Hoofdstuk 2: Peper en papier

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op de zesde april verklaarde de koning van Frankrijk de Republiek de oorlog, en een week later wist Margriet hoeveel peper ze kon verkopen voor de prijs van maart: geen enkele baal.

Ze was die ochtend met Hendrick naar de Beurs gegaan, aan het Rokin, waar onder de zuilengangen de handelaren in specerijen hun vaste plek hadden, tegen de oostkant, vlak bij de mannen die in Moskovisch leer deden. Een vrouw op de Beurs was niet ongewoon, als het een weduwe was die de zaak van haar man voortzette. Een dochter was ongewoner. Margriet had haar moeders zwarte kap op en haar vaders zegelring aan een koord om haar hals, en ze hield haar gezicht strak, maar ze zag de mannen kijken en ze hoorde het gemompel. Claes Jansz zijn meid.

Ze sprak met Van Heemskerck, die al twintig jaar peper van haar vader kocht om door te verkopen aan de winkeliers in de Jordaan en op de Nieuwendijk. Hij luisterde, knikte, krabde aan zijn kin.

„Ik zou wel willen, juffrouw,” zei hij. „Ik zou wel willen. Maar wie weet wat de peper over een maand doet? Als de Engelsen het Kanaal dichtgooien, komt er geen schip meer uit de Oost dat niet eerst om Schotland heen moet. Dan stijgt de prijs. Maar als de Fransen over de grens komen, wil niemand meer iets kopen behalve brood en buskruit. Dan zakt hij. Ik wacht liever.”

„Iedereen wacht,” zei Margriet.

„Ja.” Hij keek haar bijna verontschuldigend aan. „Iedereen wacht. Dat is wat oorlog met geld doet. Het gaat zitten en het wil niet meer opstaan.”

Op de terugweg liepen ze over de Dam, langs het nieuwe stadhuis, waarvan de steen nog licht was en waarop de Atlas met zijn wereldbol in de grijze lucht stond te zwoegen. Bij de Waag stonden mensen in groepjes. Een jongen verkocht pamfletten, twee duiten per stuk, en riep de titels: De Franse Hoogmoed, Spiegel voor Holland, Ware Beschrijving van de Engelse Trouweloosheid. Een man in een slijtersjas las er hardop uit voor aan een kring van vrouwen met manden aan de arm. Het ging over de Prins. Over hoe de jonge Prins van Oranje het land zou redden, als de heren in Den Haag hem maar lieten.

„Ze zijn er weer mee bezig,” zei Hendrick binnensmonds.

„Waarmee?”

„Met de Prins. Elke keer als het slecht gaat, roepen ze om Oranje. Toen ik een jongen was, riepen ze ook. En toen de Prins stierf, die oude, vlak voor de kleine geboren werd, toen huilden ze op straat.”

„En wat denk jij?”

Hendrick haalde zijn schouders op, en zijn knie kraakte toen hij een stoep op stapte. „Ik denk dat het mij niet uitmaakt wie er in Den Haag zit, juffrouw, zolang er hier op zaterdag brood is.”


Thuis ging ze verder met de boeken.

Het kantoortje lag achter de voorkamer, met een raam op de binnenplaats, waar een vlierstruik groeide en een regenton stond. Haar vader had er een schrijftafel van eikenhout met een schuin blad, een kast vol rekeningboeken van dertig jaar en een kleine, koperen goudschaal in een houten kistje, waarmee hij munten woog als hij ze niet vertrouwde. Jan speelde er soms mee, als niemand keek; hij legde er knopen en erwten in en deed alsof hij een geldwisselaar was.

Margriet had het grote boek van 1671 inmiddels drie keer doorgelezen. Er stonden de verkopingen van de Compagnie in, met de partijen peper en foelie die haar vader had gekocht. Er stonden de klanten in, de winkeliers, de drogisten, de koks van rijke huizen die een pond nootmuskaat tegelijk namen. Er stond de lening van Steenhuysen in, en elk half jaar de rente, keurig betaald. Er stond zelfs in dat Pinheiro in oktober twaalf pond gember had gekocht en contant had betaald.

