Hoofdstuk 2: Zaterdag twaalf maart
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Thuis in Lombok trok Eva haar natte broek uit in de gang, hing hem over de verwarming en ging in haar trainingsbroek aan de keukentafel zitten met haar laptop. Beneden, in de Kanaalstraat, sloot de groenteboer zijn luiken met een ratelend geluid. Het rook in huis naar de uien die Sem gisteren had gebakken en niet had opgeruimd.
Ze begon bij het begin, zoals ze dat altijd deed.
Het online krantenarchief gaf haar meer dan ze had verwacht. Woensdag 16 maart 1994, voorpagina van de regionale krant: Zorgen om vermiste studente. Een kort stuk, met dezelfde foto als op de lantaarnpaal. Marloes Verhoef, 22 jaar, was maandag als vermist opgegeven door haar huisgenote. Dinsdagmiddag hadden medewerkers van de gemeente bij het schoonmaken van de Vecht een damesfiets uit het water getrokken bij de Weerdsluis, een zwarte omafiets met een rood zadel. Het slot zat er nog op. De fiets was van Marloes.
Daarna werden de stukken langer. Een zoekactie met vrijwilligers langs de singels. Duikers. Een foto van agenten met een hond op de Weerdsingel, mannen in regenjassen die over de kademuur naar beneden keken. Een citaat van een politiewoordvoerder: We sluiten niets uit, maar we houden ernstig rekening met een misdrijf.
Op 22 maart: Vriend vermiste studente verhoord. Geen naam, alleen dat hij 24 was, rechten studeerde en met Marloes een relatie had van ruim een jaar. Op de avond van haar verdwijning hadden ze bij hem thuis ruzie gehad. Volgens zijn huisgenoot was de vriend daarna de hele avond en nacht thuis gebleven. Er is geen reden om aan die verklaring te twijfelen, zei de woordvoerder.
Eva schreef alles op in een schrift met harde kaft, met datum en bron, in kolommen. Ze wist dat ze het ook in een document kon zetten. Maar met de hand schrijven dwong haar langzaam te lezen.
In april werd het stiller. Een stuk over de ouders, die een beloning uitloofden. Een stuk over een helderziende uit Nieuwegein die de politie had gebeld. In mei een ingezonden brief van een buurtbewoner uit de Biltstraat die vond dat de verlichting langs de singel beter moest. Daarna niets, tot een herdenking in 1995 bij de Weerdsluis, met bloemen op de kade.
Ze vond in het hele archief geen enkele vermelding van zaterdag 12 maart.
Om negen uur hoorde ze Sem de trap op komen, met dat zware stampen dat betekende dat hij zijn schoenen niet had losgemaakt. Hij stond in de deuropening met een natte capuchon en een zak chips.
„Je zit er raar bij,” zei hij.
„Dank je.”
„Nee, echt. Je hebt dat gezicht.” Hij trok een stoel bij en keek over haar schouder. „Wie is dat?”
Ze overwoog heel even om te liegen. Toen draaide ze het scherm een stukje naar hem toe. „Een studente die in 1994 verdwenen is. Ik heb vandaag in het depot een papiertje gevonden met haar naam erop.”
„Wat voor papiertje?”
„Een uitleenbewijs. Van de bibliotheek. Ze heeft een boek geleend.”
Sem haalde zijn schouders op. „Ja, en?”
„Twee dagen nadat ze verdwenen was.”
Hij keek naar de foto, en toen naar haar, en at een chip. „Creepy,” zei hij ten slotte. „Ga je het aan de politie vertellen?”
„Morgen.”
„Krijg je dan een beloning?”
„Sem.”
„Ik vraag het gewoon.” Hij stond op, met de zak chips. „Doe je deur op slot,” zei hij, op weg naar zijn kamer, en ze wist niet of het een grap was.
De volgende ochtend kwam Lotte Vermeulen het depot binnen met een harde schijf onder haar arm en een fietshelm die ze vergat af te zetten. Ze was vierendertig, had een rood gemillimeterd kapsel en sprak altijd alsof ze een vergadering voorzat die al uitliep.
