Hoofdstuk 3: De man met de hond

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het huis van Henk Oosterbeek stond aan het eind van een rij lage arbeiderswoningen, met de voorkant naar de Vecht. Eva zette haar fiets tegen een lantaarnpaal en bleef even staan. Over het water schoof een woonboot voorbij, of eigenlijk schoof het water langs de woonboot, die met een slap touw aan een paal lag. Een reiger stond op de kant alsof hij betaald werd om er te staan.

Het voortuintje was een vierkant grind met één buxus. Geen naambordje. Wel een sticker op de brievenbus: Geen reclame, ook geen huis-aan-huisbladen, ook geen kerstkaarten van de bank.

Ze drukte op de bel. Binnen begon een hond te blaffen, één keer, diep, en toen niet meer, alsof iemand hem met een blik had stilgezet. Het duurde lang voordat de deur openging.

De man in de deuropening was groter dan op de foto. Hij had een grijs vest aan met leren stukken op de ellebogen en een leesbril op zijn voorhoofd. Naast zijn been stond de hond, bruin met witte vlekken, de snuit grijs van ouderdom. De hond keek naar Eva met meer belangstelling dan zijn baas.

„Ik koop niks,” zei Oosterbeek.

„Ik verkoop ook niks. Mijn naam is Eva Brouwer. Ik ben archivaris. Ik wil u iets laten zien over Marloes Verhoef.”

Ze zag iets in zijn gezicht gebeuren, maar het was niet wat ze had verwacht. Geen schrik, geen nieuwsgierigheid. Eerder vermoeidheid, alsof een oude blessure weer opspeelde bij het verkeerde weer.

„Nee,” zei hij.

„Het duurt vijf minuten.”

„Dat zeggen ze allemaal. Weet u hoeveel mensen hier in dertig jaar aan de deur hebben gestaan? Journalisten. Studenten die een scriptie schrijven. Een vrouw die had gedroomd dat ze onder de Dom lag. Een man die zeker wist dat ze in Paraguay woonde.” Hij wees met zijn duim over zijn schouder, naar binnen. „Ik heb een la vol brieven van mensen die het zeker wisten.”

„Ik weet het niet zeker,” zei Eva. „Dat is het verschil.”

Hij keek haar aan. Ze hield haar map tegen haar borst en keek terug. De hond ging zitten, alsof dit wel even kon duren.

„Vijf minuten,” zei Oosterbeek. „In de gang.”


De gang rook naar hond en naar koffie die te lang op het plaatje had gestaan. Aan de kapstok hingen een regenjas, een hondenriem en een fluitje aan een koord. Eva opende de map en haalde de afdruk eruit, op ware grootte, in kleur. Het origineel had ze thuis, in een zuurvrije doos in de kast.

Oosterbeek zette zijn leesbril op zijn neus en hield het papier een eind van zich af. Hij las langzaam. Ze zag zijn ogen naar de datum gaan en daar blijven hangen. Toen naar de marge. Toen terug naar de datum.

„Waar komt dit vandaan?”

Ze vertelde het. Het depot, de bananendoos, de storingsweek. Ze vertelde het kort en zakelijk, zonder het meisje van negen bij de lantaarnpaal, en ze vertelde over de inleverbus.

„Achttien april,” herhaalde hij.

„Volgens de maandlijst van de bibliotheek.”

Hij gaf het papier terug. „Het zegt niks.”

„Het zegt dat iemand twee dagen na haar verdwijning op haar naam een boek leende.”

„Het zegt dat iemand op een stempel heeft gedrukt dat misschien goed stond en misschien niet. Het zegt dat een of andere medewerker een nummer heeft opgeschreven dat iemand opnoemde. Weet u hoe vaak mensen het verkeerde nummer opgeven? Weet u hoe vaak een stempel een week achterloopt?”

„Een week achter, ja. Niet twee dagen voor.”

Hij snoof. „Mevrouw Brouwer. Ik heb die zaak een jaar lang gedraaid. Dag en nacht. We hebben haar laatste avond minuut voor minuut uitgeplozen. Er waren getuigen. Er was een fiets in de Vecht. Ze kwam donderdagavond niet thuis, ze nam haar telefoon niet op, ze verscheen vrijdag niet op haar werkcollege, ze ging zaterdag niet naar haar oma in Deventer, wat ze had beloofd. Ze was weg. Ze was donderdagavond weg.”

„Wie heeft haar vrijdag gezocht? Zaterdag?”

„Niemand, want niemand wist het nog. Haar huisgenote was dat weekend op Texel. Ze kwam zondagavond terug, vond het vreemd en belde maandag. Zo gaat dat.” Hij duwde zijn leesbril omhoog. „U denkt dat u iets hebt gevonden wat wij over het hoofd hebben gezien. Dat is het altijd. Iedereen denkt dat.”

„Ik denk alleen dat u er misschien naar wilt kijken.”

„Er is een team voor oude zaken. Geef het daar maar af.”

„Dat heb ik gedaan. Ze bellen me misschien.”

Iets in de manier waarop ze het zei, maakte dat hij bijna glimlachte. Het verdween meteen weer. „Dan bellen ze u misschien,” zei hij. Hij deed de voordeur open. Buiten was de reiger verdwenen. „Wie had die paraaf?”

De vraag kwam zo terloops dat ze bijna niet doorhad dat het een vraag was.

„Joke van Dijk,” zei ze. „Ze werkte daar tot 2004.”

Oosterbeek knikte, niet naar haar, eerder naar zichzelf. „Goed,” zei hij. „Dag mevrouw Brouwer.”

De deur ging dicht. Ze hoorde de hond aan de andere kant even zuchten, een lange, bijna menselijke zucht, en toen niets meer.


