Hoofdstuk 5: Het water komt
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De deurwaarder heette Lambert Kock, en hij rook naar pijptabak en natte wol. Hij was een man van middelbare leeftijd met een schrijfbord onder zijn arm en een inktpot aan een koordje om zijn hals, en hij verontschuldigde zich bij elke trede van de trap.
„Het is maar een beschrijving, juffrouw,” zei hij voor de derde keer. „Er wordt niets weggehaald. Niets verzegeld. Mijnheer Steenhuysen heeft de schepenen laten weten dat hij vreest dat de goederen de stad uit gaan, nu iedereen zijn spullen inpakt. Dat is gebruikelijk, in deze tijd. Ik schrijf alleen op wat er staat.”
„Dan schrijft u ook op van wie het is,” zei Margriet.
Lambert Kock keek haar aan over de rand van zijn schrijfbord. Hij had waterige ogen en een vriendelijke mond. „Ik schrijf op wat er staat, juffrouw. Van wie het is, dat zeggen de schepenen.”
Ze bleef naast hem staan op elke zolder, en ze las over zijn schouder mee terwijl hij schreef. Zeventien balen peper. Elf vaatjes kruidnagel. Zes kisten foelie. Kaneel, gember, een half vat nootmuskaat. Op de bovenste zolder schreef hij: zesendertig kisten suiker, merk PL. Twaalf rollen tabak. Een kist met ijzeren banden, verzegeld, inhoud onbekend. En daaronder, toen Margriet erop aandrong: volgens de juffrouw in bewaring voor J. Pinheiro Lobo.
„Volgens de juffrouw,” zei ze.
„Zo staat het,” zei Lambert Kock, en hij blies op de inkt.
De avond daarna werd Johan de Witt aangevallen in Den Haag.
Het bericht was woensdag in de stad, en het kwam rommelig, zoals alles in die weken. Vier jonge mannen hadden hem opgewacht toen hij laat in de avond van het Binnenhof naar huis liep, met een knecht die een lantaarn droeg. Ze hadden hem met messen aangevallen. Hij was gewond, maar hij leefde. Een van de daders was gegrepen, de anderen waren gevlucht. Het waren zonen van goede families, zei iemand, en dat maakte het op de een of andere manier erger.
Op de Beurs werd er gefluisterd. Op straat niet. Op straat zeiden de mensen hardop dat het jammer was dat de messen niet dieper waren gegaan.
Margriet hoorde het van een vrouw met een mand haring bij de Haarlemmerpoort, die het zei zoals je zegt dat het gaat regenen. Ze liep door zonder iets te kopen.
En toen kwam het water.
Ze had ervan gehoord, net als iedereen. Al weken spraken de heren in Den Haag over het onder water zetten van het land, over de oude plannen om de polders tussen de Zuiderzee en de grote rivieren te laten onderlopen, zodat er een strook water zou liggen die te diep was om door te waden en te ondiep om met schepen te bevaren. Een waterlinie. Maar tussen praten en doen lag een eindeloze rij boeren die hun land, hun koeien en hun oogst niet wilden opgeven, en in die laatste junidagen, met de Fransen in Utrecht en Naarden, had de stad niet langer willen wachten.
Op een ochtend stond Margriet op de Amstelbrug en zag het. Voorbij de stadswallen, waar anders de weilanden lagen, groen en vlak tot aan de horizon, met koeien en knotwilgen en hier en daar een boerderij met een rieten dak, glansde nu een grijze vlakte. Het water stond nog niet hoog; de slootkanten staken er nog uit, de hekken, de toppen van het gras. Maar het kwam. Je zag het aan de wilgen, die ineens in het water stonden in plaats van ernaast. Je zag het aan een boer die zijn koeien over de dijk naar de stad dreef, met zijn vrouw erachter op een kar met meubels, de kippen in een mand op haar schoot.
„Ze hebben de sluizen opengezet,” zei een man naast haar. „Zeewater. Uit de Zuiderzee. Dat land is voor jaren verpest.”
„Liever zout land dan Franse soldaten,” zei een ander.
Margriet zei niets. Ze keek naar de boer, die bij de brug stilstond en omkeek naar waar zijn land was geweest. Hij huilde niet. Hij stond alleen maar te kijken, met zijn handen langs zijn lichaam, alsof hij zich niet meer kon herinneren wat hij ermee moest.
Pieter kwam op donderdagavond, de drieëntwintigste. Hij had zijn musket bij zich, en een ransel, en zijn gezicht was ernstiger dan ze het ooit had gezien.
„We moeten naar Muiden,” zei hij. Ze stonden in het pakhuis, tussen de balen, met de grote deuren half open naar de gracht. Hendrick was naar huis, Trijn was boven bij haar moeder. „Het vendel van Van der Meulen, en nog twee andere. Morgenvroeg. Ze zeggen dat de Fransen het slot willen nemen. Prins Maurits houdt het, de oude graaf, die van Brazilië, maar hij heeft mannen nodig.”
„Johan Maurits,” zei Margriet. „Van Nassau-Siegen.”
„Die.” Hij lachte kort. „Ik zou het niet weten. Ik weet alleen dat ik er morgen moet zijn, met mijn musket, en dat ik nog nooit op iets anders heb geschoten dan op een schietschijf bij de doelen.”
„En De Hoop?”
„Ligt bij de Haarlemmersluis. Mijn moeder heeft de sleutel van het kajuitje. Als u hem nodig hebt...” Hij hield op. „Als u hem nodig hebt, voor de peper of zo. Mijn moeder weet ervan.”
