Hoofdstuk 10: Verhuisdag
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Om kwart voor acht stond Sami al op de Turfmarkt. De kist zat onder zijn snelbinders, in een plastic tas tegen de dauw. Het was nog bijna donker. De straat glom van de dauw en uit de bakkerij op de hoek kwam de geur van warme krentenbollen.
Fleur was er ook al. Ze had twee bekers chocolademelk bij zich, van thuis, in een thermosfles met een deuk.
„Mijn vader zei dat speurders een goed ontbijt nodig hebben,” zei ze.
Om acht uur precies draaide de verhuiswagen de Turfmarkt op. Hij was groot en wit en paste maar net tussen de huizen. Op de zijkant stond: VERHUIZINGEN DE BOER – MET ZORG VERPLAATST. Henk zat achter het stuur. Hij stak zijn hand op toen hij hen zag.
„Zijn jullie er weer?” riep hij uit het raampje. „Geen kisten meer in containers vandaag, hoor.”
Joris deed de deur van de bibliotheek open. Hij zag eruit alsof hij niet had geslapen. Hij had wel een schone trui aan.
„Goedemorgen,” zei hij. „Laatste dag.” Hij keek naar Sami. „Ik weet het. De kast. Mevrouw Hoekstra heeft me gisteravond gebeld. Om tien uur. Ik lag al in bed.”
Ze haalden de kast samen leeg. Joris, Sami, Fleur en Wendy. Ze deden de folders in dozen. Folders over de computercursus en over de voorleesochtend. Folders over een cursus Spaans die in 2019 was afgelopen. Affiches van de Kinderboekenweek uit wel tien verschillende jaren.
„Wat een zooi,” zei Wendy. „Waarom bewaarden we dit allemaal?”
„Omdat niemand het weggooide,” zei Joris.
Om half negen kwam mevrouw Hoekstra. Ze had haar handtas bij zich en een thermoskan koffie. En achter haar, met een piepende rem, kwam een rode bakfiets de Turfmarkt op gereden. Bobbie zat in de bak en blafte naar een duif.
„Ik wilde het zien,” zei meneer Visser. Hij zette zijn bakfiets tegen het hek. „Als het dan toch gebeurt.”
Toen de kast leeg was, kwam Henk binnen met een andere verhuizer. Ze legden dekens op de vloer. Ze pakten de kast aan twee kanten vast.
„Op drie,” zei Henk. „Een. Twee. Drie.”
De kast schoof krakend naar voren. Stof wolkte op, nog meer dan in de kelder. Fleur nieste. Mevrouw Hoekstra hield een zakdoek voor haar mond. Henk en de andere man draaiden de kast een kwartslag en zetten hem midden in de hal neer.
En daar, in de muur, naast de trap, zat de steen.
Hij was grijs en glad, met een rand eromheen. Hij was bijna zo breed als Sami's armen wijd. Er stonden drie regels op, in grote, mooie letters die iemand er heel lang geleden in had gehakt.
LEESZAAL WIJKERVEEN
GESCHONKEN DOOR H. LAMMERS
En op de derde regel zat het jaartal. Maar die cijfers waren niet in de steen gehakt. Ze waren van koper. Vier losse koperen cijfers, groen geworden van de tijd, met in elk cijfer twee piepkleine schroefjes.
1952
Iedereen was stil. Zelfs Bobbie.
„Onder mijn naam,” zei Sami zacht. „Achter het jaar.”
„Wat is hier aan de hand?”
Ze draaiden zich allemaal om. In de deuropening stond meneer Brouwer. Hij had dezelfde lange grijze jas aan en dezelfde keurige schoenen. Hij keek naar de kast die midden in de hal stond, en naar de mensen die om de muur stonden, en naar de steen.
„Ik kom even kijken of alles volgens plan gaat,” zei hij. „Dat lijkt me niet zo.”
Joris deed een stap naar voren. „We zijn aan het verhuizen. Zoals afgesproken.”
„En wat doet die oude mevrouw hier? En dat kind met die sjaal? En die hond?”
„Die hond heet Bobbie,” zei meneer Visser.
Meneer Brouwer luisterde niet. Hij liep naar de steen en bekeek hem. „Die moet er maandag uit,” zei hij. „Hij past niet in het ontwerp. Het wordt een strakke hal.”
„We willen er iets achter bekijken,” zei Sami. „Achter de cijfers. We denken dat Hendrik Lammers er iets heeft verstopt.”
Meneer Brouwer keek naar hem. Niet onvriendelijk, eigenlijk. Meer zoals je kijkt naar een verkeersbord dat op een rare plek staat.
„Jongen,” zei hij. „Dit gebouw is maandag van mij. Ik ga niet toestaan dat iemand vandaag in mijn muur gaat zitten wrikken. Als er dan schade is, wie betaalt dat?”
„Maandag,” zei Joris.
Meneer Brouwer draaide zich naar hem om.
„Maandag is het van u,” zei Joris. Hij praatte rustig, maar zijn stem was anders dan anders. Steviger. „Vandaag is het nog van de gemeente. En ik ben vandaag nog de baas van deze bibliotheek. Ik heb de sleutel.”
„Mulder, je gaat je hier niet druk om maken. Om een kinderspelletje.”
„Het is geen spelletje,” zei mevrouw Hoekstra. Ze kwam naast Joris staan. Ze was een kop kleiner dan meneer Brouwer, maar dat leek niemand op te vallen. „Er hebben twaalf kinderen in 1952 een boek gekregen van de man die dit gebouw aan het dorp heeft gegeven. Eén van die kinderen staat hier. Hij is vierentachtig.”
Meneer Visser knikte. Bobbie kwispelde.
„En deze twee,” zei mevrouw Hoekstra, „hebben in één week gevonden waar wij met z'n allen zeventig jaar overheen hebben gekeken. Ik denk dat ze een schroevendraaier verdienen.”
Meneer Brouwer zei een tijdje niets. Hij keek op zijn telefoon. Hij keek weer naar de steen. Toen zuchtte hij.
„Vier schroefjes,” zei hij. „Niet meer. En als die muur kapot gaat, stuur ik de rekening naar de gemeente.”
„Acht,” zei Sami. „Het zijn acht schroefjes. Twee per cijfer.”
„Acht dan,” zei meneer Brouwer.
Henk had een schroevendraaier in zijn gereedschapskist. Een kleine, met een rood handvat. Hij gaf hem aan Sami.
„Jij hebt 'm gevonden,” zei hij. „Jij mag.”
Sami keek naar Fleur.
„Samen,” zei hij.
Fleur keek verrast. Toen glimlachte ze.
Ze begonnen bij de 1. De schroefjes zaten vast. Ze waren groen van het koper en de kopjes waren bijna dichtgeroest. Sami draaide heel voorzichtig, zodat hij niet zou uitschieten. Het eerste schroefje piepte en bewoog niet. Toen ineens wel.
Achter de 1 zat gewoon steen.
Fleur deed de 9. Daar zat ook steen achter. Gewoon grijs, met een lichtere plek waar het cijfer had gezeten.
„Misschien is het niks,” zei ze zacht.
Sami deed de 5. Steen.
Hij keek naar de laatste. De 2. