Hoofdstuk 8: De inleverbus

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Samira nam op na één keer overgaan. Eva vertelde haar over Ferry Wijnands, over de man met de pet en de oude zwarte fiets met het houten krat, over de foto die op een telefoon stond waar zij niet bij mocht.

„Ik zei toch: niets op eigen houtje,” zei Samira.

„Hij stond voor mijn deur.”

Een zucht aan de andere kant. „Oké. Ik vraag die foto op. Dat kan een paar dagen duren, met zo'n kantoor ertussen. Ze gaan moeilijk doen, dat weet ik nu al.” Er klonk getik. „Mevrouw van Dijk heb ik vanmorgen gesproken. Ze was heel helder. Ze vertelde alles wat ze u ook vertelde, en nog iets over haar man en tijgerbalsem.”

„Ja,” zei Eva. „Dat doet ze.”

„Ik ga ervan uit dat het Marloes was, die zaterdag. Dat zeg ik tegen u, niet tegen een rechter. Daar heb ik meer voor nodig.”

Toen ze had opgehangen, liep Eva door haar flat met het gevoel dat ze in een kooi zat. Ze had beloofd niemand te spreken. Ze had niet beloofd dat ze niet mocht nadenken.

Ze ging aan de keukentafel zitten, onder de tijdlijn, en dwong zichzelf het als een archiefvraag te zien. Wat waren de stukken? Een doorslag, gestolen, maar gescand. Een maandlijst met teruggebrachte boeken. Twee tips in een schoenendoos. Een getuige van zevenenzeventig. Een foto die ze niet mocht zien.

En een boek.

Ze had het hele tijd over het papiertje gedacht, het bewijs dat het boek was uitgeleend. Ze had niet nagedacht over het boek zelf. Licht in de kerk. Saenredam en Utrecht. Op 18 april 1994 was het in de inleverbus van De Linde gegooid. Daarna had een medewerker het eruit gehaald, gescand of afgestempeld, en teruggezet in de kast. Bij 755.2. Zo ging dat.

Wat gebeurde er met de boeken van een bibliotheek die dichtging?

Ze belde Lotte.


„De restcollectie,” zei Lotte. Ze zat in de auto, Eva hoorde de richtingaanwijzer tikken. „Toen De Linde sloot, is er een boekenmarkt geweest. Alles voor een euro. Wat overbleef, ging naar de centrale bibliotheek of naar de papierversnippering. Behalve een paar dozen die die conciërge heeft gered. Dezelfde man als van de administratie. Hij vond dat sommige boeken te mooi waren om te versnipperen.”

„Hoeveel dozen?”

„Zesendertig. Ze staan achter in het depot, op de bovenste stelling. Ik heb ze nooit opengemaakt. Ze vallen niet onder het project, dus het bestuur wilde er niet voor betalen.” Ze zweeg even. „Je denkt dat het boek erbij zit.”

„Ik denk niks. Ik wil kijken.”

„Het is zeven uur.”

„Ik weet het.”

Lotte lachte, een beetje ongelovig. „Ik haal je op. Over twintig minuten. Neem een zaklamp mee, het licht achterin is kapot.”


Lotte reed in een oude Fiat Panda die naar hondenbrokken rook, hoewel ze geen hond had. „Van mijn broer,” zei ze, toen Eva haar neus optrok. „Hij heeft twee herders en geen rijbewijs. Ik heb de auto, hij de honden.” Ze praatte aan één stuk door, over haar broer, over het bestuur, over de subsidie die in maart moest worden verantwoord, en Eva begreep dat ze praatte om niet na te denken. Bij de Cartesiusweg zweeg ze ineens.

„Als het erbij zit,” zei Lotte, „wat dan?”

„Dan bel ik Samira. En dan raken we het niet meer aan.”

„En als het er niet bij zit?”

Eva keek naar de lichtjes van de bedrijventerreinen, die langs het raam schoven. „Dan heb ik een avond verspild,” zei ze. „Dat heb ik vaker gedaan.”

Lage Weide was 's avonds een andere plek. De vrachtwagens waren weg, de hekken bij de bedrijven dicht, en de verlichting van de straten scheen op lege parkeerplaatsen en op een kat die over een laadperron sloop. Het depot lag aan het eind van een doodlopende straat. Lotte opende het hek met een pasje en de roldeur met een sleutel, en toen ze binnen waren, deed ze de deur meteen weer dicht.

„Sorry,” zei ze. „Ik ben een beetje zenuwachtig. Na wat jij hebt meegemaakt.”

„Ik ook,” zei Eva.

Achter in de loods was het zo koud dat hun adem wolkjes maakte. Ze rolden een trap tegen de stelling en Lotte klom naar boven, terwijl Eva met de zaklamp bijlichtte. Op de dozen stond in dezelfde viltstift als op doos 214: De Linde – collectie – BEWAREN. Op sommige stond iets meer. Kinderboeken, oud. Prenten. Kunst/architectuur.

„Kunst,” zei Eva.

Er waren er drie. Lotte gaf ze een voor een aan en Eva zette ze op de werktafel, onder de lamp die wel werkte. Ze sneden de tape door. De geur van oude boeken steeg op, die geur van stof en vanille en lijm die Eva altijd een beetje dronken maakte.

In de eerste doos zaten boeken over Rembrandt, over de Delftse School, over Jugendstil in Den Haag. In de tweede over kastelen in Gelderland en molens in Zeeland. Allemaal met een stickertje op de rug, een plaatsingsnummer in een kleine witte rechthoek, en een kaftfolie die bij de hoeken los begon te laten.

