Hoofdstuk 12: Het laatste uitleenbewijs
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ze vonden haar op dinsdag.
Het duurde langer dan Samira had gehoopt. Maandag kwam de technische recherche met een busje en een witte tent, en een man met een apparaat op wieltjes dat hij over de betonnen vloer van het groene huisje duwde alsof hij een grasmaaier voortduwde. Het huisje zelf werd 's middags plank voor plank afgebroken en in genummerde stapels op het pad gelegd. Op dinsdagochtend begonnen ze aan het beton.
Eva was er niet bij. Samira had het haar verboden, en voor één keer had Eva geen zin om tegen te sputteren. Ze zat in het depot op Lage Weide, met haar jas aan en de verwarming hoog, en scande kaartjes uit de jaren negentig. Iemand had in 1996 vijf keer hetzelfde boek over bonsai geleend. Iemand anders had in 1997 elke week een nieuwe Baantjer gehaald, achtendertig weken achter elkaar. Ze typte het allemaal over en merkte dat ze het niet onthield.
Om tien over drie belde Samira.
„We hebben haar,” zei ze. Haar stem was zacht. „Zo'n anderhalve meter diep, onder de achterkant van de vloer. Er zat nog een rode sjaal bij.”
Eva zei niets. Ze zat op haar kruk tussen de bananendozen en hield de telefoon tegen haar oor en keek naar het licht van de scanner, dat aan en uit ging, aan en uit, omdat ze vergeten was hem uit te zetten.
„Het DNA duurt een paar weken,” zei Samira. „Maar ik twijfel niet. Hij ook niet. Hij heeft vanochtend een volledige verklaring afgelegd. Met een advocaat erbij, die er zichtbaar niet blij mee was.”
„En het uitleenbewijs?”
„Lag in een la van zijn bureau in de praktijk, in jouw doos. Onbeschadigd. Hij had het niet weggegooid.” Samira klonk bijna verbaasd. „Hij gooit niks weg, die man. Hij bewaart alles netjes.”
„Wat gebeurt er nu met hem?”
„De officier vervolgt voor moord. Subsidiair doodslag. Dat bepaalt uiteindelijk de rechter.”
„Na dertig jaar?”
„Verjaard is het niet. Daar heeft de wetgever in de tussentijd voor gezorgd.” Samira zweeg even. „Er zijn mensen die zeggen dat het na zo veel jaren geen zin meer heeft. Ik heb vandaag een moeder gebeld. Dat heeft zin.”
De weken daarna gingen voorbij zoals weken gaan na een storm: je ruimt op en je ziet pas later hoeveel er is omgewaaid.
Het stond in de krant, natuurlijk. Eerst een kort bericht, Lichaam gevonden op volkstuin in Utrecht-Oost, en een dag later, toen de officier van justitie een persconferentie hield, het hele verhaal. De vermiste studente uit 1994. De huisarts uit Tuindorp. Eva's naam werd niet genoemd, op haar eigen verzoek, alleen een archivaris die bij het digitaliseren van oude bibliotheekadministratie op een opvallend document stuitte. Lotte las het hardop voor in het depot, drie keer, en zette het daarna op de website van de stichting, waarna de voorzitter belde om te zeggen dat hij altijd al had gevonden dat het project van groot maatschappelijk belang was.
Daan Kuipers trok zich terug als kandidaat bij de rechtbank. Er verscheen een korte verklaring, vier zinnen, waarin hij schreef dat hij in 1994 informatie had achtergehouden die het onderzoek mogelijk een andere richting had gegeven, en dat hij daar volledige verantwoordelijkheid voor nam. Eva las het en dacht aan de asbak op zijn glazen tafel. Ze wist niet wat ze van hem vond. Misschien hoefde dat ook niet.
Ingrid Lam stuurde haar een kom. Hij kwam per post, in een doos vol krantenpapier, grijsblauw, met een barst in de glazuur die er expres in leek te zitten. Er zat een kaartje bij. Voor de spullen die je wilt bewaren. Dank je wel. I.
Joke van Dijk kreeg bezoek van Samira, en daarna van Henk Oosterbeek, die een bos chrysanten had gekocht bij de supermarkt en anderhalf uur op haar bank zat. Eva hoorde het later van Joke zelf, aan de telefoon.
