Hoofdstuk 7: Wie er nog meer kijkt

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De agenten die die avond kwamen, waren met z'n tweeën, een man en een vrouw, en ze liepen door de flat zoals mensen door een museum lopen waar ze niet heen wilden. De man bekeek het slot van de voordeur met een zaklamp.

„Gebumpt, denk ik,” zei hij. „Of met een trekker. Dat laat bijna niks achter, bij zo'n oude cilinder. Heeft u geen veiligheidsslot?”

„Blijkbaar niet.”

„Ze hebben verder niks meegenomen? Geen laptop, geen geld?”

„Alleen een doos met een papier erin.”

De vrouw keek op van haar notitieblok. „Wat voor papier?”

Eva legde het uit, voor de zoveelste keer, en zag aan hun gezichten dat het verhaal ze niet minder vreemd leek naarmate ze het vaker hoorden. Ze schreven het op. Ze zeiden dat er de volgende dag iemand van de technische recherche kon langskomen, maar dat de kans klein was dat ze iets vonden. Ze adviseerden haar een nieuw slot te nemen.

Toen ze weg waren, ging Eva in het donker op de bank zitten en luisterde naar het huis. Het tikken van de verwarming. Een trein in de verte, op het spoor achter de wijk. Ze had gedacht dat ze bang zou zijn. Ze was vooral kwaad. Iemand was in haar huis geweest, had haar linnenkast opengedaan, haar handdoeken opgetild en weer neergelegd. Iemand had gezorgd dat het eruitzag alsof er niets was gebeurd.

Dat was het ergste, dacht ze. Niet dat hij was binnengekomen. Dat hij zo netjes was geweest.

Om één uur stond ze op, zette haar laptop aan en sloot de externe schijf aan die ze altijd in haar tas had. De mappen stonden er nog. Depot_DeLinde_doos214. Ze opende de map en daarin het bestand dat ze die eerste dinsdag had gemaakt, op twaalfhonderd dpi. De voorkant. De achterkant. De opname met strijklicht, waarop de indrukken van de balpen zichtbaar waren als kleine dalen in het papier.

Het origineel was weg. Maar het origineel was nooit het enige geweest. Dat was het mooie van haar vak, dacht ze, met een vreemde, koppige trots. Papier kon je stelen. Een kopie van een kopie van een kopie niet.


Rechercheur Samira El Idrissi kwam de volgende ochtend om tien uur, samen met Oosterbeek, die er in een te dun jasje bij stond alsof hij was opgeroepen voor een getuigenis. Samira was achter in de dertig, droeg een donkere hoofddoek en een parka met een bontkraag, en ze gaf Eva een stevige hand.

„Henk heeft me gisteravond gebeld,” zei ze. „Om half twaalf. Dat doet hij nooit. Dus ik dacht: dat moet ik zien.”

Eva zette koffie. Ze gingen aan de keukentafel zitten, onder de tijdlijn. Samira bekeek hem een hele tijd zonder iets te zeggen. Toen vroeg ze naar de scans.

Eva liet ze zien op het scherm. Samira zoomde in op de datum, op de paraaf, op de marge. Ze vroeg welke apparatuur Eva gebruikte, welke instellingen, of de bestanden ergens anders waren opgeslagen. Eva vertelde over de server van de stichting en over de logbestanden die het scanprogramma bijhield, met tijden en datums.

„Goed,” zei Samira. „Dat is goed. Als het tot een zaak komt, wil een advocaat weten dat we niet met een plaatje van internet aankomen. Ik wil een kopie van alles, ook van de logbestanden. Vandaag nog.”

„Dus u gelooft het,” zei Eva.

Samira glimlachte, maar niet helemaal. „Ik geloof niks en niemand. Dat is mijn werk. Maar ik zie een document dat gestolen wordt kort nadat iemand hoort dat het bestaat. Dat vind ik interessant. Mensen stelen geen papiertjes die niets betekenen.” Ze tikte met een pen op de tafel. „Henk heeft me ook de tips van de kapper en de bibliotheek laten zien. Uit een doos die hij niet hoort te hebben.”

Oosterbeek keek naar het plafond.

„Daar heb ik het later met hem over,” zei Samira droog. „Ik ga vandaag mevrouw Van Dijk horen, officieel, met een opname. En de kapster, als ze nog leeft. Dan wordt dit een dossier. Maar voordat ik iets kan doen met namen, moet ik weten wie er wist dat dat papier hier lag.”

Eva had daar de hele nacht over nagedacht. Ze pakte haar schrift.

„Lotte Vermeulen, van de stichting,” zei ze. „Die wist dat ik het mee naar huis had genomen voor de scans. Henk.” Ze keek naar Oosterbeek. „Sorry.”

„Terecht,” bromde hij.

„Ingrid Lam, de huisgenote, misschien. Ik weet niet zeker of ik het tegen haar heb gezegd. En Thijs Hoogland. Tegen hem heb ik het letterlijk gezegd. Hij vroeg of ik het origineel bij me had, en ik zei dat het thuis lag.”

Samira schreef de namen op. Bij die van Thijs Hoogland zette ze een streepje. „En Kuipers?”

„Die heb ik alleen gemaild. Dat ik iets had gevonden. Niet wat, niet waar.”

„En de dag daarna had u een brief van zijn advocaat.” Samira keek naar Oosterbeek. „Wat denk jij?”

Oosterbeek haalde zijn schouders op. „Ik heb dertig jaar gedacht dat het Kuipers was. Daar ben ik nu voorzichtig mee.”

