Hoofdstuk 1: Storingsweek
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het depot rook naar karton en koude radiatoren. Eva Brouwer had haar jas aangehouden, zoals elke dinsdag, en de mouwen tot over haar knokkels getrokken. Buiten, achter de golfplaten wand, denderden vrachtwagens over de Atoomweg. Binnen was het stil op het zoemen van de scanner na, en op het geritsel van papier dat ze zelf maakte.
Bananendoos nummer 214. Op de zijkant had iemand jaren geleden met viltstift geschreven: De Linde – uitleen 93/94 – NIET WEGGOOIEN. De laatste twee woorden waren drie keer onderstreept.
Ze tilde de doos op de werktafel, sneed de tape los en vouwde de flappen open. Houten cassettes, smal en diep, zoals ze ze kende van foto's uit oude bibliotheken. Elke cassette vol kaartjes, rechtop, met tabbladen van groen karton ertussen. Op de tabbladen stonden data.
Leeszaal De Linde was in 2004 gesloten. Een klein wijkfiliaal in Wittevrouwen, twee etages in een voormalige bakkerij, met een leeshoek voor kinderen waar volgens Lotte Vermeulen nog steeds mensen weemoedig over deden. Toen het pand verkocht werd, had een conciërge met gevoel voor geschiedenis de administratie niet in de papiercontainer gegooid maar in bananendozen gestopt. Die dozen waren via een zolder, een kerkkelder en een garagebox uiteindelijk hier beland, in een loods op Lage Weide die de Stichting Utrechts Leesgeheugen huurde van een verhuisbedrijf.
En nu zat Eva hier, voor vierenveertig euro per uur, om er iets van te maken wat de stichting op haar subsidieaanvraag een doorzoekbaar digitaal leesgeheugen van de stad had genoemd. In de praktijk betekende het: elk kaartje scannen, de gegevens overtypen in een spreadsheet, de persoonsgegevens afschermen en de leestrends eruit halen. Wat lazen mensen in Wittevrouwen in 1987? Veel Maarten 't Hart, bleek. En verbazend veel boeken over zelf brood bakken.
Ze trok de eerste cassette naar zich toe. Op het groene tabblad stond: 7–12 mrt '94 – STORING.
Eva fronste. De meeste kaartjes uit die jaren waren boekkaarten, voorgedrukt, met een gaatjespatroon aan de bovenkant. Wat hier zat, was anders: dunne velletjes in drie kleuren, wit, geel en roze, met een vaag blauw waas van carbon. Doorslagen. Ze haalde er een uit en hield het onder de lamp.
Leeszaal De Linde – uitleenbewijs (noodprocedure), stond er in een saaie drukletter bovenaan. Daaronder vakjes: lenersnummer, naam, adres, titel, plaatsingsnummer, datum, paraaf. Alles met de hand ingevuld, in balpen, zo hard aangedrukt dat de letters op de achterkant voelbaar waren.
Ze begreep het meteen. In het voorjaar van 1994 waren de meeste bibliotheken al overgestapt op computers, maar computers vielen uit. Een week lang had De Linde het moeten doen zoals vroeger: alles op papier, met een doorslag voor de lener en een voor de administratie. Iemand had beloofd de gegevens later in te voeren en dat had iemand anders nooit gedaan. Daarom bestonden deze velletjes nog.
Ze glimlachte. Dit was het soort vondst waarvoor ze dit werk deed. Niet de grote dingen, niet de handtekening van een beroemde schrijver op een lenerspas, maar een week in een gewone wijk, vastgelegd door een paar medewerkers die het systeem wantrouwden en dus alles dubbel bewaarden.
Ze legde de velletjes een voor een op de glasplaat. Klik, licht, gezoem. Een man uit de Jan van Scorelstraat had drie reisgidsen over Portugal geleend. Een mevrouw uit de Gruttersdijk de nieuwe Hella Haasse. Iemand met een onleesbare naam vijf kinderboeken tegelijk, met in de marge de opmerking let op: had vorige keer 2 wk te laat.
Om half twaalf at ze haar boterham met oude kaas aan de werktafel, met haar ellebogen opzij om het papier niet te raken. Ze keek op haar telefoon. Een berichtje van Sem: mam kan ik vanavond bij Jesse eten. Ze typte terug dat het goed was, mits hij om negen uur thuis was en zijn fietslamp het deed. Hij stuurde een duim. Veertien jaar en hij communiceerde inmiddels voornamelijk in duimen.