„J.v.D.,” zei ze, voordat ze haar jas uit had. „Ik heb gisteravond de personeelslijsten erbij gepakt. Die hebben we ook, in doos negen. Joke van Dijk. Ze werkte daar van 1979 tot de sluiting. Waarom wil je dat weten?”
Eva legde de hoes op tafel en wachtte tot Lotte had gelezen. Ze zag het moment waarop Lotte het begreep. Het was ongeveer hetzelfde moment als bij haarzelf, gisteren: eerst niets, dan de naam, dan de datum, dan een kleine, stomme stilte.
„Dat meisje van de posters,” zei Lotte.
„Ja.”
„Weet je het zeker?”
„Nee. Daarom wil ik het niet zelf uitzoeken. Ik wil het aan de politie geven.”
Lotte trok haar helm af en legde hem naast de hoes, en Eva schoof de hoes een stukje opzij. Lotte zag het en glimlachte er niet om. Ze ging zitten.
„Oké,” zei ze. „Even nadenken. Dit valt onder het project. Het zijn persoonsgegevens. De subsidie is van de gemeente en de provincie, en het bestuur gaat over alles wat naar buiten gaat. Als dit in de krant komt voordat het bestuur het weet, dan…” Ze maakte de zin niet af.
„Dan wat?”
„Dan hebben we een probleem. Wij zijn een stichting met drie betaalde krachten en een loods vol bananendozen, Eva. We zijn geen opsporingsdienst.”
„Ik wil het ook niet in de krant. Ik wil het aan de politie geven.”
„Dat snap ik.” Lotte keek naar het velletje. Haar stem werd zachter. „Natuurlijk moet het naar de politie. Doe maar. Ik bel vandaag de voorzitter. Maar hou het verder alsjeblieft binnenskamers, goed? Geen social media, niks.”
„Ik zit niet op social media.”
„Nee,” zei Lotte, „dat is waar ook.”
Het nummer voor tips was een landelijk nummer. Eva luisterde naar een bandje, drukte op een toets, luisterde naar een ander bandje en kreeg uiteindelijk een vrouw aan de lijn die vriendelijk en geroutineerd klonk. Ze vroeg om Eva's naam, adres en geboortedatum. Daarna vroeg ze waar de tip over ging.
„Een vermissing uit 1994,” zei Eva. „Marloes Verhoef. In Utrecht.”
Ze hoorde getik op een toetsenbord.
„En wat is uw informatie?”
Eva legde het uit. De storingsweek. De doorslag. De datum. Ze hoorde zichzelf praten en merkte dat het, uitgesproken in een telefoon, minder klonk dan het was. Een papiertje. Een stempel. Een paraaf.
„Ik zet het door naar het team dat over oude zaken gaat,” zei de vrouw. „Zij nemen contact met u op als ze meer willen weten.”
„Wanneer ongeveer?”
„Dat kan ik u niet zeggen, mevrouw. Het kan een paar dagen duren. Of langer. Bewaart u het document goed.”
„Ik ben archivaris,” zei Eva. „Ik bewaar alles goed.”
„Fijn,” zei de vrouw. „Dank u wel voor uw melding.”
Eva legde de telefoon neer en keek naar de stellingen. Dertig jaar lang had het velletje in een bananendoos gezeten. Het zou nu waarschijnlijk nog een paar maanden in een computer zitten, ergens in een map met andere tips, tussen helderzienden en mensen die Marloes in een Spaanse bar hadden gezien.
Ze opende het artikel uit 2014 opnieuw. Halverwege stond een alinea die ze gisteren te snel had gelezen. Rechercheur Henk Oosterbeek, die het onderzoek destijds leidde en inmiddels met pensioen is, wilde niet reageren. 'Ik heb er alles over gezegd wat ik erover kan zeggen,' liet hij weten.
