Hoofdstuk 4: Rabarber
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het atelier van Ingrid Lam zat in een voormalige gymzaal achter een basisschool in Lunetten. Er hingen nog ringen aan het plafond, opgeknoopt aan de wandrekken, en op de vloer waren de lijnen van een basketbalveld te zien onder een laag kleistof. Langs de muren stonden planken vol schalen, kommen en vazen, grijs en blauw en een soort mosgroen, in alle stadia tussen nat en gebakken.
Ingrid zelf stond aan een draaischijf met haar handen in een klomp klei. Ze was klein, zoals op de foto, maar de pony was verdwenen en haar haar was kortgeknipt en grijs. Ze keek niet op toen Eva binnenkwam.
„Doe de deur dicht,” zei ze. „Het tocht.”
Eva deed de deur dicht en bleef staan. Ingrid liet de schijf uitdraaien, sneed de kom met een draadje los en zette hem op een plank. Pas toen veegde ze haar handen af aan haar schort en keek ze Eva aan.
„Laat zien.”
Eva gaf haar de kopie. Ingrid las hem staand, onder een tl-buis die zachtjes knetterde. Ze las hem lang, langer dan Oosterbeek had gedaan. Toen ging ze op een kruk zitten.
„Dat is haar handschrift niet,” zei ze. „Maar dat zal ook niet, hè. Dat heeft de bibliotheek ingevuld.”
„Ja.”
„Haar nummer.” Ingrid legde haar vinger op de cijfers. „Drie één twee nul zeven. Dat zei ze altijd als een soort liedje. Ze ging bijna elke week. Ik heb het niet onthouden, ik heb het geen seconde gedacht in dertig jaar, maar als ik het zie, hoor ik haar het zeggen.” Ze legde het papier op haar knie. „Wat wil je van mij?”
„Weten wat er die week gebeurde.”
Ingrid lachte, kort en zonder plezier. „Dat heeft de politie ook gevraagd. Twintig keer. Ik was er niet, dat is het probleem. Ik ging vrijdag om twaalf uur met de trein naar Den Helder en dan de boot. Mijn tante had een huisje op Texel. Ik zag Marloes donderdagochtend voor het laatst, aan het ontbijt. Ze had haar haar in een knot en zat met een boterham met hagelslag over een scriptieschema te zuchten. Dat was het.”
„Hoe was ze?”
„Gespannen. Ze ging die avond naar Daan. Ze wilde het uitmaken.” Ingrid keek naar haar handen. „Ze had het al een paar weken willen doen. Daan was niet makkelijk. Hij was slim en grappig en hij kon praten als een advocaat, wat hij nu ook is. Maar hij wilde altijd weten waar ze was. Hij belde op ons vaste nummer om elf uur 's avonds om te vragen of ze thuis was. Hij had een sleutel van haar kamer, en daar had ze spijt van. Een keer had hij midden in de nacht in de gang gestaan, gewoon omdat hij haar niet te pakken kreeg.”
„Heb je dat tegen de politie gezegd?”
„Natuurlijk. Daarom hebben ze hem zo vaak verhoord. Maar hij had een alibi. Zijn huisgenoot zei dat hij de hele nacht thuis was geweest, en daar kwam niemand doorheen.”
„Thijs?”
Ingrid keek op. „Je hebt je huiswerk gedaan.”
„Alleen een voornaam. Hij stond niet in het artikel.”
„Thijs Hoogland.” Ingrid stond op en liep naar een waterkoker in de hoek, waar ze twee mokken pakte die zelf gemaakt waren, scheef en mooi. „Hij studeerde geneeskunde. Hij is nu huisarts in Tuindorp. Thijs was de enige die normaal bleef, in die tijd. Daan stortte in, of deed alsof. Marloes' ouders waren kapot. Ik was een wrak. Thijs kookte. Hij kwam bij mij langs met pannen soep. Hij zei dat het niet mijn schuld was dat ik op Texel zat. Ik had dat nodig, dat iemand dat zei.”
Ze schonk heet water op twee theezakjes en gaf Eva een mok.
„Waarom mocht Daan het niet weten?” vroeg Eva.
Ingrid blies in haar thee. „Omdat ik hem niet vertrouw,” zei ze eenvoudig. „Ik heb hem nooit vertrouwd. Hij heeft een carrière, hij wordt rechter, hij heeft een hoop te verliezen. En als ik iets heb geleerd over Daan, is het dat hij heel goed weet wat hij te verliezen heeft.”
Eva zei niets over haar e-mail. Ze voelde de warmte van de mok in haar handen en keek naar een plank vol kommen die nog nat waren en glommen in het licht.
