Hoofdstuk 11: Het tuinhuis

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Je telefoon,” zei Thijs. „Op tafel, graag.”

Eva bleef staan, met de beker thee in haar hand. Het huisje was kleiner dan het van buiten leek. Een tafeltje met een zeiltje, twee stoelen, het fornuisje, een plank met potten en blikken, een rek met gereedschap dat op grootte hing: schoffels, harken, een spade met een glanzend blad. Onder het raam een kist met zaaigoed in papieren zakjes, alle zakjes beschreven in dezelfde kleine blokletters. Het rook naar petroleum en aarde.

„Als ik hem niet geef?”

„Dan drinken we thee en praten we over prei.” Hij glimlachte. „Je mag kiezen.”

Ze haalde de telefoon uit haar borstzak en legde hem op het zeiltje. Het scherm lichtte op. Samira El Idrissi – 06:42, de tijd liep door. Thijs keek ernaar zonder verbazing. Hij stak een vinger uit en drukte op het rode rondje.

„Zo,” zei hij. „Dan hebben we tien minuten, schat ik. Misschien een kwartier. Ze moeten van het hek naar hier, en ze weten niet welk pad.” Hij gebaarde naar de andere stoel. „Ga zitten, Eva. Je knieën trillen.”

Ze ging zitten. Niet omdat hij het zei, maar omdat het waar was.

Hij nam een slok thee. Zijn handen waren rustig. Het waren mooie handen, dacht ze, lang en schoon, met korte nagels. Handen die bloeddruk opnamen en hechtingen legden en babykeeltjes bekeken met een lampje.

„Ik zou je zoon nooit iets doen,” zei hij. „Dat wil ik eerst zeggen. Ik moest alleen zeker weten dat je zou komen.”

„Je hebt hem gevolgd.”

„Ik heb hem één keer gezien. Op de Kanaalweg, met zijn koptelefoon op, zonder licht.” Hij schudde zijn hoofd, bijna vaderlijk. „Dat moet je hem afleren. Het is levensgevaarlijk.”

Eva zei niets. Ze dacht aan Samira, die nu het busje uit sprong. Aan Oosterbeek op de brug met zijn verrekijker, die het licht achter het gordijntje zag en verder niets.

„Vertel het dan,” zei ze.


„Ik was verliefd op haar,” zei Thijs. „Vanaf de eerste week. Ze kwam een keer bij ons eten, met Ingrid, in september 1992. Ze had een rode sjaal om en ze lachte om iets wat Daan zei, en ik dacht: dat is het. Zo simpel was het. Ik heb het nooit gezegd. Ze ging met Daan, en Daan was mijn vriend. Ik zat boven en hoorde ze praten, en lachen, en later ruziën. Anderhalf jaar.”

Hij draaide de beker rond in zijn handen.

„Die donderdag hoorde ik haar zeggen dat ze ermee ophield. Ik hoorde Daan tegen haar schreeuwen. Ik zag haar wegfietsen vanuit mijn raam. En ik dacht, ik weet het nog precies: nu. Nu kan het. Vrijdagavond belde ze, Daan was al weg. Ik nam op. Ik zei dat ze zaterdag kon komen. Ik heb mijn kamer opgeruimd. Ik heb bloemen gekocht op de markt, op het Vredenburg. Tulpen. Geel.”

„En toen kwam ze.”

„Om vier uur, precies.” Hij glimlachte, niet naar haar, naar iets wat ver weg lag. „Met dat haar. Ik schrok ervan. Ze had al dat lange haar eraf laten knippen, zo kort, zo slordig. Ze zag er jonger uit. En ze was zo blij, Eva. Ze stond in de gang en ze zei: Thijs, ik heb het gedaan, ik ben vrij. Ze had een boek bij zich, over kerken, over licht. Ze wilde er haar scriptie over schrijven. Ze praatte en praatte, en ik zette thee, en ze pakte haar jas van de kapstok en haar diskettes uit de kamer van Daan, en die ring, en ik dacht: als ik het nu niet zeg, zeg ik het nooit.”

„Dus je zei het.”

„Ik zei het.” Hij zette de beker neer. „En ze lachte.”

Het werd stil in het huisje. Buiten blafte ergens een hond, ver weg, aan de overkant van de rivier.

