Hoofdstuk 9: Wat Daan wist
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Niet antwoorden,” zei Samira.
Ze zaten de volgende ochtend in een spreekkamer op het politiebureau, een kaal vertrek met een tafel, vier stoelen en een raam met matglas. Het boek lag tussen hen in, in de doos waarop Lotte NIET OPENEN – POLITIE had geschreven. Samira had het geopend, met handschoenen, en het blaadje een hele tijd bekeken zonder iets te zeggen.
„Hij weet dat er is ingebroken,” zei Eva. „Als ik niets terugstuur, weet hij dat er iets is.”
Samira dacht na. „Dan stuurt u iets kort. Iets wat niets zegt. Dank je, het gaat wel, de politie is ermee bezig. Geen woord over het boek.” Ze tikte op de doos. „Dit gaat vandaag naar het lab. Vingerafdrukken op de folie, op de boekkaart, op het blaadje. Na dertig jaar en negen uitleningen verwacht ik er weinig van. Maar het handschrift kunnen we vergelijken, als de moeder nog brieven van haar heeft.”
„En Thijs Hoogland?”
„Is een huisarts zonder strafblad, met een vrouw, twee volwassen kinderen en een volkstuin.” Samira zei het zonder spot. „Een letter op een agendablaadje is geen bewijs. Een advocaat maakt daar in vijf minuten Thomas van, of Theo, of een vriendin die Thea heette. Ik wil hem horen. Maar als ik hem hoor, moet ik meer hebben dan dit, want ik krijg maar één kans om hem te verrassen.”
Eva knikte. Ze wist dat het waar was. Ze wist ook dat het betekende dat ze moest wachten, en ze was nooit goed geweest in wachten.
Ze typte het berichtje in de spreekkamer, met Samira die meekeek. Dank je, Thijs. Het gaat wel. De politie zoekt het uit. Groet, Eva. Ze drukte op verzenden en voelde zich alsof ze een glas water naar een brandend huis had gegooid.
Om twaalf uur belde Daan Kuipers.
Niet zijn kantoor, niet mr. Holtrop. Hijzelf, vanaf een mobiel nummer. Zijn stem was anders dan ze had verwacht: zacht, beheerst, met de lichte heesheid van iemand die veel praat in zalen.
„Mevrouw Brouwer. Ik weet dat u een brief van mijn kantoor hebt gekregen. Ik wil u om een gesprek vragen. Vandaag, als het kan. Zonder advocaten.”
„U bent advocaat.”
Een korte stilte. „Zonder andere advocaten,” verbeterde hij.
Ze belde Samira, die eerst nee zei en daarna, na een minuut stilte, ja. „Hij is getuige, geen verdachte. U mag met hem praten. U mag het gesprek opnemen, dat is wettelijk toegestaan als u er zelf bij bent. Zeg het hem niet. En als hij iets zegt wat ertoe doet, belt u mij dezelfde avond.”
Het kantoor aan de Maliebaan was een witte villa met hoge ramen achter een rij kastanjes die hun laatste blad lieten vallen. Het was zes uur en donker. Een secretaresse in een lange jas liet haar binnen, zei dat meneer Kuipers boven op haar wachtte en vertrok zelf, met haar tas over haar schouder. Eva hoorde de voordeur achter haar dichtvallen. Ze zette in haar jaszak de opname aan op haar telefoon.
Daan Kuipers zat in een kamer op de eerste verdieping, aan een vergadertafel van glas. Hij was magerder dan op de foto in de krant. Zijn pak was donkerblauw, zijn das had hij afgedaan en opgerold naast zich gelegd. Er stond een fles water met twee glazen, en een asbak, hoewel er niet in gerookt mocht worden.
„Ik ben in 2001 gestopt,” zei hij, toen hij haar ernaar zag kijken. „Ik heb hem hier neergezet om me eraan te herinneren dat ik dingen kan laten.” Hij glimlachte niet. „Gaat u zitten.”
Ze ging zitten.
„Ik heb een foto gezien,” zei hij. „U weet welke.”