„Wil je Thijs spreken?” vroeg Ingrid. „Hij weet meer van Daan die avond dan wie ook. Ik zal hem een berichtje sturen. Hij is aardig, je zult het zien.” Ze glimlachte nu, voor het eerst. „Hij geeft je waarschijnlijk jam mee. Dat doet hij altijd.”
Thijs Hoogland belde nog diezelfde avond, toen Eva aan het afwassen was. Hij had een warme, wat lage stem, het soort stem dat je in een spreekkamer zou willen horen als het slecht nieuws was.
„Ingrid zegt dat je iets hebt gevonden,” zei hij. „Ik wil het heel graag zien. Ik ben morgen de hele ochtend op de tuin. Lukt het je om daarheen te komen? Het is mooier dan mijn praktijk, en de koffie is beter.”
De tuin bleek een volkstuincomplex langs de Kromme Rijn te zijn, aan de rand van de stad, waar het asfalt overging in een schelpenpad en de geluiden van de snelweg achter een rij populieren verdwenen. Tuinpark De Kromme Akker, stond op een houten bord bij het hek, met daaronder in kleinere letters: Honden aan de lijn. Snoeiafval op de composthoop, NIET in de sloot.
Eva liep met haar fiets aan de hand over het pad. Het was zaterdagochtend, koud en helder. Op de tuinen was het oogsttijd voorbij en het opruimen begonnen: mensen in fleecevesten trokken dode bonenstaken uit de grond, een vrouw zette een kruiwagen met bladeren om, iemand stookte iets wat zwaar en zoet rook. De meeste tuinen hadden een huisje, van planken of van steen, met een bankje ervoor en een regenton ernaast.
Kavel 37 viel op door zijn orde. De paden waren recht, afgezet met planken. De bedden lagen erbij alsof ze gekamd waren. Bij elke rij stond een paaltje met een wit labeltje, beschreven in kleine, nette blokletters: PREI – LANGE WINTER, KNOFLOOK – OKT, RABARBER (NIET PLUKKEN NA JULI). Het huisje achterin was van donkergroen geschilderd hout, met een raam met een geruit gordijntje en een betonnen stoepje ervoor.
Thijs Hoogland kwam uit het huisje met een thermoskan in zijn ene hand en twee bekers in de andere. Hij was lang, met een licht voorovergebogen houding die bij lange mannen hoort, en een gezicht dat vriendelijk was op de manier waarop gezichten na een leven van luisteren vriendelijk worden. Hij droeg een oude ribbroek met vlekken op de knieën.
„Eva,” zei hij, alsof ze elkaar al jaren kenden. „Ga zitten. Melk? Ik heb alleen havermelk, mijn vrouw heeft me bekeerd.”
Ze gingen op het bankje voor het huisje zitten. Hij schonk koffie in. Ze liet hem de kopie zien, en ze zag zijn handen stil worden.
Hij las het, legde het op zijn knie en keek een hele tijd naar de rabarber.
„Jezus,” zei hij zacht. „Zaterdag.”
„Ja.”
„Twaalf maart.” Hij wreef over zijn gezicht. „Weet je, het gekke is dat ik elk jaar op tien maart aan haar denk. Elk jaar. Ik zit in de spreekkamer of ik sta hier, en het is tien maart, en dan denk ik: nu is het zoveel jaar. En nu zeg je dat het misschien niet de tiende was.”
„Ik zeg niks,” zei Eva. „Ik heb een papiertje.”
Hij knikte langzaam. „Wat zegt Oosterbeek?”
Ze had niet verwacht dat hij de naam zou noemen. „Dat het niets betekent.”
„Dat zou hij zeggen.” Thijs glimlachte flauw. „Hij was een goede rechercheur, hoor. Grondig. Maar hij had zich vastgebeten. Iedereen had zich vastgebeten. Ze zochten naar die donderdagavond als honden naar een bal die in de sloot is gevallen.”
„En u? Wat denkt u dat er die avond gebeurde?”
„Je, alsjeblieft. Ik voel me al oud genoeg.” Hij dronk van zijn koffie. „Ik zat boven, die avond. Ik had een tentamen anatomie. Ik hoorde ze ruziën, beneden in de kamer van Daan. Dat was niet de eerste keer. Daan kon… hij kon heel hard worden. Niet slaan, dat heb ik nooit gezien. Maar met woorden. Hij wist precies wat hij moest zeggen om iemand klein te maken.” Thijs keek naar zijn handen. „Om een uur of elf sloeg de voordeur dicht. Ik keek uit het raam en zag haar wegfietsen. Daan kwam naar boven en vroeg of ik bier had. We hebben tot twee uur zitten praten. Daar heb ik nooit over gelogen.”