„Niet gemeen,” zei hij. „Dat moet je goed begrijpen. Ze lachte niet om mij. Ze lachte omdat ze het niet geloofde. Ze legde haar hand op mijn arm en zei: Thijs, jij bent toch de aardige. Jij bent de aardige jongen van boven. En ze pakte haar tas en wilde gaan.” Zijn stem bleef rustig, maar zijn handen lagen nu plat op het zeiltje, met gespreide vingers. „De aardige jongen van boven. Ik heb haar bij haar pols gepakt. Ik wilde alleen dat ze bleef. Dat ze luisterde. Ze trok zich los en ik pakte haar weer, en ze viel. Tegen de verwarming, in de gang. Het was een ongeluk.”

„Je bent huisarts,” zei Eva. Haar stem klonk vlak. „Je weet wat een ongeluk is. En je weet wat het niet is.”

Hij keek haar aan, en voor het eerst zag ze iets verschuiven in dat vriendelijke gezicht, alsof er onder een laag verf een andere laag zat.

„Ze bleef roepen,” zei hij zacht. „Ze wilde niet ophouden met roepen. De buren hadden het kunnen horen. Ik wilde alleen dat ze stil was.”

Eva hield de beker vast tot haar vingers pijn deden.

„En daarna,” zei ze.

„Daarna was het heel stil.” Hij ademde uit. „Ik heb haar in mijn kamer gelegd. Op mijn bed, onder een deken. Ik heb de tulpen weggegooid. 's Nachts heb ik de auto van mijn vader gehaald, met het smoesje dat ik een kast moest verhuizen. Ik heb haar hierheen gebracht. Hier stond toen het oude huisje, met een plankenvloer en daaronder zand. Ik had een schep. Ik had de hele nacht.” Hij keek naar de vloer, naar het grijze beton tussen zijn voeten en de hare. „Twee weken later zei ik tegen mijn vader dat het tijd werd voor een nieuw tuinhuis. Hij vond het een geweldig idee. Hij was zo trots dat ik eindelijk interesse toonde. We hebben de vloer samen gestort, in de paasvakantie. Hij heeft nooit iets geweten. Hij is gestorven met de gedachte dat zijn zoon de tuin zo mooi vond.”

„Haar fiets?”

„Zondagnacht. In de Vecht, bij de sluis, met haar tas.” Er kwam een vreemd, klein lachje uit hem. „Ik heb hem op slot gezet. Uit gewoonte. Ik zet alles op slot. Pas toen ik in de krant las dat het slot erop zat, begreep ik hoe dom dat was. Maar niemand heeft er iets mee gedaan.”

„En het boek.”

Zijn gezicht veranderde weer. Nu was het verbazing. „Hoe weet je van het boek?”

Ze zei niets.

„Ik vond het weken later,” zei hij langzaam. „Onder mijn bureau. Het was uit haar tas gevallen. Ik kon het niet weggooien, in een studentenhuis, waar iedereen in je prullenbak kijkt. Ik kon het niet verbranden. Ik dacht: een bibliotheekboek, dat zoeken ze, als het niet terugkomt. Dus ik heb het om twee uur 's nachts in de bus gegooid. Een boek in een bus. Wie kijkt daarnaar?” Hij keek haar aan. „Wat zat erin?”

„Haar agenda,” zei Eva. „Een blaadje van vrijdag elf maart. Ze had opgeschreven dat ze zaterdag om vier uur bij jou was.” Ze zweeg even. „En dat ze daarna vrij zou zijn.”

Thijs Hoogland zat heel stil. Toen sloot hij zijn ogen.

„Dertig jaar,” zei hij. „In die kast. Bij 755.2.”

„Negen mensen hebben het daarna geleend.”

„En niemand heeft het gezien.”

„Ik wel.”


Hij stond op. Eva verstijfde, maar hij liep niet naar haar toe. Hij liep naar de plank boven het fornuis en pakte een blikje, een oud blikje van pepermunt met een roestig scharnier. Hij legde het voor haar op het zeiltje.

„Geef dit aan haar moeder,” zei hij.

Eva maakte het niet open. Ze wist wat erin zat. Een ring van een oma.

„Je kunt het haar zelf geven,” zei ze. „Bij de rechtbank.”

„Nee.” Hij trok zijn jas aan, een oude groene parka die aan een spijker hing, en ritste hem dicht tot aan zijn kin. „Ik heb dertig jaar elke week op deze tuin gestaan, Eva. Ik heb hier rabarber geplant en bonen en prei. Ik heb mijn kinderen hier leren zaaien. Ik heb het waterschap tegengehouden met een advocaat. Ik heb deze grond niet één dag losgelaten.” Hij keek naar de spade aan het rek, en toen naar de achterdeur, een smal deurtje naast het fornuis dat ze niet had gezien. „En nu laat ik hem los. Achter dat hek loopt de Kromme Rijn. Hij is hier diep, bij de bocht. In november is hij koud.”