De derde doos zat voller dan de andere. Eva haalde de boeken er stapel voor stapel uit en legde ze naast elkaar. Middeleeuwse kerken. Het Utrechtse Domplein door de eeuwen heen. Een catalogus van een tentoonstelling over glas-in-lood. En onderop, met de rug naar boven, een dun, groot boek met een stofomslag in grijs en goud.

Licht in de kerk. Saenredam en Utrecht.

Op de rug, in de witte rechthoek: 755.2 SAEN.

Geen van beiden zei iets. Lotte kwam naast haar staan. Eva trok haar katoenen handschoenen aan, die ze altijd in haar jaszak had, en tilde het boek uit de doos zoals je een slapend kind optilt.

Ze sloeg het open. Op het schutblad stond het stempel van De Linde. Achterin zat het papieren zakje met de boekkaart. Ze schoof de kaart eruit. Stempels in rijen, paars en zwart en blauw, van de jaren tachtig tot 2003. Daartussen, met een dunne pen, een korte aantekening: 18-4-94 IB.

„Inleverbus,” zei Lotte zacht.

Na april 1994 was het boek nog negen keer uitgeleend. Eva telde de stempels. Mensen hadden het mee naar huis genomen, op hun schoot gehad, het weer teruggebracht. Niemand had iets gemerkt.

Ze bladerde. Saenredams kerken, grote zwart-witreproducties: de Mariakerk, de Buurkerk, de Jacobikerk, hoge witte gewelven en ijle pilaren en mensjes die heel klein onder het licht stonden. Op een van de pagina's zat een vouw in de hoek. Verder niets. Geen potloodstreepje, geen bonnetje.

Ze sloeg het boek dicht en bleef ernaar kijken. Iets zat haar dwars. Het stofomslag. Het was ingepakt in kaftfolie, zoals alle bibliotheekboeken, met de flappen eronder. Maar aan de achterkant zat de folie niet glad. Er liep een heel lichte richel onder, een paar centimeter lang, zo vaag dat je hem alleen zag als het licht er schuin op viel.

Eva pakte haar zaklamp en hield hem plat tegen het boek, zoals ze bij het strijklicht van de scanner deed.

De richel werd een rechthoek.

„Lotte,” zei ze. „Mag ik een pincet uit de la?”

De folie was aan de binnenkant van de achterflap losgekomen, zoals dat gaat bij oude folie, en had een spleet gevormd tussen het plastic en het papier van het omslag. In die spleet zat iets. Eva schoof het er met het pincet uit, millimeter voor millimeter, haar adem ingehouden, de lamp in Lottes trillende hand.

Een blaadje. Klein, smaller dan een speelkaart. Aan één kant een rafelige rand waar het uit iets was gescheurd. Bovenaan, voorgedrukt, in kleine blauwe letters: Vrijdag 11 maart. Een agendablad, uit een zakagenda van 1994.

Op de voorkant, in potlood, in een rond, snel handschrift dat Eva niet kende maar dat ze meteen herkende, zoals je soms een stem herkent die je nog nooit hebt gehoord:

10.30 Voorstraat – knippen!!

En eronder, kleiner: Femke's kamer, sleutel onder de pot. Planten water.

Ze draaide het blaadje om, met het pincet, heel langzaam.

za 16.00 Nobelstr. – spullen halen (winterjas, diskettes, ring oma!!). D. in A'foort. Th. is thuis – laat me erin.

Er stond nog iets onder, met een andere druk, alsof ze het later had toegevoegd, op een knie of tegen een muur.

Daarna: vrij.


Lotte zette de lamp neer, voorzichtig, op de werktafel. Het licht scheen nu op het plafond, op de golfplaten, en het blaadje lag in een cirkel van halfdonker.

„Th.,” zei Lotte. „Wie is Th.?”

Eva gaf geen antwoord. Ze dacht aan een bankje voor een groen tuinhuisje, aan koffie met havermelk en een pot met een geruit dekseltje. Aan een warme, lage stem die zei: ik heb nooit gelogen. Aan labeltjes in kleine, nette blokletters, en aan hoekige hoofdletters met zwarte stift over het gezicht van een jonge vrouw.

Ze dacht aan handdoeken die precies zo waren teruggelegd als ze hadden gelegen.

„Een huisgenoot,” zei ze ten slotte. „Van Daan. Hij woonde in de Nobelstraat.”

„Weet je het zeker?”

„Nee.” Ze schoof het blaadje met het pincet in een kleine zuurvrije envelop en legde de envelop in het boek, op de plek waar het blaadje dertig jaar had gezeten. „Maar ik weet wel dat iemand die zaterdag om vier uur de deur voor haar heeft opengedaan. En dat diezelfde iemand vijf weken later dit boek in een inleverbus heeft gegooid, zonder te weten wat erin zat.”

„Waarom zou je dat doen? Een boek terugbrengen?”

Eva keek naar de boekkaart, naar de nette rij stempels.

„Omdat je een keurige jongen bent,” zei ze. „Keurige jongens brengen hun boeken terug.”

Ze pakte het boek in, in vloeipapier en daarna in een doos, en Lotte schreef met potlood op de doos NIET OPENEN – POLITIE, en daarna voor de zekerheid nog een keer, groter. Ze deden het licht uit en liepen naar de roldeur.

Eva's telefoon trilde in haar zak. Ze dacht dat het Samira was, of Sem, die nog wakker was en dat niet hoorde te zijn. Ze haalde hem tevoorschijn.

Een nummer dat ze had opgeslagen, een week geleden, na een telefoontje bij de afwas.

Ingrid vertelde dat er bij je is ingebroken. Wat afschuwelijk, Eva. Is alles goed met je? Als ik iets kan doen, zeg het. Hartelijke groet, Thijs.