„Waarom zou u liegen?”
„Jij,” zei hij. „En dat bedoel ik. Ik heb nooit gelogen. Maar ik heb me dertig jaar afgevraagd wat er gebeurde nadat ik in slaap viel. Of Daan echt bleef liggen.” Hij zweeg even. „Dat heb ik nooit tegen de politie gezegd. Dat ik sliep. Dat ik het niet zeker wist. Ik was drieëntwintig. Ik wilde mijn vriend niet verraden. En hij was mijn vriend. Dat is hij misschien nog.”
Een merel landde op de rand van de regenton en vloog weer weg.
„Daan is nu iemand,” zei Thijs. „Rechter, hoor ik. Als hij iets te verbergen heeft, dan heeft hij nu meer te verbergen dan toen. Wees voorzichtig met hem.”
„Dat zei Ingrid ook.”
„Ingrid is verstandig.” Hij gaf de kopie terug en bleef er even naar kijken terwijl Eva hem in haar map schoof. „Is dit het origineel?”
„Nee. Het origineel ligt thuis. Ik wilde betere scans maken.”
„Thuis.” Hij trok een gezicht dat half bezorgd, half plagerig was, zoals een huisarts die een patiënt op zijn bloeddruk wijst. „Voorzichtig met zulke dingen, Eva. Papier is kwetsbaar. Leg het ergens waar het veilig is. Bij de politie, of in een kluis.”
„Ik ben archivaris,” zei ze. „Ik weet hoe ik papier moet bewaren.”
„Natuurlijk.” Hij stond op. „Wacht even.”
Hij verdween in het huisje en kwam terug met een glazen pot met een geruit dekseltje, net als het gordijntje. Op het etiket stond in dezelfde nette blokletters als op de labeltjes: RABARBER-GEMBER 2026.
„Van de plant daar,” zei hij, wijzend. „Die staat er al sinds mijn vader deze tuin had. Hij is ouder dan jij, waarschijnlijk. Rabarber is taai. Hij komt elk jaar terug, wat je ook doet.”
Ze nam de pot aan. Hij was zwaar en koel.
„Laat je me weten wat er verder gebeurt?” vroeg hij. „Ik wil het weten. Ik heb dat recht niet, maar ik wil het weten.”
„Ik laat het weten,” zei ze.
Ze zette de pot in de keuken, naast de broodtrommel. Sem was bij Marco, het was een zaterdag van Marco, en het huis was stil op een manier waar ze nooit helemaal aan gewend raakte. Ze werkte de rest van de middag aan haar schrift. Ze maakte een tijdlijn op een groot vel papier en hing het met plakband aan de muur boven de keukentafel. Donderdag, elf uur: Marloes fietst weg uit de Nobelstraat. Donderdag tot twee uur: Daan en Thijs praten boven. Vrijdag: niets. Zaterdag, ochtend: De Linde, Licht in de kerk. Dinsdag: fiets in de Vecht, op slot. Achttien april: inleverbus.
Tussen donderdagnacht twee uur en zaterdagochtend was er een gat, zo groot dat je er met een vrachtwagen doorheen kon.
Ze at een boterham met kaas en een lepel van de jam, staand bij het aanrecht. Hij was goed. Zuur en scherp, met stukjes gember die op haar tong prikten.
Om half twaalf ging ze naar bed. Ze sliep slecht en droomde over water.
Om kwart over zeven werd ze wakker van de buurvrouw van beneden, die op haar deur bonsde. Eva trok een vest aan en deed open. De buurvrouw, een oudere Turkse vrouw die elke ochtend om zes uur haar stoepje veegde, stond in de deuropening met haar bezem nog in haar hand.
„Uw fiets,” zei ze. „Kom kijken.”
De blauwe Gazelle stond waar Eva hem had neergezet, aan het hek voor het huis. Beide banden waren plat. Niet leeggelopen: opengesneden, met een lange, schone snee in het rubber, voor en achter.
Ze bukte zich. Tussen de spaken van het voorwiel was een papier geklemd, opgevouwen tot een strookje. Ze trok het eruit en vouwde het open.
Het was een fotokopie. Zwart-wit, korrelig, de kopie van een kopie van een kopie. Een jonge vrouw met lang haar en een lachje alsof ze net iets grappigs had gehoord. WIE HEEFT MARLOES GEZIEN?
Over het gezicht heen had iemand met zwarte stift geschreven, in grote, hoekige hoofdletters:
LAAT HAAR RUSTEN.