Henk Oosterbeek. Ze zocht op de naam. Een artikel uit 2019 over een hondenvereniging in Zuilen die een nieuwe trainingsweide had gekregen, met een foto van een grijze man met een pet die een bruinwit gevlekte hond aan de lijn hield. H. Oosterbeek (61), voorzitter van de vereniging: 'Een hond die niet luistert, heeft meestal een baas die niet oplet.'
Het was een korte zin, maar hij beviel haar.
In een online telefoongids stond een H. Oosterbeek op een adres aan de Zuilense kant van de Vecht. Ze schreef het op in haar schrift en sloeg het dicht.
Die middag werkte ze door, cassette na cassette, maar haar hoofd was er niet bij. Ze merkte dat ze bij elk roze of geel velletje haar adem inhield, alsof er nog meer kon komen. Er kwam niets meer. Uit de week na de storing waren de gewone boekkaarten bewaard, en die vertelden alleen wélk boek er was uitgeleend, niet aan wie. De lenersgegevens zaten in het computersysteem van toen, en dat systeem bestond niet meer.
„Behalve…” zei Lotte, toen Eva het bij haar vertrek nog eens hardop vroeg. Ze stond al bij de deur met haar helm op. „Er zijn printjes. De Linde draaide elke maand een lijst uit met teruggebrachte boeken en boeken die te laat waren. Voor de aanmaningen. Een paar jaargangen zitten in doos negen, bij het personeel. Die heb ik nog niet bekeken.”
„Kun je dat doen?”
Lotte aarzelde. Toen knikte ze. „Vanavond. Maar ik beloof niks.”
Eva fietste naar huis over de Cartesiusweg en de Vleutenseweg, met de wind tegen en de regen in haar gezicht. Ze kookte pasta voor Sem en zichzelf, keek half naar het journaal, hoorde Sem gamen met een koptelefoon op en zijn stem toch door de muur. Om half elf zat ze in bed met het schrift op haar knieën.
Om tien over twaalf ging haar telefoon.
„Sorry,” zei Lotte. Ze klonk wakker, te wakker. „Ik weet dat het laat is. Ik ben het aan het doorzoeken. Ik kon niet stoppen.”
„Geeft niet. Wat heb je?”
„De lijst van april 1994. Teruggebrachte boeken. Ik heb hem hier voor me.” Er ritselde papier. „Licht in de kerk, Saenredam en Utrecht. 755.2 SAEN. Lenersnummer 31207.”
Eva ging rechtop zitten.
„Ingeleverd op 18 april 1994,” zei Lotte. „Er staat een code bij. IB. Ik heb het opgezocht in de legenda. Inleverbus.”
Het bleef even stil aan beide kanten van de lijn.
„Achttien april,” zei Eva.
„Vijf weken nadat ze verdwenen was. Toen die posters overal hingen. Toen haar fiets al lang uit de Vecht was gehaald.” Lotte haalde adem. „Eva, iemand heeft dat boek teruggebracht. Iemand heeft het 's nachts of 's avonds in die bus gegooid en is gewoon weer naar huis gefietst.”
Eva keek naar het raam. Het rolgordijn was half open; buiten scheen het licht van een straatlantaarn op de natte dakgoot aan de overkant.
„Lotte,” zei ze. „Heb je de voorzitter gebeld?”
„Ja. Vanmiddag.”
„Wat zei hij?”
„Dat we het netjes moesten afhandelen. Dat jij het aan de politie moest geven en dat we het daarna moesten laten rusten.” Lotte zweeg even. „Ik heb hem verder niks verteld. Ook niet over dit.”
„Hou dat zo,” zei Eva, en ze verbaasde zich over hoe vast haar stem klonk.
Ze lag nog lang wakker. Niet omdat ze bang was, hield ze zichzelf voor, maar omdat er iets niet klopte, en ze kon slecht slapen als iets niet klopte. Een vrouw verdwijnt op donderdag. Op zaterdag leent iemand op haar naam een boek. Vijf weken later brengt iemand dat boek terug.
Als het Marloes zelf was die op zaterdag in De Linde had gestaan, dan had de politie dertig jaar lang naar de verkeerde avond gekeken.
En als zij het niet was geweest, dan was het iemand die haar nummer kende.