zelf naar huis, naar de Houtgracht, met een huurkoets die ze niet kon betalen. Rachel, zijn vrouw, wachtte in de deuropening, met haar haar onder een donkere doek, en ze keek één keer naar haar man en begon te roepen naar binnen, in het Portugees, om een knecht, om water, om de dokter.
De dagen daarna zocht Margriet het huis door zoals ze het nog nooit had doorzocht. Ze haalde de kleren van haar vader uit de kist op de slaapkamer en voelde in elke zak, in elke voering. Ze sloeg de grote Bijbel open, die op de lessenaar in de voorkamer lag, en schudde hem bladzijde voor bladzijde uit boven het tafelkleed. Ze trok de laden van de schrijftafel helemaal uit en keek erachter, met een kaars, in het stof. Ze vond een brief van haar grootmoeder uit 1641, een recept voor hoestsiroop, drie oude duiten en een tekening die ze zelf als kind had gemaakt van een schip met veel te veel zeilen. Haar vader had hem bewaard. Ze moest even gaan zitten.
Toen ze terugkwam in het kantoortje, zat Jan aan de schrijftafel met de koperen goudschaal voor zich, en hij woog rozijnen af tegen een knoop.
„Laat dat,” zei ze, scherper dan ze wilde. „Dat is geen speelgoed.”
Hij klapte het kistje dicht en ging mokkend weg. Ze zette het terug op de plank, naast de inktpot, waar het altijd had gestaan.
Drie dagen later kwam er een jongen naar de Herengracht met een briefje van Rachel. Het was kort, in een schoon, schuin handschrift.
Mijn man vraagt naar u. Hij zegt dat er iets is wat hij u moet vertellen, voordat het te laat is. Komt u alstublieft vandaag.