Hoofdstuk 4: Over de Rijn

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Joost Steenhuysen kwam maandagochtend vroeg, toen de straat nog nat was van de nacht en de melkboer met zijn kar over de brug ratelde.

Hij bleef staan in het pakhuis, niet in de voorkamer. Hij wilde de zolders zien, zei hij, en Margriet liet hem. Ze liepen samen de steile trappen op, zij voorop, hij erachter, en op elke zolder bleef hij even staan en keek rond met die koele, grijze ogen. Hij raakte niets aan. Hij hoefde niets aan te raken. Ze zag hem tellen, zoals zij telde, en ze wist dat hij op de eerste zolder al ongeveer wist wat de peper en de kruidnagel waard waren, en op de tweede wat de foelie deed.

Op de bovenste zolder bleef hij langer staan.

„Suiker,” zei hij. „En tabak.”

„Van mijnheer Pinheiro. In bewaring.”

„Dat zei u al eerder. Of liever: dat zei uw moeder.” Hij liep langs de rijen kisten en las het merkteken dat erop gebrand stond, een P en een L in elkaar gevlochten. Bij de ijzeren kist achter onder het dak bleef hij staan. Het rode zegel glansde in het licht dat door de dakpannen viel. „En dit?”

„Ook van mijnheer Pinheiro.”

„Staat het in de boeken?”

Ze had geweten dat hij het zou vragen. Ze had zich voorgenomen om rustig te blijven, om te zeggen wat waar was en verder niets. „Het staat in het kladboek van mijn vader. En ik heb in maart een lijst getekend toen het werd binnengebracht.”

„Een lijst die u zelf hebt getekend.” Hij knikte langzaam. „Juffrouw Claesdochter. U bent een verstandige vrouw, dus ik zal verstandig met u praten. Als de obligatie met Sint-Jan niet betaald wordt, ga ik naar de schepenen. Dat weet u. De schepenen zullen een deurwaarder sturen om de goederen van de zaak te beschrijven. En de deurwaarder zal de boeken vragen. In de boeken staan de peper, de kruidnagel, de foelie. In de boeken staat niet dat er zesendertig kisten suiker op de bovenste zolder van uw vader staan die van iemand anders zijn.”

„Ze zijn van iemand anders.”

„Dat geloof ik graag. Maar ik hoef het niet te geloven, en de schepenen ook niet. Ze moeten het kunnen lezen.” Hij draaide zich naar haar om. „Ik zeg dit niet om u te dreigen. Ik zeg het omdat u het moet weten voordat u een beslissing neemt.”

„Over uw aanzoek.”

„Over alles.”

Het bleef stil op de zolder. Ergens tussen de dakpannen koerde een duif. Margriet keek naar de man tegenover zich, de zilveren knopen, het zorgvuldig geknipte haar, en ze probeerde te zien wat erachter zat. Ze zag niets. Of ze zag iemand die zelf ook rekende, die zelf ook ’s nachts wakker lag, en die het nooit zou toegeven.

„Waarom zou u die suiker willen?” vroeg ze. „U handelt in specerijen. U hebt genoeg.”

Iets in zijn gezicht bewoog, heel even. Toen was het weer glad.

„In oorlogstijd,” zei hij, „heeft niemand genoeg.”


Het nieuws kwam woensdag, en het kwam niet met een schuit maar met een ruiter, die over de Amsteldijk de stad in reed met een paard dat schuim op zijn flanken had.

De Fransen waren over de Rijn. Bij Lobith, bij het Tolhuis, waar de rivier ondiep was na de droge lente, waren ze met paard en al door het water gegaan, zondag, onder de ogen van de Staatse troepen die er te weinig waren om ze tegen te houden. De koning van Frankrijk had het zelf gezien vanaf de oever. Er was gevochten, er waren doden gevallen, maar de Fransen waren erdoor, en nu lag het land open. De IJssellinie, waar het Staatse leger had gestaan, was niets meer waard. De Prins trok terug, naar Utrecht, zei de een; naar Holland, zei de ander.