Ze fietste niet meteen naar huis. Ze reed langs de Vecht naar het zuiden, de stad in, onder het spoor door en langs de Weerdsingel, waar het water donker en traag tussen de kademuren lag. Bij de Weerdsluis stapte ze af.

Het was een gewone sluis. Twee stel deuren, een brug erover, een bordje voor de bootjes. Een man met een bakfiets wachtte tot het stoplicht op groen sprong. Aan de overkant zat een stel studenten op een bankje met blikjes bier, hoewel het pas drie uur was. Ze probeerde zich de plek voor te stellen in maart 1994, met agenten op de kademuur en een fiets die uit het water werd getakeld, druipend, met het slot er nog op.

Het slot er nog op.

Ze had het gelezen en er niet bij stilgestaan. Als je fiets in het water belandt omdat iemand je van je fiets trekt, zit het slot er niet op. Dan zit het slot open, of ligt het op straat, of hangt het aan je stuur. Een fiets met het slot erop is een fiets die ergens geparkeerd heeft gestaan. Of een fiets die iemand op slot heeft gezet voordat hij hem in het water gooide, omdat hij er niet bij nadacht. Of juist wel.

Ze schreef het op in haar schrift, op het bankje naast de studenten, die haar nieuwsgierig bekeken. Daarna fietste ze naar huis en zette water op voor thee en vergat het daarna op te gieten.

Op haar laptop zocht ze de namen van de mensen uit Marloes' leven. Het artikel van 2014 noemde er een paar. De huisgenote heette Ingrid. De vriend D.K. Er was nog een zin over een huisgenoot van de vriend, een medestudent die verklaarde dat D.K. die avond thuis was gebleven. Geen naam.

Ingrid was makkelijker dan ze dacht. Een oud jaarboek van een studentenvereniging, gedigitaliseerd door een enthousiaste oud-lid, met een groepsfoto uit 1993 en een onderschrift: v.l.n.r.: Femke de Bruin, Marloes Verhoef, Ingrid Lam, Sanne Rietveld. Marloes stond in het midden, met haar lange haar in een staart en een appel in haar hand. Ingrid Lam was een klein meisje met een pony en een groot T-shirt.

Ingrid Lam bleek tegenwoordig pottenbakker te zijn, met een atelier in Lunetten en een website met foto's van grijsblauwe schalen. Er stond een contactformulier op.

Eva schreef drie versies van een bericht en verstuurde de kortste. Beste Ingrid Lam, ik ben archivaris en ben bij mijn werk iets tegengekomen dat met Marloes Verhoef te maken heeft. Ik zou er graag met u over praten. Het spijt me als dit oude wonden openhaalt. Ze zette haar telefoonnummer eronder.

D.K. was moeilijker en tegelijk makkelijker. Ze had de naam niet, maar ze had wel een vermoeden, en een vermoeden is voor een archivaris bijna hetzelfde als een zoekterm. Het jaarboek van de studentenvereniging had ook een pagina met de rechtenfaculteit. Een jongen met een smal gezicht en een colbert dat te groot was: Daan Kuipers, praeses debatclub. Daan Kuipers bleek nu partner bij een advocatenkantoor aan de Maliebaan. Twee weken geleden had een landelijke krant gemeld dat hij was voorgedragen als rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank. Op de foto bij dat bericht was hij grijs geworden, maar het smalle gezicht was hetzelfde.

Ze aarzelde lang bij het e-mailadres van het kantoor. Toen schreef ze een bericht dat bijna hetzelfde was als het eerste, maar zakelijker. Ze verstuurde het, sloot de laptop en voelde zich alsof ze een steen in een vijver had gegooid zonder te weten hoe diep de vijver was.


Om half negen belde een nummer dat ze niet kende.

„Brouwer.”

„Met Oosterbeek.” Op de achtergrond hoorde ze een televisie, zacht, en de nagels van een hond op een houten vloer. „Ik heb nagedacht.”

Ze wachtte.

„U moet dit loslaten,” zei hij.

„Waarom?”

„Omdat u niet weet waar u aan begint. Omdat er een moeder in Deventer zit die al dertig jaar elke keer als de telefoon gaat denkt dat het nu is. Omdat u met een papiertje rondloopt en denkt dat het een sleutel is, en dat is het niet. Het is een papiertje.” Hij zweeg. „Ik heb het dertig jaar met me meegedragen, mevrouw Brouwer. Ik weet hoe zwaar zo'n ding wordt.”

„Waarom belt u dan?”

Het bleef lang stil. Ze hoorde de televisie. Iemand lachte, een publiek dat op commando lachte.

„Joke van Dijk,” zei hij ten slotte. „Leeft ze nog?”

„Dat weet ik niet.”

„Zoek het niet uit,” zei hij, en hij hing op.

Eva bleef met de telefoon in haar hand zitten. Het was een vreemd gesprek geweest. Hij had haar gebeld om te zeggen dat ze moest stoppen, en hij had haar daarbij precies verteld waar ze verder moest zoeken.

Om tien over één, toen ze eindelijk in slaap was gevallen, trilde de telefoon op het nachtkastje. Ze greep ernaar. Een e-mail, via het contactformulier van de website van Ingrid Lam, maar beantwoord vanaf een privéadres.

Bel me niet. Kom langs, morgen, na vieren, atelier. En vertel niemand dat je dit hebt gevonden. Vooral Daan niet.

Eva las het twee keer. Toen dacht ze aan het bericht dat ze die middag naar het kantoor aan de Maliebaan had gestuurd, en ze lag de rest van de nacht met haar ogen open naar het plafond te kijken.