Hoofdstuk 3: Klokken voor De Ruyter
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Eind mei kwamen er twee nieuwe vijanden bij, en Jan kon ze allebei aanwijzen op de kaart.
Hij had de kaart van de Zeventien Provinciën uit het kantoortje gehaald, die van zijn grootvader, met de gekleurde grenzen en de zeemonsters in de hoeken, en hij lag ermee op zijn buik op de vloer van de voorkamer. „Hier,” zei hij, en hij zette zijn vinger op een vlek ten oosten van Overijssel. „Münster. Daar zit de bisschop. Bommen Berend noemen ze hem, omdat hij alleen maar met kanonnen schiet. En hier,” zijn vinger gleed naar het zuiden, langs de Rijn, „Keulen. Ook een bisschop. Nou ja, aartsbisschop. Ze zijn allebei met de Fransen.”
„Bisschoppen horen te bidden,” zei Trijn, die de haard aan het vegen was.
„Deze schieten liever.” Jan klonk er bijna blij om. Hij was twaalf, en de oorlog was voor hem nog iets uit een prentenboek: vlaggen, trommels, schepen die in brand stonden op veilige afstand. Hij had een oranje lint om zijn pols gebonden dat hij van een jongen op school had gekregen en dat hij niet af wilde doen, ook niet toen hun moeder zei dat het niet netjes was.
Margriet keek over zijn schouder naar de kaart. Holland lag erop als een smalle strook tussen de zee en de rest, en ze zag ineens hoe dichtbij alles was: Utrecht, een dag varen. Gelderland, twee dagen. De Rijn, die bij Lobith het land in kwam, een blauwe streep die er zo onschuldig uitzag.
„Ga je niet naar school?” vroeg ze.
„Het is zaterdag.”
„Dan ga je Hendrick helpen. Er moet een vracht kaneel naar boven.”
Jan zuchtte zo diep als alleen een jongen van twaalf kan zuchten, rolde de kaart op en ging.
Joost Steenhuysen deed zijn aanzoek op de eerste dinsdag van juni, in de tuin achter zijn huis op de Keizersgracht.
Hij had haar moeder en haar uitgenodigd voor een kop chocolade, wat zelf al een uitspraak was; chocolade was duur, en Margriet had het pas twee keer in haar leven gedronken. De tuin was lang en smal, met hagen van palm in ingewikkelde figuren, een stenen bank aan het eind en een prieel waar een druif tegenaan groeide. Haar moeder bleef op het terras zitten bij de vrouw van Steenhuysens boekhouder, die er voor het fatsoen was, en Joost vroeg of Margriet de tulpen wilde zien. Ze waren uitgebloeid. Ze gingen toch.
„U weet waarom u hier bent,” zei hij, toen ze bij het prieel waren.
„Mijn moeder heeft het me verteld.”
„Ik had het u zelf moeten vertellen. Dat was beter geweest.” Hij keek naar de druif, niet naar haar. „Ik ben geen romantisch man, juffrouw Claesdochter. Ik zal u niet vertellen dat ik ’s nachts wakker lig van uw ogen. Maar ik heb u op de Beurs gezien, deze lente. Ik heb gezien hoe u met Van Heemskerck sprak, en met de drogisten. U kent uw prijzen. U laat u niet afschepen. Dat kan ik van de helft van de mannen daar niet zeggen.”
„Dank u,” zei ze, en ze meende het half.
„Mijn eerste vrouw was lief,” zei hij. „Ze hield van muziek en van bloemen. Ze is gestorven in het kraambed, met het kind. Ik heb daarna niet gedacht dat ik nog zou trouwen. Maar ik heb een zaak die groter is dan ik in mijn eentje kan dragen, en u hebt een zaak die te klein is om alleen te staan in een oorlog. Dat is de waarheid. Ik zeg haar liever hardop dan dat we allebei doen alsof.”
„En de obligatie?”
„Die verscheur ik op de dag van het huwelijk.” Nu keek hij haar wel aan. Hij had grijze ogen, helder en koel, en er stond geen spot in. „De Vergulde Muskaatnoot blijft bestaan. U mag er de boeken van blijven houden, als u dat wilt. Ik heb een goede boekhouder nodig.”
Het was, dacht ze later, het eerlijkste wat een man ooit tegen haar had gezegd. En daarom was het zo moeilijk om er iets tegenin te brengen.
„En als ik nee zeg?”
Joost Steenhuysen trok een blad van de druif en draaide het tussen zijn vingers. „Dan verloopt de obligatie met Sint-Jan, en dan zal ik mijn geld moeten opeisen, zoals ieder ander koopman het zou doen. Niet omdat ik u iets kwaads toewens. Maar omdat ik in deze tijden niet kan wachten. Niemand kan dat.” Hij liet het blad vallen. „Denk erover na. Tot Sint-Jan. Meer vraag ik niet.”
Op de terugweg, langs de Keizersgracht en over de brug bij de Leliegracht, zei haar moeder niets, maar ze hield Margriets arm vast alsof ze bang was dat die zou weglopen.
Het nieuws van de zeeslag kwam drie dagen later, op een vrijdag, en eerst wist niemand of het goed of slecht was.
Er was gevochten voor de kust van Engeland, bij Solebay, op de zevende juni. Dat was het enige wat vaststond. De Ruyter had de Engelse en de Franse vloot verrast terwijl ze voor anker lagen, en ze hadden de hele dag geschoten, van de vroege ochtend tot het donker werd. Er waren schepen verbrand, aan beide kanten. Het Engelse admiraalschip was in de lucht gevlogen, zei iemand; nee, zei een ander, het was een Hollands schip geweest. Op de Dam stonden de mensen tot laat in de avond te wachten op nieuwe berichten.