Van de afspraak in november stond er geen woord.

„Misschien heeft hij het in het kladboek gezet,” zei haar moeder, toen Margriet het haar vertelde. Ze stond in de deuropening van het kantoortje, met een kaars, omdat het al donker begon te worden. „Hij schreef soms dingen eerst in het kladboek. Als hij moe was.”

Het kladboek was een smal, versleten boekje met een kartonnen kaft dat haar vader altijd in zijn rokzak had gehad. Margriet vond het in de la van de schrijftafel, onder een pakje oude brieven. Ze bladerde. Haar vaders handschrift werd in het najaar slordiger; ze zag de koorts er bijna in komen, de woorden die scheef liepen, de getallen die werden doorgestreept en opnieuw geschreven. Half december stond er een korte regel: J.P.L. – suiker, tabak, kist – bovenste zolder – bewijs gegeven, dupl.

Daarna niets meer over Pinheiro.

„Dat is iets,” zei haar moeder.

„Het is een regel in een kladboek. Zonder getallen. Zonder handtekening.” Margriet klapte het boekje dicht. „Als iemand zegt dat die suiker van ons is, dan heb ik dit. En een papier van mijnheer Pinheiro dat ik zelf heb getekend, vorige maand.”

„Wie zou dat zeggen? Dat de suiker van ons is?”

Margriet keek op. Haar moeder stond met de kaars in haar hand, en in het gele licht zag ze er ineens ouder uit dan ze was, met diepe lijnen naast haar mond.

„Niemand,” zei Margriet. „Hopelijk.”


Het geld in de kist werd minder. Ze betaalde de bakker, de turfboer, Hendrick, Trijn. Ze betaalde het schoolgeld van Jan aan de Latijnse school, waar hij volgens de rector een levendige geest had die zich slecht bij de declinaties liet houden. Ze verkocht drie pond kruidnagel aan de kok van een burgemeestershuis op de Herengracht, verderop in de bocht, voor een prijs die lager was dan ze had gewild, en ze verkocht een vaatje gember aan een drogist uit de Kalverstraat, die haar met contant geld betaalde en zei dat hij nu al zijn geld omzette in goederen, ‘omdat goederen je niet verraden’.

Het was een vreemde lente. De iepen langs de gracht liepen uit, de eerste zwaluwen kwamen terug, en op de Amstel werden de trekschuiten voller van mensen die van buiten de stad kwamen, uit Utrecht en Gelderland, met kisten en manden en dekens, alsof ze op familiebezoek gingen en nooit van plan waren terug te keren. Op zondag in de Westerkerk bad de predikant voor de Staten, voor de Prins, voor de vloot, en voor een gezegend einde van de beproeving die God over het land had gebracht om zijn zonden. Margriet zat naast haar moeder en telde in gedachten balen peper.

Het was op een van die middagen dat ze Pieter Arentsz weer tegenkwam.

Ze was naar de Haarlemmersluis gelopen om een lichter te huren die drie kisten foelie naar een koper in de Warmoesstraat kon brengen. Het water bij de sluis was druk; schuiten lagen er in drie rijen, en mannen riepen naar elkaar over de dekken heen. Ze herkende De Hoop aan het rode haar van de schipper, die op de kajuit zat en een stuk brood met kaas at.

„Juffrouw Margriet!” Hij stond op en sprong bijna in het water. „U komt voor varen?”

„Ik kom voor drie kisten foelie naar de Warmoesstraat. Morgenvroeg.”

„Dat kan. Dat kan zeker.” Hij noemde een prijs. Het was minder dan ze verwacht had.

„Dat is te weinig,” zei ze.

Hij keek haar verbaasd aan. „Ik heb nog nooit iemand horen klagen dat het te weinig was.”

„Je moet ervan leven, Pieter. Ik wil geen gunsten.”

Hij wreef over zijn nek en lachte. Het was een korte lach, zonder spot. „Goed dan. Twee stuivers meer. Maar dan loop ik met u terug, want ik moet toch die kant op.”

