Hoofdstuk 6: Een schoenendoos vol tips
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Oosterbeek deed open voordat ze had aangebeld. Hij had haar zien aankomen, dacht ze, vanachter het gordijn, en hij had al besloten wat hij zou zeggen. Ze zag het aan de manier waarop hij in de deuropening stond, met zijn schouders naar achteren.
„Ik heb uw bericht gehoord,” zei hij. „Van die banden. Dat is vervelend. Maar het verandert niets.”
„Joke van Dijk leeft nog,” zei Eva.
Hij zweeg.
„Ze woont tien minuten hiervandaan. Ze herinnert zich Marloes. Op zaterdagochtend, tegen elven, met kortgeknipt haar. Ze zei dat ze om vier uur ergens moest zijn. Daarna was ze vrij.” Eva haalde adem. „En ze heeft het tegen een agent gezegd. Bij de Weerdsluis, toen jullie daar met de honden liepen. Hij heeft het opgeschreven.”
Ze zag het nu wel gebeuren in zijn gezicht. Niet snel, eerder zoals een dijk die het niet meer houdt: eerst een plek die donker wordt, dan een straaltje, dan meer.
„Kort haar,” zei hij.
„Ja.”
Hij draaide zich om en liep naar binnen. De deur liet hij open. Na een paar seconden begreep ze dat dat een uitnodiging was.
De woonkamer was klein en opgeruimd op de manier van iemand die alleen woont en dat niet erg vindt. Een leunstoel bij het raam met een plaid erover, een tafel met één stoel ervoor, een boekenkast met vooral reisgidsen en vogelboeken. De hond, die Saar bleek te heten, lag in een mand bij de verwarming en tilde alleen haar kop op.
Oosterbeek kwam terug uit een achterkamer met een schoenendoos. Een oude, van een merk wandelschoenen dat al lang niet meer bestond. Het karton was zacht aan de hoeken en er zat een elastiek omheen. Hij zette de doos op tafel en ging er niet bij zitten.
„Dit mag ik niet hebben,” zei hij. „Dat wil ik eerst gezegd hebben. Toen ik met pensioen ging, had ik dit allemaal moeten inleveren. Ik heb het gekopieerd, in 1995, toen het onderzoek werd afgeschaald. Ik wilde het niet kwijt.” Hij trok het elastiek eraf. „Het zijn de tips. Niet het dossier, alleen de tips. Alle telefoontjes, alle briefjes, alle mensen die iets dachten te weten. Zeshonderdtwaalf stuks.”
Hij tilde het deksel op. De doos zat vol fotokopieën, dicht op elkaar, met tabbladen van karton ertussen, net als de cassettes in het depot. Eva voelde een vreemde ontroering bij die tabbladen.
„Kort haar,” zei hij weer, meer tegen de doos dan tegen haar. „Ik weet het. Ik weet het al dertig jaar.”
Zijn vingers liepen langs de tabbladen. Hij hoefde niet lang te zoeken. Hij trok een velletje tevoorschijn, een kopie van een formulier dat met de hand was ingevuld, en legde het voor haar neer.
Tip nr. 187. Woensdag 16-3-'94, 14.20 u. Telefonisch. Melder: mevr. R. Baldewsingh, kapsalon Voorstraat. Meent dat een jonge vrouw die lijkt op vermiste vr. 11-3 rond 10.30 u. in de salon was. Liet lang haar tot kort laten knippen. Betaalde contant. Gedroeg zich nerveus. Melder herkende haar van poster pas achteraf, twijfelt. Afgedaan: vr. 11-3 na verdwijning, niet relevant.
Eva las het twee keer. Afgedaan. Na verdwijning. Niet relevant.
„Wie heeft dat afgedaan?”
„Ik,” zei hij. „Of iemand van mijn team, op mijn aanwijzing. Het maakt niet uit. Ik had de leiding.” Hij trok een tweede velletje uit de doos, uit een ander vak. Dit was geen formulier maar een gelinieerd blaadje uit een notitieboek, in een ander handschrift, gehaast. „En dit. Ik wist dat het er was. Ik wist alleen niet meer van wie.”