Margriet hoorde het op de Beurs, om twaalf uur, en ze zag met eigen ogen wat Van Heemskerck in april had bedoeld.

Het geld ging zitten. Niet langzaam, maar in één keer, zoals een man die neervalt. Onder de zuilengangen stonden de handelaren met witte gezichten. Niemand kocht. Iedereen wilde verkopen, en niemand nam het aan. De aandelen van de Compagnie, die in het voorjaar nog ver boven de vijfhonderd hadden gestaan, werden voor de helft aangeboden, en ook dan wilde bijna niemand ze. Een man naast Margriet huilde, openlijk, met zijn hoed tegen zijn borst. Een ander schreeuwde dat hij bedrogen was en dat de heren van de stad het allemaal hadden geweten. Twee kooplieden die ze kende van gezicht, broers die in Oostzeegraan deden, stonden met elkaar te ruziën in een taal die ze niet verstond.

Ze ging naar huis zonder iets te hebben verkocht.

Op straat was het erger. Bij de Wisselbank, vlak achter het stadhuis, stonden mannen in een lange rij, die tot op de Dam doorliep. Ze wilden hun tegoed opnemen, zei iemand, in klinkende munt, nu het nog kon. Op het Damrak werden kisten van de ene schuit in de andere geladen. Langs de Herengracht, waar de rijke families woonden, stonden wagens voor de deuren; er werd zilverwerk in gedragen, schilderijen in dekens gewikkeld, een staande klok die met vier man tegelijk de stoep af moest. Ze gingen naar Zeeland, zei Trijn, die het had gehoord van de meid van de buren. Of naar Hamburg. Of naar Engeland, wat toch de vijand was, maar daar stond tenminste geen Fransman voor de deur.

„Wij gaan nergens heen,” zei Margriet, toen haar moeder het haar die avond vroeg, met een stem die trilde.

„En als ze komen?”

„Dan zijn ze hier. En dan zijn wij hier ook. Waar moeten we heen, moeder? Met zevenhonderd gulden en een zolder vol peper?”

„Zevenhonderd? Het was elfhonderd.”

„Het was elfhonderd in maart.”

Haar moeder zei niets meer. Ze ging naar boven en Margriet hoorde haar door het plafond heen bidden, zacht en lang, met woorden die ze kende uit de Psalmen en woorden die ze niet kende.


De dagen daarna leefde de stad op geruchten.

Utrecht had de poorten geopend voor de Fransen. Nee, Utrecht weigerde de Prins binnen te laten, en de Prins was doorgetrokken naar Holland, en de Utrechtse heren hadden afgezanten naar de Franse koning gestuurd om te praten. De Fransen stonden voor Arnhem. De Fransen hadden Arnhem al. De bisschop van Münster stond in Overijssel, bij Deventer, en hij had kanonnen bij zich die zo groot waren dat er dertig paarden voor nodig waren om er één te trekken.

En in Den Haag, zeiden de pamfletten, zaten de heren die het land aan de Fransen hadden verkocht. De raadpensionaris, Johan de Witt. Zijn broer Cornelis. Ze hadden het leger laten verkommeren, ze hadden de Prins van het land weggehouden, ze hadden geld aangenomen van Lodewijk. Margriet las het in een pamflet dat Jan mee naar huis bracht, met een houtsnede van twee mannen met dikke buiken die een kaart van Holland aan een man met een kroon gaven. Ze verbrandde het in de haard.

„Dat was van mij,” zei Jan.

„Het was een leugen.”

„Hoe weet je dat?”

Ze wist het niet. Haar vader had De Witt bewonderd, ze wist nog hoe hij erover sprak aan tafel: een man die kon rekenen, een man die de vloot had opgebouwd, een man van wie je kon weten waar je aan toe was. Maar haar vader had ook gelachen om Lodewijk en ons moeras.

„Ik weet het niet,” gaf ze toe. „Maar ik weet dat wie zulke plaatjes maakt, ze verkoopt voor twee duiten. En dat hij er niets voor hoeft te bewijzen.”