„Ik weet dat hij bestaat.”
Hij pakte een tablet en schoof het over het glas naar haar toe. Op het scherm stond een korrelig beeld, groen en grijs van een nachtlens. Haar eigen hek. Haar eigen fiets. Een man in een donkere jas met een pet, gebogen over het achterwiel. Een oude zwarte fiets, tegen een lantaarnpaal, met een houten krat op de voordrager.
Op de zijkant van het krat waren letters te zien. Gebrandmerkt in het hout, half onder de verf. HOOGLAND.
„Zijn vader heeft dat krat gemaakt,” zei Daan. „In 1990, toen Thijs ging studeren. Die fiets heeft in de gang van de Nobelstraat gestaan, drie jaar lang. Ik heb er elke dag mijn schenen aan gestoten.” Hij keek naar het tablet. „Ik zag die foto zondagochtend om zeven uur, en ik heb tot vandaag nodig gehad om te besluiten wat ik zou doen.”
„Wat heeft u besloten?”
Hij keek haar aan. Zijn ogen waren lichtgrijs en heel moe.
„Ik heb gelogen,” zei hij. „In 1994. Niet over wat ik deed. Over wat ik wist.”
Buiten remde een auto op de Maliebaan, lang en zuchtend, en reed weer door. Eva voelde de telefoon tegen haar heup.
„Donderdagavond hebben we ruzie gemaakt,” zei Daan. „Dat is waar. Ze kwam het uitmaken en ik… ik heb dingen gezegd. Lelijke dingen. Ik was vierentwintig en ik dacht dat ik de wereld begreep en ik begreep er niets van. Ze is weggegaan en ik ben naar boven gegaan, naar Thijs. Dat is ook waar. We hebben zitten drinken tot twee uur. Vrijdagmiddag ben ik naar Amersfoort gegaan, naar mijn ouders. Mijn moeder werd vijftig. Ook waar.”
Hij schonk water in, maar dronk het niet.
„Vrijdagavond, laat, belde Thijs me op het vaste nummer van mijn ouders. Hij zei: Marloes heeft gebeld. Ze wil morgen haar spullen komen halen, haar winterjas en haar diskettes en zo'n ring van haar oma die ze bij mij had laten liggen. Ze komt om vier uur, als jij er niet bent. Ik laat haar wel binnen. Maak je niet druk.” Daan haalde zijn handen door zijn haar. „Ik was opgelucht. Echt waar. Ik wilde haar niet zien. Ik schaamde me.”
„En zondag?”
„Zondagavond kwam ik terug. Haar jas was weg van de kapstok. De ring lag niet meer in mijn bureaula. Thijs zei dat ze was geweest, een kwartiertje, dat ze haar spullen had gepakt en weer was weggefietst. Ze had kort haar, zei hij. Ze zag er goed uit. Ik weet nog dat ik daar kwaad om werd, op een kinderachtige manier. Dat ze er goed uitzag zonder mij.”
Hij zweeg lang.
„Maandagavond kwam de politie. Ingrid had haar vermist opgegeven. Ze vroegen wanneer ik haar het laatst had gezien. Ik zei: donderdagavond. En dat was waar. Ik had haar donderdagavond voor het laatst gezien. Maar ze vroegen niet of ik iets wist over zaterdag, en ik heb het niet gezegd.”
„Waarom niet?”
„Omdat Thijs het me afraadde.” Hij zei het zonder nadruk. „Toen de agenten weg waren, zaten we in de keuken en hij zei: Daan, denk na. Als je zegt dat ze zaterdag hier was, dan is dit huis de laatste plek waar ze gezien is. Dan ben jij de jongen met wie ze ruzie had, en dan ben ik de jongen die haar binnenliet. Dan halen ze dit hele huis overhoop en ons allebei door de mangel. Ze is zaterdag om kwart over vier weggefietst. Daarna kan haar alles zijn overkomen. Daar weten wij niets van. Zeg gewoon wat waar is. Je hebt haar donderdag het laatst gezien. Ik had haar zaterdag gezien, maar mij vragen ze niks, en ik zeg niks.”