Za.-avond 19-3 Weerdsingel. Vrouw ca. 45 jr, werkt bibl. Linde, meent M.V. zat. ochtend gezien, kort haar. Foto poster: lang haar. Naam: J. v. Dijk. Niet nagetrokken – zie tip 187.
Niet nagetrokken. Zie tip 187.
„Twee mensen,” zei Eva. „Twee mensen die los van elkaar hetzelfde zeiden. Kort haar. Op vrijdag en op zaterdag.”
„Ja.”
„En jullie hebben het niet nagetrokken omdat het niet in het verhaal paste.”
Oosterbeek ging eindelijk zitten, op de enige stoel. Eva bleef staan. Hij keek naar zijn handen, die groot waren en vol levervlekken, en een tijdlang zei hij niets.
„U moet begrijpen hoe het toen was,” zei hij ten slotte. „Er was een fiets in de Vecht. Er was een vriend met een slecht humeur en een ruzie op de avond van de verdwijning. Er waren honderden tips, en de meeste waren onzin. Iemand had haar gezien op Schiphol. In een kroeg in Antwerpen. Op een veerboot naar Engeland. Elke dag kwamen er tien bij. We moesten kiezen. Je kunt niet alles natrekken, dus je kiest wat bij je beeld past en je legt de rest weg.” Hij wreef met zijn duim over de rand van de tafel. „Ik was zesendertig. Ik had nog nooit een zaak van die omvang gedaan. Mijn chef zat me op mijn nek, de krant zat me op mijn nek, haar ouders belden elke dag. Ik dacht: het is die vriend. Ik weet het. Ik moet het alleen nog bewijzen.”
„En het lukte niet.”
„Het lukte niet, omdat hij die donderdagnacht thuis was. Zijn huisgenoot zat bij hem. Tot twee uur. Ik heb die huisgenoot zes keer gesproken en hij is geen centimeter van zijn verhaal afgeweken.”
„Misschien omdat dat verhaal klopte.”
Hij keek op. „Ja,” zei hij zacht. „Dat is het. Misschien klopte het gewoon. Misschien was ze donderdagnacht nog in leven, en vrijdag, en zaterdagochtend. Misschien was ze haar haar aan het knippen en boeken aan het lenen terwijl ik de Vecht liet afdreggen.”
Saar stond op uit haar mand, liep naar haar baas en legde haar kop op zijn knie. Hij legde zijn hand op haar kop zonder te kijken.
„Ik ben die zaak nooit kwijtgeraakt,” zei hij. „Elk jaar op tien maart rij ik naar de Weerdsluis. Ik ga niet uit de auto. Ik zit daar een kwartier en dan rij ik terug. Mijn vrouw vond dat ziek. Ze is in 2009 vertrokken. Niet alleen daarom, maar ook.”
Eva ging tegenover hem op de rand van de leunstoel zitten.
„Wat had ze om vier uur?” vroeg ze. „Waar moest ze zijn?”
Hij haalde zijn schouders op. „Als ik dat wist.”
„Dan gaan we het uitzoeken.”
Hij keek haar aan, heel lang, met die vermoeide blik waarmee hij haar de eerste dag in de deuropening had bekeken. Toen schoof hij zijn stoel bij en trok een blocnote naar zich toe.
Ze werkten tot het donker werd. Hij zette koffie, sterker dan in de gang had geroken, en hij haalde een pak Bastognekoeken uit de kast die hij op een bord legde, wat haar verbaasde. Op de blocnote tekende hij een tijdlijn, zoals zij had gedaan, maar met andere namen en andere tijden, dingen die alleen in het dossier stonden.
„Als we zaterdag vier uur nemen als het moment,” zei hij, „dan moeten we kijken wie er op zaterdagmiddag geen alibi had. Daar hebben we in 1994 nooit naar gekeken, omdat niemand het vroeg.”
„Daan.”