Ze begreep het een halve tel te laat.

„Nee,” zei ze, en ze stond op.

„Je hebt je verhaal,” zei hij. „Haar moeder krijgt haar dochter. Daan krijgt zijn geweten terug, als hij er ooit een had. En ik hoef niet in een rechtszaal te zitten terwijl Ingrid naar me kijkt.” Hij legde zijn hand op de klink van het achterdeurtje. „Dat lijkt me eerlijk.”

„Het is niet eerlijk.” Ze hoorde haar eigen stem omhooggaan. „Het is weer weggaan. Je hebt haar dertig jaar onder een vloer gelegd zodat niemand een vraag kon stellen. Haar moeder heeft dertig jaar naar de telefoon gekeken. Joke van Dijk heeft dertig jaar gedacht dat ze spoken zag. Dat je nu ook nog verdwijnt, is precies hetzelfde. Dan heeft niemand een antwoord. Dan zit iedereen weer met een gat.”

„Dat is jouw probleem niet.”

„Het is mijn probleem geworden.” Ze deed een stap naar hem toe. „Jij gaat vertellen hoe het gebeurd is. Aan een rechter. Aan haar moeder. Niet aan mij, hier, in een tuinhuisje, met de deur op een kier. Jij hebt haar het woord afgepakt. Dan mag je het nu teruggeven.”

Hij keek haar aan. Heel even dacht ze dat ze hem had. Er kwam iets in zijn ogen wat op aarzeling leek, op vermoeidheid, op de stem van een huisarts die zijn eigen diagnose hoort.

Toen duwde hij de deur open en was hij weg.

Ze rende hem achterna. Het achterdeurtje kwam uit op een smal paadje tussen een composthoop en een rij bessenstruiken, en daarachter een gaashek met een gat erin, een gat dat er al lang zat, want het gras eromheen was platgetrapt. Thijs was al door het gat. Hij rende niet, hij liep met grote, zekere stappen over het weiland naar de rivier, de groene parka donker in de schemering.

„Thijs!” schreeuwde ze.

Achter haar hoorde ze stemmen, rennende voeten op een schelpenpad, iemand die riep. Ze wrong zich door het gat in het hek, haar jas bleef haken en scheurde. Het weiland was nat en zompig, haar schoenen zakten weg. De rivier lag als een donker lint achter een rij knotwilgen.

Hij was bij het water. Hij bleef niet staan. Hij stapte van de oever af, het riet in, tot zijn knieën, tot zijn middel. Het water was zwart en stroomde langzaam.

En toen kwam er van rechts, van de kant van de brug, iemand aangestrompeld. Een grote man in een te dun jasje, die met zijn ene been trok en met zijn armen zwaaide om zijn evenwicht te houden. Hij riep niets. Hij had geen adem om iets te roepen. Hij liet zich van de oever glijden, zomaar, met zijn kleren aan, en waadde door het riet naar de man in de groene parka.

„Henk!” riep Eva.

Oosterbeek greep Thijs bij zijn kraag op het moment dat het water tot aan Thijs' borst kwam. Thijs probeerde zich los te rukken. Oosterbeek liet niet los. Hij sloeg zijn tweede arm om Thijs' borst en trok, en ze gingen allebei kopje-onder, en kwamen weer boven, proestend, en Oosterbeek trok nog steeds.

„Nee,” hoorde Eva hem zeggen, schor, tussen twee teugen lucht. „Nee, jongen. Dit keer niet.”

Toen waren er overal mensen. Samira, met haar parka open, die tot haar knieën het water in liep. Twee agenten in burger die Thijs onder zijn armen pakten. Een derde die Oosterbeek een hand gaf en hem met moeite de oever op trok, waar hij op zijn rug in het natte gras bleef liggen, hijgend, met zijn ogen dicht.

Thijs Hoogland zat geknield in het riet, met handboeien om, en keek naar het water. Hij zei niets meer.

Eva liet zich naast Oosterbeek in het gras zakken. Haar handen trilden zo dat ze ze tussen haar knieën moest klemmen.

„Je knie,” zei ze.

„Mijn knie,” zei Oosterbeek met zijn ogen dicht, „is mijn minste probleem.” Hij opende één oog en keek naar de lucht, waar de eerste ster te zien was boven de knotwilgen. „Het blikje. Heb je het blikje?”

Eva voelde in haar jaszak. Ze wist niet wanneer ze het had gepakt. Het zat er. Klein, koud en een beetje roestig, met iets erin dat zachtjes tikte toen ze het bewoog.