„Fijn dat je het toegeeft,” zei Samira. Ze klapte haar notitieboek dicht. „Mevrouw Brouwer. Ik zeg het één keer. U doet vanaf nu niets meer op eigen houtje. U praat met niemand van de mensen op die lijst. Als iemand contact met u opneemt, belt u mij. Laat een nieuw slot zetten. En als u een grijze auto ziet, wat u net vertelde, schrijf dan het kenteken op.”

„Dat heb ik al gedaan,” zei Eva.

Samira keek haar aan, en nu glimlachte ze wel echt. „Natuurlijk hebt u dat.”


De slotenmaker kwam om twee uur en vertrok om drie, met een rekening van tweehonderdzestig euro die Eva probeerde niet te zien. Daarna was ze alleen.

Ze belde Sem, die na het derde uur net uit was en op de achtergrond door een gang vol schreeuwende brugpiepers liep.

„Is er iets?” vroeg hij meteen.

„Nee. Ja. Er is bij ons ingebroken. Er is niks van jou weg. Je skateboard staat er nog.”

Het bleef even stil. „Ben jij oké?”

„Ik ben oké.”

„Echt?”

„Echt. Er zit een nieuw slot op de deur. Een duur slot. Je krijgt een nieuwe sleutel als je terugkomt.”

„Mam.” Zijn stem werd zachter, alsof hij zich had omgedraaid naar een muur. „Je zei: één week. Daarna is het aan de politie.”

„Het ís nu aan de politie,” zei ze, en ze hoopte dat het waar was.

Toen hij had opgehangen, probeerde ze te werken, wat ze niet kon, en ze probeerde te lezen, wat ze ook niet kon. Om vier uur keek ze uit het raam.

De grijze Skoda stond weer schuin tegenover haar deur.

Ze stond een volle minuut achter het gordijn. Ze dacht aan Samira. U doet vanaf nu niets meer op eigen houtje. Ze dacht aan haar handdoeken, keurig gevouwen, en aan de banden en aan de kopie met LAAT HAAR RUSTEN over het gezicht. Toen trok ze haar jas aan en liep de trap af.

De man achter het stuur zag haar pas toen ze al naast de auto stond. Hij was rond de vijftig, met een kale kruin en een bril met een dun montuur, en op de bijrijdersstoel lag inderdaad een krant, naast een zak kaneelbroodjes en een camera met een lange lens. Ze klopte op het raam. Hij liet het zakken.

„U hebt een probleem,” zei Eva. „U zit al drie dagen voor mijn deur.”

Hij keek haar aan zonder schrik, met de berusting van iemand die wist dat dit moment zou komen. „Wijnands,” zei hij. „Ferry. Particulier onderzoeker. Ik heb een vergunning, als u dat wilt zien.”

„Ik wil weten wie u heeft gestuurd.”

„Dat mag ik niet zeggen.”

„Dan zeg ik het. Een advocatenkantoor aan de Maliebaan.”

Hij zei niets, maar hij knipperde één keer te vaak met zijn ogen.

„Ik heb uw kenteken doorgegeven aan de politie,” zei ze. „Gisteren is er bij mij ingebroken. Er is iets gestolen.”

Nu schrok hij wel. „Dat was ik niet.”

„Waarom zou ik u geloven?”

„Omdat ik daar geen geld voor krijg,” zei hij eerlijk. „Ik krijg geld om te kijken. Met wie u praat, waar u heen gaat. Ik doe geen sloten. Dat is een andere tak van sport, en voor die tak zit je zo een paar jaar.” Hij keek naar haar voordeur. „Gisteren was ik er niet. Mijn opdrachtgever had me ergens anders nodig.”

„En zaterdagnacht?”

Hij aarzelde. Zijn vingers trommelden op het stuur. Achter hen reed een vuilniswagen de straat in, met een geluid van brekend glas.

„Zaterdagnacht was ik er wel,” zei hij.

„Dan heeft u gezien wie mijn banden heeft doorgesneden.”

Ferry Wijnands keek haar lang aan. Toen zuchtte hij, pakte zijn telefoon van het dashboard en scrolde.

„Ik heb het aan mijn opdrachtgever gemeld,” zei hij. „Dat hoort zo. Ik zat hier tot half drie. Om tien voor twee kwam er een man aanfietsen. Lang, pet op, een donkere jas. Oude zwarte fiets met een houten krat voorop. Hij stapte af bij uw hek. Hij was er een minuut mee bezig, niet langer. Daarna fietste hij weg, die kant op.” Hij wees naar het kanaal. „Ik heb hem gefotografeerd. Niet scherp, het was donker, maar wel iets.”

„Waarom heeft u niks gedaan?”

„Mijn opdracht is kijken.” Hij zei het zonder trots. „Ik vond het ook niet fijn, als u dat wilt horen.”

„Laat me die foto zien.”

„Dat kan niet. Die is van mijn opdrachtgever.”

„Dan geeft u hem aan de politie.”

„Als de politie erom vraagt, met de juiste papieren, krijgt ze hem.” Hij legde zijn telefoon terug, schermkant naar beneden. „Maar ik kan u wel iets anders vertellen, omdat ik het zelf niet prettig vond, en omdat u eerlijk tegen me bent. Ik heb die foto doorgestuurd. Zondagochtend, om zeven uur. Om tien over zeven belde mijn opdrachtgever me terug.”

Eva wachtte. De vuilniswagen kwam dichterbij, met zijn knipperende oranje licht.

„Ik heb mijn opdrachtgever nooit eerder zo horen praten,” zei Ferry Wijnands. „Ik heb voor hem gewerkt in zes zaken en hij is altijd ijskoud. Dit keer niet.” Hij keek haar door de open ruit aan. „Hij herkende die man meteen, mevrouw Brouwer. Aan de fiets. Hij zei: die fiets heeft hij al dertig jaar.”