Ze wilde iets zeggen. Ze wist niet wat. Ze wist alleen dat er morgen om deze tijd een man met rood haar ergens op een dijk zou liggen, in het donker, met water aan beide kanten en aan de overkant Franse soldaten die wel eens op iets anders dan een schietschijf hadden geschoten.
„Kom terug,” zei ze.
„Dat is het plan.” Hij probeerde te grijnzen en het lukte half. „Juffrouw Margriet. Die man van de Keizersgracht. Steenhuysen. Mijn oom zegt dat hij u... dat hij met uw moeder heeft gesproken.”
„Je oom praat te veel.”
„Mijn oom praat bijna nooit. Daarom luister ik als hij het doet.” Hij keek haar recht aan. „Ik heb niets. Dat weet ik. Een lichter die lekt en een moeder die kousen breit. Ik kan u geen zilveren knopen geven, en ik kan uw schuld niet betalen. Ik vraag ook niets. Ik wil alleen dat u weet dat ik, als ik terugkom—”
„Pieter.”
„Laat me het zeggen.”
„Nee.” Ze legde haar hand op zijn arm, op de ruwe stof van zijn jas. „Zeg het als je terugkomt. Dan heb je een reden.”
Hij keek naar haar hand. Toen bukte hij zich en kuste haar, en dit keer was het niet onhandig.
Toen hij weg was, bleef ze in de deuropening staan tot ze zijn voetstappen niet meer hoorde op de keien van de kade.
De volgende ochtend, op Sint-Jan, deed ze iets wat haar vader nooit gedaan zou hebben.
Ze had de man al een week in de gaten gehouden op de Beurs: een koopman uit Hamburg, een zekere Heinrich Albers, die met een tolk rondliep en overal vroeg naar specerijen, foelie, peper, alles wat hij kon krijgen. Hij bood laag. Belachelijk laag, zei Van Heemskerck. Hij kocht van de angst van anderen, en hij betaalde in rijksdaalders, in klinkende munt, omdat hij wist dat niemand in Amsterdam nog een wissel vertrouwde.
Margriet ging naar hem toe, onder de zuilengang, zonder Hendrick. Ze zei tegen de tolk wat ze had. Ze zei hoeveel ze wilde. Albers lachte en noemde een prijs die een derde lager lag.
„Wanneer vaart uw schip?” vroeg ze.
De tolk vertaalde. Albers keek haar met nieuwe belangstelling aan.
„Overmorgen,” zei de tolk. „Als hij dan een lading heeft.”
„Dan heeft hij een probleem,” zei Margriet. „Want er is in deze stad geen lichter meer te krijgen. Iedereen die er een heeft, vaart huisraad naar Zeeland of naar zijn schoonfamilie in Friesland. U kunt peper kopen waar u wilt, mijnheer, maar u krijgt het niet naar het IJ. Ik wel. Morgenmiddag, uw schip, alle zeventien balen. Voor mijn prijs, min een tiende.”
Het duurde lang. De tolk praatte, Albers praatte terug, ze schudden allebei hun hoofd en begonnen weer opnieuw. Om twee uur gaven ze elkaar de hand.
De Hoop lag waar Pieter had gezegd, bij de Haarlemmersluis, en zijn moeder, een kleine vrouw met dezelfde rode wenkbrauwen als haar zoon, gaf haar de sleutel zonder iets te vragen. Hendrick voer, met zijn slechte knie, en Jan hielp met de boom, trots als een admiraal. Ze brachten de peper in twee vrachten naar een galjoot die op het IJ lag, voorbij de palen, en ze kwam thuis met een leren buidel die zo zwaar was dat ze hem met twee handen moest dragen.
Elfhonderdveertig gulden, in rijksdaalders en dukatons. Met wat er nog in de kist lag: ruim achttienhonderd.
Het was minder dan de helft van vierduizend.
Ze bracht het zelf naar de Keizersgracht, de avond na de levering, toen Sint-Jan een dag voorbij was. Ze legde de buidel op de tafel in de voorkamer van Joost Steenhuysen, tussen een zilveren kandelaar en een schaal met kersen, en ze zei: „Zestienhonderd gulden. Dit is voor de obligatie, een deel ervan. De rest betaal ik bij de volgende verkoping van de Compagnie, als de prijzen weer stijgen.”
Hij keek naar de buidel. Hij maakte hem niet open.
„U hebt uw peper verkocht,” zei hij. „Aan die Hamburger.”
„Het is nieuws op de Beurs, zie ik.”
„Alles is nieuws op de Beurs.” Hij stond op en liep naar het raam, met zijn rug naar haar toe. Buiten, op de gracht, voeren twee schuiten voorbij, hoog beladen met meubels. „Ik neem dit aan, juffrouw Claesdochter. Als deelbetaling. Ik zal er een kwitantie voor schrijven.” Hij draaide zich om, en voor het eerst zag ze iets anders in zijn gezicht dan koelte: iets wat op vermoeidheid leek, of op spijt. „Maar ik kan niet wachten tot de volgende verkoping. Er komt geen volgende verkoping, niet dit jaar. Er komen geen schepen uit de Oost, of als ze komen, gaan ze om Schotland en zijn ze in november hier. Ik moet het geld nu hebben. Of de goederen.”
„De goederen die van mijnheer Pinheiro zijn.”
„De goederen die op uw zolder staan.”
Hij schreef de kwitantie. Ze nam hem aan. Ze bedankte hem, omdat haar moeder haar zo had opgevoed, en ze liep de Keizersgracht af zonder om te kijken.
Drie dagen later kwam Lambert Kock terug. Dit keer had hij een pot met lak bij zich, en een stempel.