Hoofdstuk 5: Kort haar

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De wijkagent die zondagmiddag langskwam, was jong en beleefd en had duidelijk andere dingen aan zijn hoofd. Hij fotografeerde de banden, fotografeerde de kopie, vroeg of Eva ruzie had met iemand in de buurt en schreef iets op in een tablet.

„Het zal wel een gek zijn,” zei hij. „Die zaak is hier bekend, hè. Er zijn mensen die zulke dingen grappig vinden.”

„Hoe weet een gek dat ik met die zaak bezig ben?”

Hij keek op van zijn tablet. „Bent u daarmee bezig?”

Ze legde het uit. Het team voor oude zaken. De tip. Hij luisterde, knikte en schreef het erbij.

„Ik zet het in het dossier,” zei hij. „Dan komt het bij de goede mensen.”

Ze geloofde hem bijna.

Toen hij weg was, belde ze Oosterbeek. Hij nam niet op. Ze sprak in dat haar banden waren doorgesneden en dat er een kopie van het opsporingsbericht tussen haar spaken had gezeten, en dat ze dacht dat hij dat wilde weten. Ze zei niet dat ze bang was. Ze zei niet dat ze die nacht om drie uur was opgestaan om te controleren of de voordeur op het nachtslot zat.

Het origineel lag nog in de zuurvrije doos in de linnenkast, tussen de handdoeken. Ze haalde het eruit, keek ernaar, en legde het terug. Daarna haalde ze het er nog een keer uit en legde het in de la van haar bureau, onder een stapel oude belastingpapieren. Daarna voelde ze zich belachelijk en legde ze het weer terug in de kast.


Maandagochtend om negen uur stond er een e-mail in haar inbox van een adres van het kantoor aan de Maliebaan. Niet van Daan Kuipers zelf, maar van een advocaat die mr. S. Holtrop heette en die schreef namens onze cliënt, de heer mr. D.J. Kuipers.

Het was een lange e-mail, maar de strekking was kort. Haar bericht was ontvangen. Cliënt had in 1994 en daarna volledig meegewerkt aan het politieonderzoek naar de verdwijning van mevrouw Verhoef en was nooit als verdachte aangemerkt. Iedere suggestie van het tegendeel was onrechtmatig. Cliënt verzocht haar met klem geen contact meer met hem op te nemen, en zich te onthouden van uitlatingen in de media of op internet waarin zijn naam in verband werd gebracht met de zaak. Mocht u dit verzoek naast u neerleggen, dan behoudt cliënt zich alle rechten voor, waaronder het recht om een vordering wegens smaad en laster in te stellen.

Om elf uur werd er bovendien een envelop bezorgd, aangetekend, met dezelfde brief op dik papier met een briefhoofd in reliëf.

Eva las hem aan de keukentafel en voelde haar maag samentrekken. Ze had in haar mail niets gesuggereerd. Ze had alleen geschreven dat ze iets had gevonden en dat ze hem wilde spreken. Daan Kuipers had binnen een werkdag een advocaat ingeschakeld.

Ze dacht aan Ingrid. Hij weet heel goed wat hij te verliezen heeft.

Ze dacht aan de opengesneden banden.

Om half vier kwam Sem thuis uit school, met een fietsband in zijn hand die hij voor haar bij de fietsenmaker in de Damstraat had opgehaald. Hij gooide hem op de bank.

„Achtentwintig euro,” zei hij. „Je moet me terugbetalen.”

„Sem, ga even zitten.”

Hij zag haar gezicht en ging zitten. Ze vertelde het, niet alles, maar genoeg. De kopie in de spaken. De brief van de advocaat. Hij luisterde met zijn kaken op elkaar en zijn blik ergens op de vloer.

„Ik wil dat je deze week bij papa blijft,” zei ze.

„Het is jouw week.”

„Ik weet het. Ik heb hem al gebeld. Hij vindt het goed.”

„Ik vind het niet goed.” Hij keek op. „Als iemand je bedreigt, moet ik juist hier zijn.”

Ze moest bijna lachen en tegelijk had ze zin om te huilen. Veertien, met een stem die nog oversloeg op de hoge tonen, en hij wilde haar beschermen.

„Het is één week,” zei ze. „Daarna is het voorbij. Of het is aan de politie. Ik beloof het.”

Hij geloofde haar niet. Dat zag ze. Maar hij pakte zijn tas in, en ze bracht hem op de fiets naar Oog in Al, waar Marco in de deuropening stond met zijn armen over elkaar en een blik die zei dat ze het later nog over deze week zouden hebben.

Op de terugweg, op de Kanaalweg, zag ze de auto voor de tweede keer.

Een grijze Skoda, niet nieuw, niet oud, het soort auto dat je niet ziet. Ze zou hem ook niet hebben gezien als hij die ochtend niet in de Kanaalstraat had gestaan, schuin tegenover haar deur, met iemand achter het stuur die een krant las. Wie las er nog een krant in een auto? Nu reed hij een eind achter haar, langzaam, met de lichten aan, hoewel het nog licht was.

Bij de brug over het kanaal sloeg ze plotseling rechtsaf, een smalle straat in waar auto's niet in mochten. Ze keek achterom. De Skoda reed rechtdoor.

Thuis zat ze een kwartier met de lichten uit aan het raam. De auto kwam niet terug.


