Hoofdstuk 10: Kavel zevenendertig
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Nee,” zei Samira. „Absoluut niet. Geen sprake van.”
Het was kwart over acht. Eva stond in haar keuken met haar jas nog aan, omdat ze Sem net had gebeld voordat hij naar school fietste en daarna niet meer had geweten wat ze moest doen. Samira klonk alsof ze in een auto zat, met de verwarming hard aan.
„Ik was het ook niet van plan,” zei Eva.
„Mooi. Ik kom net uit het overleg. De officier vindt het genoeg. Het blaadje, de verklaring van mevrouw Van Dijk, de tip van de kapster, de opname van gisteravond. Kuipers is om tien uur hier met zijn advocaat. Als hij op papier zet wat hij tegen u zei, wordt Hoogland verdachte.” Samira's stem werd harder. „Maar ik wil hem niet aanhouden en hem dan na drie dagen weer laten gaan omdat we niks vinden. Ik wil weten wáár we moeten zoeken. Een man die dertig jaar zijn mond houdt, gaat niet in een verhoorkamer ineens praten.”
„Hij wil praten. Om vier uur.”
„Hij wil praten met ú. Op zijn terrein. Dat is wat anders.”
Eva keek naar de pot op het aanrecht. Rabarber-gember 2026. Ze had hem niet weggegooid, ze wist niet waarom. Misschien omdat het bewijs was. Misschien omdat ze hem niet meer wilde aanraken.
„Zijn tuin,” zei ze. „Hij heeft die tuin van zijn vader. Hij zei dat de rabarber er al stond toen zijn vader de tuin had. Hij is er elke zaterdag. Hij maakt jam.”
„Ja?”
„Waar laat je iemand die je niet kunt laten verdwijnen?” Ze hoorde zichzelf praten, en het klonk koud en zakelijk, als een archiefvraag. „Op een plek waar je zelf altijd bent. Waar niemand anders mag graven.”
Het bleef stil aan de andere kant.
„Dat is een gedachte,” zei Samira voorzichtig. „Geen bewijs.”
„Dan ga ik het bewijs zoeken.”
„Mevrouw Brouwer…”
„Niet bij hem,” zei Eva. „In een archief. Dat is mijn werk.”
Elke volkstuinvereniging heeft een secretaris, en elke secretaris bewaart alles. Dat had Eva geleerd in twintig jaar archieven: de notulen van een carnavalsvereniging uit Zuid-Limburg, de ledenlijsten van een zangkoor in Rotterdam-Noord, het kasboek van een duivenclub in Tiel. Mensen die vrijwillig de notulen bijhouden, gooien nooit iets weg.
De secretaris van De Kromme Akker heette Gerda Pos. Ze stond op de website van de vereniging met een foto naast een enorme pompoen en een telefoonnummer. Ze woonde in een benedenwoning in Abstede, vijf minuten van de tuinen, en ze deed open in een tuinbroek met een blik die zei dat ze geen tijd had.
„Archief?” zei ze. „Van de vereniging? Waarvoor?”
Eva had erover nagedacht. Ze kon niet liegen, dat kon ze slecht. Maar ze hoefde ook niet alles te zeggen.
„Ik ben archivaris,” zei ze. „Ik doe onderzoek naar de geschiedenis van een paar tuinen. De politie weet ervan. Als u wilt, kunt u ze bellen.”
Gerda keek haar lang aan. Toen haalde ze haar schouders op en deed de deur verder open. „Het staat in de schuur,” zei ze. „Alles sinds 1962. Mijn man noemt het de begraafplaats.”
Eva glimlachte niet.
De schuur was een stenen hok achter in de tuin, met een tl-lamp en drie stellingen vol ordners. Gerda had ze geordend per jaar, met de jaartallen op de rug in plakletters. 1993. 1994. 1995. Eva pakte 1994 en sloeg hem open op de werkbank tussen de bloempotten.
Notulen van de ledenvergadering, januari. Een discussie over de prijs van mest. Een klacht over een buurman die zijn kippen los liet lopen. In maart een bericht over de inbraak in het gereedschapshok. En in april, bij het agendapunt Aanvragen bouw en verbouw, een korte alinea in een ouderwetse typemachineletter:
Kavel 37 (fam. Hoogland): vervanging van het bestaande houten tuinhuis door een nieuw exemplaar, iets groter, op een betonnen vloer. Het bestuur gaat akkoord, mits de afmetingen binnen de regels blijven. De heer Hoogland en zoon voeren de werkzaamheden zelf uit in de paasvakantie. De voorzitter merkt op dat de jongeman in het voorjaar opvallend vaak op de tuin te vinden is, wat het bestuur toejuicht.