Het was kwart over één toen ze bij het velletje kwam.
Ze had het al op de glasplaat gelegd, het deksel al dichtgeklapt, toen haar oog op het scherm bleef hangen. Ze wist niet meteen waarom. Het handschrift was hetzelfde als op de kaartjes ervoor, rond en schuin, met een krul aan de V. De titel had iets plechtigs: Licht in de kerk. Saenredam en Utrecht. Plaatsingsnummer 755.2 SAEN. Lenersnummer 31207. Datumstempel in paarse inkt, iets scheef: 12 MRT 1994. Paraaf: J.v.D.
Naam: M. Verhoef. Adres: Biltstraat, met een huisnummer erachter.
En in de marge, kleiner, in hetzelfde handschrift: pas vergeten – nr. uit het hoofd.
Eva klapte het deksel open en pakte het velletje op. Het roze papier was zacht geworden, bijna als stof. Ze las de naam nog eens. M. Verhoef. Biltstraat.
Er kwam een beeld boven dat ze in geen jaren had gezien. Een lantaarnpaal in de Kanaalstraat, de paal bij de bakker op de hoek, waar haar moeder haar fiets altijd tegen zette. Een A4'tje in een plastic hoesje, met plakband eromheen gewikkeld tegen de regen. Een zwart-witfoto van een jonge vrouw met lang haar en een lachje alsof ze net iets grappigs had gehoord. Daarboven, in vette letters: WIE HEEFT MARLOES GEZIEN?
Ze was negen geweest. Ze had elke ochtend naar die foto gekeken terwijl haar moeder het brood afrekende, en ze had zich voorgesteld dat Marloes ergens in een kelder zat en dat Eva haar zou vinden, omdat Eva goed was in dingen vinden. Ze vond altijd de sleutels van haar vader. Ze had een keer een gouden ring gevonden in de zandbak van het Bankaplein.
Na een paar weken was het hoesje gescheurd. Daarna was het papier verdwenen. Er was een ander papier voor in de plaats gekomen, over een poes die Tijger heette.
Eva legde het velletje terug op tafel, heel voorzichtig, alsof het kon breken. Ze pakte haar telefoon en typte met koude vingers: Marloes Verhoef 1994 vermist Utrecht.
De eerste treffer was een artikel van een lokale nieuwssite uit 2014. Twintig jaar na de verdwijning van Marloes: de vragen blijven. Een foto die ze herkende, dezelfde foto, nu in kleur. Bruin haar tot over de schouders, een rode sjaal, een kraag van een spijkerjasje. Ze scrolde.
Marloes Verhoef (22), studente kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, werd voor het laatst gezien op donderdagavond 10 maart 1994, rond elf uur, toen ze de woning van haar vriend in de Nobelstraat verliet. Ze zou op de fiets naar haar kamer in de Biltstraat gaan, een afstand van nog geen tien minuten. Ze kwam daar nooit aan. Vijf dagen later werd haar fiets uit de Vecht gehaald bij de Weerdsluis. Van Marloes zelf is nooit een spoor gevonden.
Donderdagavond 10 maart.
Eva keek naar het velletje. 12 MRT 1994. Ze telde het na op haar vingers, wat belachelijk was, maar ze deed het toch. Donderdag de tiende. Vrijdag de elfde. Zaterdag de twaalfde.
Twee dagen na haar verdwijning had iemand in Leeszaal De Linde een boek geleend op naam van Marloes Verhoef.
Ze stond op en liep een rondje door de loods, langs de stellingen met dozen, langs de rolcontainer met lege cassettes, langs de deur naar het kantoortje waar het koffiezetapparaat stond dat alleen werkte als je er een tik tegen gaf. Ze gaf er een tik tegen. Het apparaat begon te pruttelen.
Rustig, dacht ze. Er was vast een verklaring.
Een stempel kon verkeerd staan. Iedereen die met oude administratie werkte, wist dat. Een medewerker vergat 's ochtends het datumstempel door te draaien en een hele dag kreeg de datum van gisteren. Maar dat werkte de andere kant op. Je kon vergeten een dag verder te draaien. Je draaide niet per ongeluk twee dagen vooruit.
