Hoofdstuk 9: Ruzie op de Turfmarkt

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het begon op vrijdagochtend, om half negen, op de stoep voor de bibliotheek.

„Het is de grafsteen,” zei Fleur. „Ik weet het zeker. Ik heb er de hele nacht over nagedacht. ‚Onder mijn naam, achter het jaar.’ Op een graf staat je naam. En het jaar. Dat is gewoon logisch.”

„Maar waarom zou hij iets op zijn eigen graf verstoppen?” zei Sami. „Toen hij het spoor maakte, was hij nog niet eens dood. Het was 1952.”

„Misschien heeft hij het later verstopt.”

„Dan had hij het in 1952 nog niet kunnen opschrijven.”

Fleur deed haar mond open en weer dicht. Sami zag dat ze daar geen antwoord op had. Hij had beter zijn mond kunnen houden. Maar hij hield hem niet.

„Het zit hier,” zei hij. „In de bibliotheek. Achter die kast in de hal. Dat voel ik gewoon. We moeten Joris vragen of hij hem nu wil wegschuiven.”

„Dat voel je gewoon,” zei Fleur. „Dat is geen bewijs.”

„Een grafsteen is ook geen bewijs.”

„Jij denkt dat het jouw speurtocht is.” Fleur trok haar sjaal strakker om haar nek. „Jij hebt de kist gevonden, dus jij mag alles beslissen. Jij hebt de klok gevonden. Jij kon het spiegelschrift lezen. En ik sta er maar naast.”

„Dat is niet waar.”

„Wel waar.”

Sami voelde iets heets in zijn buik. Iets wat hij niet wilde voelen. En toen zei hij het. Hij wist al terwijl hij het zei dat het fout was.

„Jij leest altijd alles,” zei hij. „Maar je ziet nooit iets.”

Het werd heel stil op de stoep. Een man op een scooter reed voorbij. Een meeuw krijste op het dak van de bibliotheek.

Fleur keek hem aan. Haar ogen werden glanzend. Ze zei niets. Ze draaide zich om, stapte op haar fiets en reed weg. Haar sjaal wapperde achter haar aan, rood en veel te lang, de hele Turfmarkt over, tot ze de hoek om was.


Binnen was het een gekkenhuis. Henk en een andere verhuizer droegen kasten naar buiten. Wendy plakte etiketten op dozen. Joris stond op een ladder lampen los te schroeven.

Sami liep naar de grote kast in de hal. Hij stond er nog. Vol folders over yoga en zwemles en de Kinderboekenweek. Bovenop stond een plastic plant.

Hij ging plat op de grond liggen en scheen met de lamp van zijn telefoon in de smalle kier tussen de kast en de muur. Hij zag stof. Een dode spin. En daarachter iets grijs. Iets glads. Het kon steen zijn. Het kon ook gewoon muur zijn.

„Sami.” Joris stond onder aan de ladder. „Wat doe je?”

„Mag deze kast vandaag weg? Ik denk dat er iets achter zit.”

Joris kwam naar hem toe en hurkte naast hem neer. Hij keek in de kier. „Ik zie niks.”

„Daarom moet hij weg.”

Joris wreef over zijn ogen. Hij had donkere kringen. „Morgen om acht uur komt de verhuiswagen. Dan gaat die kast als eerste weg, want hij moet naar de kringloop. Maar vandaag niet. Ik heb geen tijd om duizend folders in dozen te doen. En ik wil niet dat iemand hem op zijn tenen krijgt. Morgen. Oké?”

„Oké,” zei Sami.

Maar het was niet oké. Niks was oké.


Hij werkte die ochtend zonder te praten. Hij droeg dozen naar de verhuiswagen die al half gevuld voor de deur stond. Om twaalf uur zei Joris dat hij naar huis mocht.

Thuis zat Lina op de bank. Oma had haar teruggebracht, want oma moest naar de tandarts. Ze had haar pyjama nog aan, al was het middag, en ze zat met een prentenboek op schoot.

„Sami. Lees je voor?”

„Ik ben moe.”

„Toe nou. Eén.”

Hij ging naast haar zitten. Het boek ging over een egel die zijn huis kwijt was. Sami begon te lezen. Langzaam, zoals altijd. Hij struikelde over een woord. Hij las het opnieuw.

Lina vond het niet erg. Ze zat met haar duim in haar mond en keek naar de plaatjes. Bij de bladzijde waar de egel in de regen zat, pakte ze zijn arm vast.

Toen het boek uit was, zei ze: „Nog een keer.”

Hij las het nog een keer. Het ging nu beter. Hij hoefde minder te struikelen, want hij wist al wat er kwam. Hij merkte dat hij stemmetjes deed. Een hoog stemmetje voor de egel. Een brommerig stemmetje voor de das.