„Hij heeft sorry gezegd,” zei Joke. „Een grote man, op mijn bank. Hij zei: mevrouw Van Dijk, u had gelijk en ik heb niet geluisterd. Ik zei: meneer Oosterbeek, mijn man heeft ook nooit geluisterd, en die was toch ook een goed mens.” Ze lachte. „Hij heeft alle spritsen opgegeten.”
Sem was er de eerste avond na de tuin zonder iets te zeggen gewoon weer geweest, met zijn tas over zijn schouder en Marco achter hem in de deuropening, die voor één keer niets had gezegd over afspraken. Hij had zijn schoenen niet losgemaakt. Hij had naar de tijdlijn aan de muur gekeken, die Eva nog niet had weggehaald, en toen naar haar.
„Je hebt een gat in je jas,” had hij gezegd.
„Ja.”
„Kun je die niet beter weggooien?”
„Nee,” had ze gezegd, en hij had geknikt alsof hij dat begreep.
Daarna was hij op de bank gaan zitten, dichter bij haar dan anders, en ze hadden samen naar een slechte film gekeken waarvan geen van beiden het einde had meegekregen. Ze had zijn fietslamp de volgende ochtend zelf gemaakt.
In december, op een grijze zaterdag met natte sneeuw, reden Eva en Henk naar Deventer.
Henk reed. Zijn knie zat in een brace en hij vloekte bij elke keer schakelen, maar hij wilde niet dat zij reed. Saar lag achterin op een oude deken. Op de A1 regende het, bij Apeldoorn sneeuwde het, en toen ze bij Deventer de IJssel overstaken, brak de zon door een gat in de wolken en lag het water er even zilver bij.
Hennie Verhoef woonde in een appartement aan de rand van de binnenstad, op de vierde verdieping, met een balkon waar in potten een paar dode geraniums de winter afwachtten. Ze was eenentachtig, klein en recht, met wit haar dat kortgeknipt was. Ze had koffie gezet en een schaal met Deventer koek klaargelegd, in plakjes, met boter.
„U bent die rechercheur,” zei ze tegen Henk, toen ze zaten.
„Ja, mevrouw.”
„U belde elke week, in het begin.” Ze keek hem aan zonder verwijt, met een soort nieuwsgierigheid. „Daarna elke maand. Daarna niet meer.”
„Ik had u niets meer te vertellen,” zei Henk. „Dat vond ik het ergste. Dat ik u niets meer te vertellen had.”
Ze knikte. Toen keek ze naar Eva.
„En u bent het meisje van het papiertje.”
Eva glimlachte. „Ik ben eenenveertig.”
„Voor mij bent u een meisje.” Hennie Verhoef vouwde haar handen in haar schoot. „Vertelt u het maar. Van die zaterdag. Ik heb het van de politie gehoord, maar ik wil het van u horen.”
Dus vertelde Eva het. Niet van de tuin, niet van de vloer, niet van de laatste minuten in de gang van de Nobelstraat. Daar wist de moeder al genoeg van; dat zag Eva aan de manier waarop ze haar handen ineen hield. Ze vertelde van de vrijdag en de zaterdagochtend. De kapsalon in de Voorstraat. Het lege kamertje van Femke bij het Wilhelminapark, waar Marloes de planten water had gegeven. De ochtend in Leeszaal De Linde, waar een medewerkster met een krul aan haar V een uitleenbewijs had ingevuld. Het boek over het licht in de kerken.
„Ze wist haar nummer uit het hoofd,” zei Eva. „Ze zei het op als een liedje. Ze vertelde dat ze haar scriptie wilde schrijven over licht. En toen de medewerkster haar vroeg naar haar nieuwe kapsel, zei ze: nieuw alles.”
Hennie Verhoef keek naar het raam. Buiten dwarrelde de sneeuw weer, langzamer nu.
„Kort haar,” zei ze. „Dat wilde ze al sinds haar vijftiende. Ik zei altijd: zonde, kind, zulk mooi haar. Ze heeft het pas gedaan toen ik er niet bij was.” Ze lachte, en het was een echte lach, met tranen erin. „Natuurlijk. Natuurlijk deed ze het toen.”