Hij moest helemaal niet die kant op, dat zag ze wel. Maar ze liet het gebeuren. Ze liepen langs de Brouwersgracht, waar de lucht van mout en hop uit de brouwerijen hing, en over de brug naar de Herengracht. Pieter vertelde over zijn werk: vrachten van de schepen op het IJ naar de pakhuizen in de stad, turf uit het noorden, bier naar de herbergen, een keer een orgel voor een kerk in de Jordaan, dat bijna van de lichter was gegleden. Hij vertelde dat zijn vader in 1666 bij de Tweedaagse Zeeslag was gebleven, op een schip van De Ruyter, en dat zijn moeder kousen breide voor de verkopers op de Dam.

„En jij?” vroeg ze. „Ben je ook bij de schutterij?”

„Sinds vorig jaar. In het vendel van kapitein Van der Meulen.” Hij zei het trots, en tegelijk een beetje verlegen, alsof hij bang was dat ze erom zou lachen. „Als de Fransen komen, moeten we misschien wel echt wat doen. Niet alleen met de vaandels door de stad lopen.” Hij keek haar zijdelings aan. „Denkt u dat ze komen?”

„Ik denk dat de peper in prijs daalt,” zei Margriet. „Dat is alles wat ik zeker weet.”

„Dan denkt u dat ze komen.”

Ze antwoordde niet. Bij de deur van het pakhuis bleef hij staan, en keek omhoog naar het uithangbord.

„Dat goud moet er weer op,” zei hij. „Hij ziet er moe uit, die muskaatnoot.”

„Bladgoud kost geld.”

„Alles kost geld.” Hij zette zijn hoed op. „Morgenvroeg om zes uur, juffrouw. Ik zal er zijn.”


Die avond, aan tafel, legde haar moeder haar lepel neer voordat de brij op was.

„Ik heb mijnheer Steenhuysen vandaag gezien,” zei ze. „Bij de kerk. Hij liep een stuk met me mee.”

Margriet hield op met eten. Jan, die al half van tafel was, ging weer zitten.

„Hij vroeg naar je,” zei haar moeder. „Hij vroeg of je al plannen had. Voor later.”

„Plannen?”

„Margriet, doe niet zo. Je weet heel goed wat ik bedoel.” Haar moeder vouwde haar handen. „Hij is een goede man. Hij heeft geld, hij heeft verstand, hij heeft geen kinderen. Hij heeft gezegd dat hij de obligatie zou laten vallen, als de families... verenigd zouden worden. Dat waren zijn woorden. Verenigd. En dat hij de zaak zou laten voortbestaan, onder de naam van je vader.”

Margriet zei niets. Ze zag Joost Steenhuysen voor zich in de voorkamer, met het glas wijn dat hij niet had aangeraakt. Hoe hij tegen haar had gesproken, en niet tegen haar moeder. Hoe hij bij de deur had gezegd: voor het geval dat.

„Hij heeft geen haast,” zei haar moeder. „Hij wil je de tijd geven. Tot Sint-Jan.”

„Tot Sint-Jan,” herhaalde Margriet. „Wat attent van hem.”

„Kind—”

„Moeder.” Ze stond op. Haar stoel schoof hard over de vloer. „Ik ga nog even naar boven. Naar de zolder. Ik moet nog iets nakijken.”

Ze moest niets nakijken. Ze klom met een lantaarn de drie trappen op, tot de bovenste zolder, waar het donker rook naar suiker en tabak en oud hout. De kisten van Pinheiro stonden waar ze ze hadden neergezet, in nette rijen, en achterin, onder het schuine dak, de ijzeren kist met het rode zegel. Ze ging op een suikerkist zitten en zette de lantaarn naast zich neer.

Haar vader had hier gestaan, in november. Met Pinheiro. Ze hadden een afspraak gemaakt, twee mannen die elkaar dertig jaar kenden, en haar vader had een papier geschreven in tweevoud. Eén voor Pinheiro. Eén voor zichzelf.

Waar heb je het gelaten? dacht ze. Waar heb je het in vredesnaam gelaten?

Buiten, op de gracht, kraste een reiger. De lantaarn flakkerde. Het enige wat haar antwoord gaf was de geur van tabak, zoet en scherp tegelijk, uit een land waar zij nooit zou komen.