En terwijl hij las, dacht hij aan Gerrit Visser. Aan de letters die door elkaar liepen. Lezen is net als fietsen. Eerst wiebel je.

En hij dacht aan Fleur. Fleur die altijd las. Die in groep 3 al boeken had met hoofdstukken. Die hem nooit één keer had uitgelachen als hij hardop moest lezen in de klas, ook niet toen iedereen dat wel deed.

Zijn moeder kwam om vijf uur thuis. Ze zag er moe uit, maar ze lachte toen ze hen zag zitten.

„Wat is dit nou? Mijn zoon die voorleest?”

„Hij doet stemmetjes,” zei Lina.

Zijn moeder ging aan de andere kant van Lina zitten. Ze keek naar Sami. Moeders zien altijd alles. Dat is heel vervelend.

„Wat is er?”

Hij vertelde het. Over de ruzie. Over wat hij had gezegd.

Zijn moeder zei eerst niets. Toen zei ze: „Weet je wat het moeilijkste woord is? Het heeft maar vijf letters.”

Sami zuchtte. „Sorry.”

„Precies. En het is nog moeilijker als je het niet in een boek leest, maar hardop moet zeggen.” Ze gaf hem een duwtje. „Ga maar. Het eten is pas om half zeven.”


Fleur zat op de stoep voor de fietsenwinkel. Ze had haar fiets naast zich liggen en haar handen in haar mouwen getrokken. Toen ze Sami zag aankomen, keek ze de andere kant op.

Sami zette zijn fiets op de standaard. Hij ging naast haar zitten. De stoep was koud.

„Sorry,” zei hij. Het was inderdaad moeilijk. „Wat ik zei was gemeen. En het was ook niet waar. Jij ziet juist heel veel. Jij wist van de bakfiets. Zonder jou hadden we boek zeven nooit gevonden.”

Fleur zei een tijdje niks. Toen zei ze: „Ik ben naar de begraafplaats geweest.”

„En?”

„Hij ligt achteraan. Bij de grote beuk. Er staat op: Hendrik Lammers, 1901 tot 1968. En daaronder: Hij gaf Wijkerveen een huis vol woorden.” Ze snoof. „Ik heb overal gezocht. Achter de steen. Eronder, zover dat kon. Er zat niks. Alleen mos.”

„Het spijt me.”

„Je had gelijk,” zei Fleur. „Hij kon het in 1952 nog niet op zijn graf hebben verstopt.” Ze keek hem eindelijk aan. „Maar het was wel een mooie zin, op die steen. Een huis vol woorden.”

Ze bleven zitten tot het donker werd. Toen stond Fleur op en sloeg het vuil van haar broek.

„Kom,” zei ze. „We gaan het aan mevrouw Hoekstra vragen. Die zei gisteren helemaal niks meer, de hele weg terug. Volgens mij denkt ze ergens over na.”


Mevrouw Hoekstra deed open in haar ochtendjas. Dewey zat op haar schouder als een sjaal.

„Het is half zeven,” zei ze. „Dan eet ik.”

„Het duurt maar heel even,” zei Fleur.

Ze lieten haar de foto zien, die ze nog steeds niet had teruggevraagd. Sami wees op de gevel, op de deur, op de stenen. Mevrouw Hoekstra keek ernaar zoals ze er al die tijd naar had gekeken. Lang en stil.

Toen wees ze zelf. Naast de voordeur, op de foto, net naast de schouder van Hendrik Lammers. Daar zat in de muur een rechthoekige steen. Je kon de letters niet lezen, de foto was te klein. Maar je zag dat er iets op stond. Drie regels.

„De gedenksteen,” zei ze. „Die zat vroeger buiten. Naast de deur. Bij de verbouwing in 1986 hebben ze hem naar binnen gehaald, omdat hij kapotging van de regen en de vorst. Ik was erbij. Ze hebben hem in de hal gemetseld.”

Ze deed haar ogen even dicht.

„Naast de trap.”

Sami en Fleur keken elkaar aan.

„Er staat een kast voor,” zei Sami. „Een grote kast vol folders. Al jaren.”

„Al sinds 1994,” zei mevrouw Hoekstra. „Die heb ik er zelf neergezet. Ik had ruimte nodig voor de folders.” Ze zette Dewey op de grond. „Ik ben die steen helemaal vergeten. Dertig jaar lang.”

„Wat staat erop?” vroeg Fleur.

Mevrouw Hoekstra keek hen aan, en voor het eerst die week zag Sami haar echt lachen.

„Leeszaal Wijkerveen,” zei ze. „Geschonken door H. Lammers. 1952.”