Pinheiro kwam op zaterdag, in de schemering, alleen. Hij had zijn hoed diep over zijn ogen getrokken en hij bleef in het pakhuis staan, tussen de balen peper, alsof hij niet gezien wilde worden vanuit de ramen aan de overkant.

Margriet vertelde hem alles. Steenhuysen, de obligatie, de lege bladzijden van november. Hij luisterde zonder haar te onderbreken, zijn handen gevouwen voor zijn borst.

„Het bewijs,” zei ze. „Uw eigen exemplaar. Als u dat nog hebt, dan is er niets aan de hand.”

Hij sloot even zijn ogen. „Ik heb het niet meer.”

„Hoe kan dat?”

„In december kwamen de rollen tabak binnen, uit Zeeland. Die stonden niet op het eerste papier. Uw vader zei: geef het mij terug, Jacob, dan schrijf ik het opnieuw, netjes, met alles erop, en dan teken je het met mij. Ik heb het hem gegeven. Twee dagen later werd hij ziek.” Hij spreidde zijn handen, een klein, hulpeloos gebaar. „Ik ben een oude dwaas, juffrouw. Ik heb dertig jaar zaken gedaan met papier, en de enige keer dat het ertoe doet, vertrouw ik op een vriend.”

„Dan liggen ze allebei hier,” zei Margriet langzaam. „Ergens in dit huis.”

„Of hij heeft ze verbrand, in zijn koorts. Of de meid heeft ze gebruikt om de haard aan te steken.” Pinheiro keek omhoog, naar de trap die naar de zolders leidde. „Ik zou mijn goederen kunnen ophalen. Nu, deze week. Voordat iemand er beslag op legt.”

„Waarheen? Naar uw pakhuis aan de Amstel? Daar wilde u ze juist weghalen.”

Hij antwoordde niet. Ze wisten het allebei: er was in deze stad geen schuit meer te krijgen die niet al drie keer was verhuurd, en wie nu met zesendertig kisten suiker door de straten trok, zou gezien worden door iedereen die ook maar iets te verliezen had.

„Laat ze staan,” zei Margriet. „Ik zoek dat papier. Ik vind het.”

Ze wist niet waar ze die zekerheid vandaan haalde. Maar toen Pinheiro wegging, in het donker, liep hij een fractie rechter dan toen hij gekomen was.


Op maandag de twintigste juni kwam het bericht dat Naarden was gevallen.

Naarden. Dat was geen Lobith of Deventer, plaatsen die je op de kaart moest zoeken. Naarden lag aan de Zuiderzee, een halve dag varen van de stad. Bij helder weer kon je de toren van de kerk zien vanaf het IJ, had Pieter eens gezegd. De Fransen waren er zondag binnengegaan, en nu stonden ze bij Muiden, of zouden er gauw staan, en Muiden had de sluizen die het water van de Vecht in bedwang hielden. Wie Muiden had, kon het water van Amsterdam beheersen. Dat begreep zelfs Jan.

Die middag zag Margriet voor het eerst mannen van de schutterij met hun musketten door de Herengracht marcheren. Niet in hun mooie kragen en sjerpen zoals bij een optocht, maar in hun gewone kleren, met een slordige stap, en ze keken niet naar de vrouwen die vanuit de ramen naar hen keken. Ze zocht naar rood haar. Ze zag het niet.

Ze zat in het kantoortje met het kladboek open toen Trijn binnenkwam, met haar handen in haar schort gewrongen.

„Juffrouw. Er staat een man voor de deur. Hij zegt dat hij van de schepenen komt.”

Margriet stond op. Ze voelde haar hart in haar keel. „Nu al? Het is nog geen Sint-Jan.”

„Hij zegt dat hij niets komt halen. Hij zegt dat hij alleen komt om op te schrijven.” Trijn slikte. „Om op te schrijven wat er op de zolders staat, juffrouw. Allemaal. Ook de bovenste.”