„Daan Kuipers was dat hele weekend in Amersfoort. Vrijdagmiddag is hij met de trein gegaan. Zaterdag was de vijftigste verjaardag van zijn moeder, met een feest in een zaaltje bij hun kerk. Veertig gasten. Dat weet ik, omdat we zijn hele weekend hebben nagelopen om te kijken of hij donderdagnacht iets had weggemaakt.” Hij schreef het op. „Hij was op zaterdag de hele dag in Amersfoort. Zijn moeder, zijn tantes, de dominee. Dat is een alibi waar je geen gat in krijgt.”
„En de anderen?”
„Ingrid Lam zat op Texel. Haar tante, de veerboot, een kaartje van de veerdienst dat ze nog had. De ouders zaten in Deventer.” Hij tikte met zijn pen. „De huisgenoot zat thuis. Alleen. Studeren. Dat zei hij toen we vroegen wat hij het weekend had gedaan, en niemand heeft daar ooit verder naar gekeken, want waarom zou je.”
„Thijs Hoogland.”
„U kent hem?”
„Ik heb hem zaterdag gesproken. Op zijn volkstuin. Hij gaf me jam.”
Oosterbeek glimlachte onwillekeurig. „Dat lijkt me wel wat voor hem. Hij heeft ons destijds koffie gezet, bij elk verhoor dat bij hem thuis was. En koekjes. Hij vroeg altijd hoe het met ons ging.” De glimlach verdween. „Nee. Die jongen was het type dat de buurvrouw helpt met haar boodschappen. Hij zat in de soep te roeren voor die huisgenote. Ik zie hem niet…”
Hij maakte de zin niet af. Eva zag dat hij het hoorde, de manier waarop hij al dertig jaar zinnen niet had afgemaakt.
„U zag Daan ook niet,” zei ze. „U wílde Daan zien.”
„Ja,” zei hij. „Dat klopt.” Hij schreef de naam van Thijs Hoogland op de blocnote, met een vraagteken erachter. Daarna, na enige aarzeling, schreef hij er nog iets bij, onder Daan: wat wist hij van zaterdag?
Toen ze om half zeven opstond om te gaan, liep hij met haar mee naar de deur. Hij hield de deur open en keek naar buiten, naar de Vecht, waar de lantaarns een lange gele streep op het water legden.
„Morgen bel ik iemand,” zei hij. „Iemand van het team cold case. Een jonge vrouw, ze is goed, ik heb haar nog een keer wat geleerd. Ze zal willen weten wat u hebt. Breng het origineel mee.”
„Dat ligt thuis.”
„Haal het dan,” zei hij. „En mevrouw Brouwer. Leg het niet meer ergens waar iemand het kan pakken.”
Ze fietste naar huis door de donkere straten van Zuilen, over de Amsterdamsestraatweg met zijn kapsalons en avondwinkels, en dan langs het kanaal. Ze voelde zich licht, bijna opgewonden. Oosterbeek geloofde haar. Er was eindelijk iemand die het zag.
De voordeur aan de straat zat dicht. Ze ging naar binnen, liep de trap op en stak haar sleutel in het slot van haar eigen voordeur.
De deur ging open voordat ze de sleutel had omgedraaid.
Ze bleef staan. Ze wist zeker dat ze hem die ochtend op het nachtslot had gedaan. Ze wist het zeker, omdat ze sinds de banden niets anders meer deed.
Het slot was niet geforceerd, zag ze. Geen splinters, geen krassen. Alleen een deur die openstond.
Binnen was het donker. Ze deed het licht aan in de gang. Alles stond op zijn plaats. De jassen aan de kapstok, Sems skateboard tegen de muur, de stapel post op het kastje. In de keuken hing haar tijdlijn nog boven de tafel. De pot rabarberjam stond naast de broodtrommel. Haar laptop lag op de bank, waar ze hem had laten liggen.
Ze liep door naar de slaapkamer en deed de linnenkast open.
De handdoeken lagen netjes opgevouwen op de plank. Precies zoals zij ze altijd neerlegde, met de vouw naar voren.
De zuurvrije doos was weg.