Zaterdag kwam de bevestiging. De vloot was niet verslagen. De Ruyter had de vijand zo beschadigd dat er van een landing op de Hollandse kust voorlopig geen sprake kon zijn. Het was geen grote overwinning, zei Van Heemskerck op de Beurs, maar het was ook geen nederlaag, en in deze tijd was dat al genoeg om de klokken te luiden.
En dat deden ze. ’s Middags begonnen ze, de Oude Kerk eerst en daarna de Zuiderkerk en de Westerkerk, tot de lucht boven de stad dreunde. Mensen kwamen uit hun huizen. Op de bruggen werd gezongen. Jan rende de deur uit voordat iemand hem kon tegenhouden, zijn oranje lint wapperend om zijn pols.
Margriet stond in de pakhuisdeur en keek naar de gracht. De lucht was blauw en hoog, voor het eerst die week, en het water glansde. Op een lichter die voorbij voer stond een man met een fles in zijn hand te zingen, vals en luid. Ze herkende het rode haar.
„Juffrouw Margriet!” Pieter hield de boom stil in het water. „Hebt u het gehoord?”
„De hele stad heeft het gehoord.”
„Kom mee!” Hij duwde De Hoop tegen de kade aan. „Ik vaar naar het IJ. Iedereen gaat naar het IJ. Ze zeggen dat er vanavond vuurwerk is bij de Schreierstoren.”
Ze hoorde zichzelf lachen. „Ik kan niet zomaar mee op een lichter, Pieter.”
„Waarom niet?”
Ze wist het niet. Omdat ze in de rouw was. Omdat haar moeder boven zat. Omdat een man op de Keizersgracht haar een aanbod had gedaan en zij er nog niet op geantwoord had. Omdat er peper op zolder lag die niemand wilde kopen en omdat er in november een papier was verdwenen.
Ze gaf Hendrick de sleutels van het pakhuis en stapte aan boord.
Het IJ was vol. Overal lagen schepen, groot en klein, en op allemaal waren mensen. Er werd gedronken en gezongen, en vanaf de wal bij de Schreierstoren schoot iemand met een musket in de lucht, tot een schout hem tegenhield. De zon zakte achter de daken van de stad, en het water werd eerst goud en daarna rood en daarna van een donker, glanzend blauw waar de lantaarns van de schepen in dreven als kleine, gele vissen.
Pieter had brood en kaas, en een fles bier die hij met haar deelde. Hij vertelde over zijn vader, die op een schip van De Ruyter had gediend, over hoe De Ruyter zelf eens aan boord was gekomen en met de matrozen had gegeten, gewoon, van hetzelfde brood. Hij vertelde dat hij zelf ooit naar zee had gewild, naar de Oost, maar dat zijn moeder het niet wilde, na wat er met zijn vader was gebeurd.
„Dus ben je lichterman geworden.”
„Dus ben ik lichterman geworden. Het IJ is ook water.” Hij grijnsde in het donker. „En ik ben elke avond thuis. Dat vindt mijn moeder belangrijk.”
„En jij?”
Hij dacht erover na. Ze vond het prettig dat hij erover nadacht, dat hij niet meteen iets zei wat hij dacht dat zij wilde horen. „Ik vind het belangrijk dat ik mijn eigen baas ben. Niemand zegt me wanneer ik moet varen. De Hoop is van mij. Hij is oud, en hij lekt een beetje aan bakboord, maar hij is van mij.”
Margriet keek over het water naar de stad, naar de torens die zwart afstaken tegen de lucht. Ergens daar lag de Herengracht. Ergens daar lag het pakhuis met de verbleekte muskaatnoot boven de deur.
„Dat begrijp ik,” zei ze. „Dat begrijp ik beter dan je denkt.”
Toen het vuurwerk begon, vanaf een schip bij de Schreierstoren, eerst rood en daarna wit, stonden ze naast elkaar in de boeg. De vonken vielen sissend in het water. Iemand op een schip in de buurt riep: „Leve De Ruyter! Leve Oranje!” en honderd stemmen riepen het hem na. Pieter riep mee. Margriet niet. Ze voelde zijn arm tegen de hare, warm door de stof van haar mouw heen.
En toen, terwijl het laatste vuurwerk boven het IJ uiteenspatte in een regen van groen licht, draaide hij zich naar haar toe en kuste haar. Kort, onhandig, met de smaak van bier en zout.
Ze duwde hem niet weg. Daar dacht ze later het meest aan: dat ze hem niet had weggeduwd.
„Pieter,” zei ze, toen hij zich terugtrok.
„Ik weet het.” Hij keek naar zijn handen. „Ik weet het. U bent Claes Jansz zijn dochter, en ik ben een lichterman met een lekke schuit. Ik had het niet moeten doen.”
„Dat zei ik niet.”
Hij keek op.
„Ik zei alleen je naam,” zei Margriet. „Breng me nu maar terug. Het is laat, en mijn moeder zal denken dat ik in de gracht ben gevallen.”
Op de terugweg, door de donkere grachten, zeiden ze bijna niets. Bij de pakhuisdeur hielp hij haar van boord. Hij hield haar hand een tel te lang vast.
Boven in de voorkamer brandde nog licht. Haar moeder zat bij het raam. Ze had alles gezien, dat wist Margriet meteen. De lichter, de hand, het rode haar.
„Mijnheer Steenhuysen heeft een briefje gestuurd,” zei haar moeder. Haar stem was heel kalm. „Hij vraagt of je hem maandag kunt ontvangen. Hij schrijft dat hij zich zorgen maakt over het oosten, en dat het niet kan wachten.”