Of wel? Ze dacht na. Misschien was het stempel op vrijdag al op zaterdag gezet, omdat iemand iets wilde voorbereiden. Dan nog was het zaterdag of vrijdag. Allebei ná donderdagavond.
Een andere Verhoef, dan. Verhoef was geen zeldzame naam. Een M. die toevallig ook in de Biltstraat woonde, op hetzelfde nummer als in het artikel. Ze keek het na. Het artikel noemde geen huisnummer. Dat had ze kunnen verwachten. Maar het noemde wel de Biltstraat, en het noemde kunstgeschiedenis, en op het velletje stond een boek over een zeventiende-eeuwse schilder die Utrechtse kerken had getekend.
Ze nam haar koffie mee naar de werktafel en ging zitten. Ze dwong zichzelf eerst het werk af te maken. Dat was het archivarissenhart in haar, dat haar ex-man Marco altijd haar dwangmatige kant had genoemd: je haalt een stuk niet uit zijn context voordat je de context hebt vastgelegd. Ze scande de rest van de cassette. Vierenvijftig velletjes uit de storingsweek, van maandag 7 tot en met zaterdag 12 maart. Op zaterdag was De Linde alleen 's ochtends open geweest, van tien tot één, zag ze aan de verdeling. Elf uitleningen die zaterdag. Het velletje van M. Verhoef was het zesde.
Daarna niets meer. Op het volgende groene tabblad stond 14 mrt – systeem weer OK en daarachter zaten weer de gewone kaarten.
Ze legde het velletje apart, in een zuurvrije hoes, en schreef met potlood op het etiket: doos 214, cass. 1, nr. 38. Toen haalde ze het er toch weer uit en scande het opnieuw, nu op twaalfhonderd dpi, voor- en achterkant, met en zonder strijklicht. Op het strijklicht kwamen de indrukken van de balpen scherp naar voren. Er stond niets wat ze niet al had gezien. Alleen dat de hand die pas vergeten had geschreven iets gehaast leek, de letters schuiner dan bij de rest.
Pas vergeten. Nummer uit het hoofd.
Iemand die geen pas bij zich had, maar haar lenersnummer kende. Vijf cijfers, uit het hoofd. Eva kende haar eigen pasnummer van de bibliotheek niet eens. Ze kende de pincode van haar bankpas en het kenteken van de auto van haar vader, die al zes jaar dood was. Een lenersnummer onthoud je alleen als je het vaak opgeeft.
Of als je het van iemand hebt geleerd.
Ze pakte haar telefoon weer en las het artikel helemaal. De vriend, die in het stuk D.K. heette, was destijds uitgebreid verhoord en nooit aangehouden. Er was gedoken in de Vecht en in de Stadsbuitengracht. Er waren honden ingezet langs de Weerdsingel. Er waren tips binnengekomen uit Groningen, uit Maastricht, uit een camping in de Ardennen. De moeder van Marloes, die in Deventer woonde, zei in het artikel: Ik wil alleen weten waar ze is. Meer vraag ik niet meer.
Onderaan het stuk stond een zin die Eva drie keer las. De politie gaat er nog altijd van uit dat Marloes op de avond van 10 maart, kort nadat ze de Nobelstraat verliet, slachtoffer is geworden van een misdrijf.
Op de avond van 10 maart.
Buiten begon het te regenen, het harde, schuine soort dat in oktober over Lage Weide trok alsof het ergens haast had. Het geluid op de golfplaten was oorverdovend. Eva keek naar het roze velletje in zijn plastic hoes en dacht aan een studente met lang haar die op een zaterdagochtend een boek over licht in kerken kwam lenen, haar pas vergeten was, en haar nummer zonder aarzelen opnoemde.
Of aan iemand anders, die precies wist welk nummer hij moest noemen.
Haar telefoon trilde. Lotte. Hoe gaat het met de dozen? Ik kom morgen even langs met de nieuwe harde schijf.
Eva typte: Goed. Ik moet je morgen iets laten zien. Ze keek naar het bericht, wiste het, en typte opnieuw.
Lotte, wie had er bij De Linde de paraaf J.v.D.?
Ze drukte op verzenden voordat ze zich kon bedenken. Toen bleef ze zitten, haar handen om de koffiebeker die allang koud was, en luisterde naar de regen, en besefte dat ze voor het eerst in maanden niet wilde dat het vijf uur werd.