„En dat heeft u gedaan.”
„Dat heb ik gedaan. Hij was mijn beste vriend. Hij was medisch student, hij was rustig, hij wist altijd wat je moest doen. En ik was doodsbang. Ik wist hoe het eruitzag. Ik wist wat ik die donderdag tegen haar had gezegd.” Hij keek naar zijn handen. „Toen haar fiets werd gevonden, dacht ik: ze is zaterdagavond in de Vecht gereden, of iemand heeft haar daar… Ik heb dertig jaar gedacht dat het zaterdagavond was gebeurd, ergens tussen de Nobelstraat en de Biltstraat, en dat ik de politie de verkeerde dag had gegeven en dat het daardoor nooit was opgelost. Dertig jaar.”
„Heeft u nooit aan Thijs gedacht?”
Daan keek haar aan. Er zat iets in zijn blik wat ze niet meteen kon plaatsen. Toen begreep ze dat het schaamte was, een diepere schaamte dan die over de ruzie.
„Nee,” zei hij. „Nooit. Ik heb aan mezelf gedacht. Aan mijn carrière. Aan het feit dat ik had gelogen en dat het uit zou komen. Daarom heb ik die man voor uw deur gezet. Ik wilde weten wat u had, zodat ik me kon voorbereiden.” Hij tikte op het tablet. „En toen zag ik dit. Thijs, om twee uur 's nachts, bij uw fiets. En ik dacht: waarom zou Thijs bang zijn? Thijs had niets te verbergen. Thijs heeft haar om kwart over vier zien wegfietsen.”
Hij zweeg.
„Behalve als ze niet is weggefietst,” zei Eva.
Daan knikte heel langzaam. Zijn gezicht was grijs geworden in het licht van de lamp boven de glazen tafel.
„Ik ga morgen naar de politie,” zei hij. „Met een advocaat, een echte. Ik ga alles verklaren. Daarna trek ik me terug als kandidaat bij de rechtbank. Dat had ik dertig jaar geleden al moeten doen, in zekere zin.” Hij schoof het tablet weer naar zich toe. „U neemt dit op, neem ik aan.”
Eva zei niets.
„Goed,” zei hij. „Dan hoeft u het niet na te vertellen.”
Buiten waaide het. De kastanjes zwiepten en de blaadjes plakten aan haar fietszadel. Ze belde Samira vanaf de stoep, met haar rug naar het kantoor, en vertelde het in een paar zinnen. Samira luisterde zonder haar te onderbreken. Toen vroeg ze om de opname, vanavond nog, en zei ze dat ze morgen om acht uur een overleg had met de officier van justitie.
„En u gaat naar huis,” zei ze. „En u doet de deur op uw nieuwe slot.”
Eva fietste over de Maliebaan, langs de Nieuwegracht, door de stad die in de avond was veranderd in een plek van fietslampjes en geparkeerde bakfietsen en mensen met boodschappentassen. Het was druk op de Oudegracht en ze stapte af bij de Bakkerbrug en liep een stuk met haar fiets aan de hand, tussen de mensen, omdat ze geen zin had om alleen te zijn.
Bij het Vredenburg trilde haar telefoon. Ze bleef staan, onder een lantaarnpaal, met fietsers die links en rechts om haar heen zwiepten.
Ik hoorde dat je vanavond bij Daan op kantoor was. Ik had niet gedacht dat hij nog met mensen praatte.
Ze staarde naar het scherm. Een tweede bericht kwam binnen voordat ze het eerste had verwerkt.
Laten we het niet ingewikkelder maken dan het is, Eva. Kom morgen naar de tuin, om vier uur. Ik wil je vertellen wat er echt is gebeurd. Alleen jij. Ik vertel het één keer, en daarna nooit meer.
Om vier uur.
Ze keek om zich heen, naar de gezichten in het licht van de etalages, naar de fietsers en de wachtenden bij de bushalte, en ze wist niet waar ze moest kijken.