Joke van Dijk woonde in een seniorenflat in Zuilen, een kwartier lopen van het huis van Oosterbeek, wat Eva vreemd vond en tegelijk niet. Utrecht was groter geworden, maar sommige wijken waren dorpen gebleven. Lotte had via een vereniging van oud-medewerkers van de bibliotheek een telefoonnummer gevonden. Een dochter had opgenomen en gezegd dat haar moeder het leuk zou vinden, als u er maar rekening mee houdt dat ze niet alles meer weet, en dat ze het soms over mijn vader heeft alsof hij er nog is.

Joke bleek een kleine vrouw met zilverwit haar dat in een strakke wrong zat, en een vest met grote knopen. Haar flat lag op de derde verdieping en keek uit op een speeltuin waar niemand speelde. Op de vensterbank stonden viooltjes en een rij boeken met een elastiek eromheen. Op tafel lag een kanten kleedje en daarop stond een schaal met spritsen.

„Ik bak ze niet zelf meer,” zei ze. „Ze komen van de Lidl. Mijn dochter vindt dat erg. Ik niet.”

Eva legde de kopie op het kanten kleedje. Joke zette een bril op die aan een koordje om haar nek hing.

„Mijn handschrift,” zei ze meteen. „Die krul aan de V, dat deed ik altijd. Mijn chef vond dat onzin. Een V is een V, zei hij.” Ze tikte op de marge. „Pas vergeten. Ja.”

„Weet u nog wat het was, die week?”

„De storing? Natuurlijk. Het was vreselijk. We hadden een nieuw systeem gekregen, met een computer op de balie, en na drie maanden ging hij kapot. Een hele week. Ik moest al die papiertjes invullen met carbon ertussen, en de mensen werden ongeduldig, en mijn hand deed zo'n pijn. Mijn man heeft hem 's avonds ingesmeerd met tijgerbalsem.” Ze glimlachte. „Hij heeft altijd zulke goede ideeën.”

Eva knikte en zei niets.

„Kunt u zich deze herinneren?” vroeg ze na een tijdje. „Zaterdag twaalf maart. M. Verhoef. Een boek over Saenredam.”

Joke keek lang naar het papier. Ze nam haar bril af, poetste hem aan haar vest en zette hem weer op. Buiten reed een scooter voorbij met een geluid als een kwade wesp.

„Het meisje met het haar,” zei ze toen.

Eva hield haar adem in.

„Het was zo slordig geknipt. Kort, zo kort als van een jongen, maar niet netjes. Alsof het met haast was gedaan. Ze had het net laten doen, je rook de haarlak nog. Ze zat er steeds aan te voelen, zo, in haar nek.” Joke deed het voor, haar hand achter haar oor, met kleine aaiende bewegingen. „Ik zei: nieuw kapsel? En ze zei: ja, nieuw alles. En toen lachte ze. Een beetje bang. Zo lachen meisjes als ze iets hebben gedaan wat ze al lang wilden en nu niet meer terug kunnen.”

„Wist ze haar nummer?”

„Uit het hoofd. Dat doen alleen echte lezers. Ik herinner me dat, omdat ze het opzei als een rijmpje. Drie één twee nul zeven, of zoiets. En ze had haar pas niet bij zich, dus ik heb dat opgeschreven, want dat moest van de chef. Pas vergeten. Nummer uit het hoofd.” Joke legde haar hand plat op het papier. „Ze leende dat boek over de kerken. Ik zei: dat is een mooi boek. Mijn man en ik hebben eens in het Rijksmuseum voor die kerken van hem gestaan. Al dat licht op die witte muren. Ze zei: daar ga ik over schrijven. Over licht.”

„Was ze alleen?”

„Ik denk het. Ik weet het niet. Ze vroeg hoe laat het was. Ik keek op de klok boven de deur. Het was tegen elven. En ze zei…” Joke fronste. „Ze zei: dan heb ik nog even. Om vier uur moet ik ergens zijn. Daarna ben ik vrij.”

Daarna ben ik vrij.

De zin bleef in de kamer hangen, tussen de viooltjes en de spritsen.

„Mevrouw van Dijk,” zei Eva voorzichtig. „Wist u toen wie ze was?”

Joke keek haar aan, en voor het eerst zag Eva iets in haar ogen wat op schuld leek.

„De week daarna hingen de posters overal,” zei ze. „Ook op onze deur. Mijn chef had er een opgehangen. Ik keek ernaar en ik dacht: hè. En toen dacht ik: nee. Dat meisje op de poster had lang haar, tot hier.” Ze wees naar haar schouder. „En er stond donderdag op. Donderdagavond verdwenen. En ik had dat meisje op zaterdag gezien. Dus dat kon niet. Mijn man zei: Joke, je ziet spoken. Bemoei je er niet mee. Die mensen hebben al genoeg aan hun hoofd.”

Ze zweeg, en haar handen frommelden aan een knoop van haar vest.

„Maar ik kon het niet laten,” zei ze. „Ik heb het nog gezegd hoor. Tegen een agent. Een paar dagen later. Er stond er een bij de sluis, toen ze daar met die honden liepen, en ik ben naar hem toe gegaan en ik heb het gezegd. Dat ik dacht dat ik dat meisje op zaterdag had gezien, maar met kort haar.”

Eva voelde haar hart in haar keel.

„Wat deed hij?”

„Hij heeft het opgeschreven,” zei Joke. „In zo'n boekje. Hij heeft mijn naam gevraagd en mijn adres, en hij heeft gezegd dat er iemand contact met me zou opnemen.” Ze keek naar het raam. „Er heeft nooit iemand contact met me opgenomen.”