Eva las het drie keer. Haar vingers lagen plat op het papier.
De paasvakantie van 1994. Een paar weken na tien maart. Een vader die de tuin al jaren had, en een zoon die opeens opvallend vaak kwam.
„Heeft u ook stukken van later?” vroeg ze. Haar stem klonk vreemd in het kleine hok. „Over dezelfde kavel?”
Gerda stond in de deuropening met een mok thee. „Over de Hooglands? Daar is er maar één van over. De oude meneer Hoogland is in '96 overleden. Thijs heeft de tuin overgenomen. Dat mocht toen nog, van vader op zoon. Hij is de langst zittende huurder van het hele complex. Op vrijdag heeft hij geen spreekuur, dan staat hij er van 's ochtends vroeg tot het donker wordt.” Ze dronk van haar thee. „O, en dan had je dat gedoe van 2015, natuurlijk.”
„Welk gedoe?”
„Toen het waterschap een stuk grond nodig had, voor een berging bij de Kromme Rijn. Een strook van tien kavels moest worden opgeschoven. Iedereen kreeg een nieuwe tuin, even groot, en een vergoeding. Iedereen ging akkoord, behalve Thijs.” Gerda trok een gezicht. „Hij heeft een advocaat genomen. Een huisarts, met een advocaat, voor een volkstuin. We hebben ons allemaal rot gelachen, eerlijk gezegd. Uiteindelijk heeft het waterschap het ontwerp aangepast. Kavel 37 bleef liggen waar hij lag. Er loopt nu een bocht in het fietspad, speciaal voor hem.”
Ze zag Eva's gezicht en haar eigen gezicht veranderde.
„Wat is er?” vroeg ze.
„Mag ik hier een foto van maken?” vroeg Eva. „En van 2015?”
Ze stuurde de foto's vanaf de stoep naar Samira, met twee zinnen erbij. Het duurde vier minuten voordat Samira belde. Ze sprak snel.
„Ik ga dit nu meteen aan de officier voorleggen,” zei ze. „Met Kuipers' verklaring erbij. Dan kunnen we een doorzoeking aanvragen. Grondradar, technische recherche, het hele circus. Maar dat duurt, Eva. Niet uren. Dagen. Maandag op zijn vroegst.”
Het was de eerste keer dat ze Eva bij haar voornaam noemde.
„En vandaag om vier uur?”
„Ga je niet. Ik zet een auto bij zijn huis en een bij zijn praktijk. Als hij iets doet wat op vluchten lijkt, pakken we hem op met wat we hebben.”
„Hij is niet op zijn praktijk. Hij is op de tuin. Op vrijdag heeft hij geen spreekuur.” Gerda had het gezegd, tussen neus en lippen, en Eva had het opgeschreven zoals ze alles opschreef.
Samira zweeg. „Dan zet ik er iemand bij het hek,” zei ze. „Onopvallend. Ik doe wat ik kan. Ga naar huis.”
Eva ging naar huis. Ze zat aan de keukentafel en keek naar de tijdlijn aan de muur, waar ze nu een nieuw vel aan had geplakt. Paasvakantie 1994: vader en zoon, betonnen vloer. Ze keek naar de klok. Kwart over een. Ze dacht aan een jonge vrouw met een slordig, kortgeknipt kapsel die op een zaterdag om vier uur aanbelde in de Nobelstraat, met in haar tas een boek over het licht in kerken, en die dacht dat ze daarna vrij was.
Om twee uur kwam het derde bericht van Thijs.
Ik zie dat er een man in een blauwe Volkswagen bij het hek staat. Hij staat er al een uur. Ik ben niet dom, Eva. Ik wil je één ding uitleggen. Ik ben de enige die weet waar ze is. Als ik vandaag om vier uur hier alleen zit, vertel ik je alles en daarna doe ik wat ik moet doen. Als hier om vier uur politie staat, ga ik weg, en dan vindt niemand haar ooit. Ook haar moeder niet. Je weet dat dit complex groot is.
En een minuut later:
Je zoon fietst toch elke dag over de Kanaalweg naar zijn vader? Hij lijkt op je. Hetzelfde voorhoofd.
Eva zat heel stil. Het bloed suisde in haar oren. Ze las het laatste bericht nog eens en haar handen begonnen zo te trillen dat ze de telefoon op tafel moest leggen.
Sem. Hij had Sem gezien. Hij wist hoe Sem fietste.