Eva haalde twee dingen uit haar tas.
Het eerste was een envelop met een afdruk van de scan, op dik papier, op ware grootte. Roze, met het vage blauwe waas van carbon, het paarse stempel iets scheef. 12 MRT 1994. M. Verhoef. Licht in de kerk. En in de marge: pas vergeten – nr. uit het hoofd.
Het tweede was het blikje. Samira had het een week eerder vrijgegeven, na het onderzoek. Het was schoongemaakt, maar het scharnier was nog steeds roestig.
Hennie Verhoef maakte het blikje niet meteen open. Ze legde het op haar knie en keek eerst lang naar de afdruk. Ze ging met haar vinger over de cijfers. Drie, één, twee, nul, zeven.
„Dit is het laatste,” zei ze zacht. „Hè? Het laatste wat ze zelf heeft gekozen.”
„Ja,” zei Eva.
„Een boek.” De moeder glimlachte. „Dat is goed. Dat past bij haar.”
Toen opende ze het blikje. Er lag een smalle gouden ring in, met een klein, dof steentje. Ze haalde hem eruit en deed hem om haar pink, waar hij precies paste.
„Van mijn moeder,” zei ze. „Ik heb hem haar gegeven toen ze twintig werd.”
Henk Oosterbeek keek naar zijn handen. Saar, die mee naar boven had gemogen, lag op zijn voeten en zuchtte, die lange, bijna menselijke zucht. Niemand zei iets. Het was een goede stilte, dacht Eva. De eerste goede stilte in deze hele geschiedenis.
Op de terugweg zei Henk lange tijd niets. Bij Amersfoort, toen de lantaarnpalen langs de snelweg aangingen, zei hij: „Volgend jaar maart rij ik niet naar de sluis.”
„Waar dan heen?”
Hij dacht na. „Naar Deventer,” zei hij. „Als ze dat wil. Met Deventer koek.”
In januari maakte Eva doos 214 af.
Het was een koude ochtend, het depot rook naar karton en koude radiatoren, en op de Atoomweg denderden de vrachtwagens. Ze scande de laatste cassette, de gewone boekkaarten uit het voorjaar van 1994, en typte ze over. Toen pakte ze de lege plek in de eerste cassette, de plek waar velletje 38 had gezeten, en schoof er een kaartje van zuurvrij karton in. Ze schreef erop met potlood, in haar eigen kleine handschrift:
Nr. 38 – doorslag uitleenbewijs 12-3-1994 – origineel ontvreemd, teruggevonden en in beslag genomen door de politie. Zie dossier. Zie scan.
Ze keek er een tijd naar. Toen schreef ze eronder, kleiner, wat niet in een archiefbeschrijving hoort en wat ze er toch bij zette:
Ze was die ochtend vrij.
Die middag fietste ze met Sem naar de bibliotheek in de binnenstad. Hij moest een boek voor school, een verplicht boek dat hij afschuwelijk vond voordat hij er een woord van had gelezen. Ze stonden samen bij de zelfbedieningszuil en Sem legde het boek op het plaatje.
„Pasje,” zei het scherm.
Sem zocht in zijn zakken. Hij keek haar aan met dat gezicht dat ze kende, het gezicht van veertien en alles vergeten.
„Ik heb mijn pas niet bij me,” zei hij.
Eva tikte haar eigen nummer in op het schermpje, zonder na te denken, met haar ene vinger. Ze kende het sinds een paar weken uit het hoofd. Ze had het geleerd in de trein naar Deventer, als een liedje.
Het apparaat zoemde. Uit een gleuf kwam een strookje papier, warm en een beetje gekruld. Sem trok het eruit, keek er niet naar en wilde het in zijn broekzak proppen.
„Geef maar,” zei Eva.
Hij gaf het haar, met een blik die zei dat zijn moeder echt een beetje raar was. Ze vouwde het strookje één keer dubbel en stak het in het binnenvak van haar tas, bij haar schrift met de harde kaft.
Buiten, op het plein, was het gaan sneeuwen. Ze haalden hun fietsen van het slot en reden naar huis, Sem voorop, met zijn lamp aan.