Ze belde Marco. Hij nam niet op. Ze belde Sem. Hij nam niet op, natuurlijk niet, het was schooltijd en zijn telefoon zat in een kluisje. Ze belde de school en kreeg een conciërge die beloofde dat hij Sem uit de les zou halen en dat hij tot vijf uur binnen zou blijven, ja mevrouw, ik zet hem bij de administratie, nee mevrouw, niemand haalt hem op behalve zijn vader. Ze belde Marco nog een keer en sprak in, met een stem die niet van haar was.
Toen belde ze Oosterbeek.
„Hij bedreigt mijn zoon,” zei ze, en daarna kon ze even niets meer zeggen.
Oosterbeek zei ook niets. Ze hoorde Saar ergens op de achtergrond, en een deur die dichtging.
„Weet El Idrissi het?”
„Ik stuur het haar. Maar ze kan maandag pas graven. Henk, hij zegt dat hij weggaat als er politie komt. Dat niemand haar dan ooit vindt.” Ze slikte. „Hij heeft dertig jaar gehad om te bedenken waar hij haar moest leggen. Misschien is het niet de tuin. Misschien is het iets anders. Als hij vandaag verdwijnt, hebben we een vloer en een vermoeden.”
„En als je gaat?”
„Dan praat hij. Hij wíl praten. Dat lees ik in elk bericht.” Ze keek naar de muur. „Ik ga niet naar binnen. Ik ga bij het hek van zijn tuin staan, in het openbaar, op een pad waar andere mensen lopen, en ik luister wat hij zegt. Met een open lijn. Met jou erbij. En Samira's mensen op tweehonderd meter.”
Het bleef lang stil.
„Ik ben achtenzestig,” zei Oosterbeek ten slotte. „Ik heb een slechte knie en een oude hond. Ik heb al dertig jaar een fout op mijn geweten. Ik ga er niet nog een bij nemen door jou alleen te laten gaan.” Ze hoorde hem zijn sleutels pakken. „Ik ben er over twintig minuten. Ik bel El Idrissi onderweg. Ze zal razend zijn. Dat is ze dan maar.”
Om tien voor vier zette Oosterbeek zijn auto op de parkeerplaats van een sportpark aan de andere kant van de Kromme Rijn. Eva stapte uit. Haar telefoon zat in de borstzak van haar jas, met het scherm naar binnen en de lijn open naar Samira, die in een busje zat bij de ingang van het complex en die in de auto tegen haar had gezegd: als je één stap over die drempel zet, kom ik met iedereen naar binnen, of hij nou weggaat of niet.
Oosterbeek zou op de brug blijven, honderd meter verderop, met een verrekijker die hij gebruikte voor vogels.
Het pad langs de rivier was nat en glad van het blad. Een man liet een hond uit. Twee meisjes fietsten voorbij, pratend met hun handen. Achter het hek van De Kromme Akker rook het naar een vuurtje.
Kavel 37 lag waar hij altijd had gelegen, in de bocht die het fietspad speciaal voor hem maakte. De bedden lagen gekamd in de schemering. De labeltjes stonden recht. In het groene huisje brandde licht achter het geruite gordijntje.
Eva bleef bij het tuinhek staan, zoals ze had afgesproken.
De deur van het huisje stond open. Thijs Hoogland zat binnen op een houten stoel bij een klein fornuisje, met een theepot op een onderzettertje, twee bekers, en een pak koekjes dat hij al had opengemaakt. Hij keek op toen hij haar zag, en glimlachte, en er was niets aan die glimlach te zien.
„Je bent gekomen,” zei hij. „Kom binnen, Eva. Het is koud.”
„Ik blijf hier.”
„Dan vertel ik het niet.” Hij schonk thee in. Het geluid klonk heel helder in de stilte. „Ik vertel het niet door een deur, aan iemand die naar me staat te kijken alsof ik een dier ben. Ik vertel het hier. Binnen. Of niet.”
Ze keek naar het pad, naar het hek, naar de brug in de verte waar een kleine figuur stond met een verrekijker. Ze dacht aan Hennie Verhoef in Deventer, die elke keer als de telefoon ging, dacht dat het nu was.
Ze liep over het pad, tussen de bedden met prei en knoflook, en stapte over de drempel.
De vloer onder haar voeten was van beton. Grijs, glad, een beetje stoffig, met hier en daar een barst.
„Ja,” zei Thijs Hoogland vriendelijk, terwijl hij haar een beker aanreikte. „Je staat er bovenop.”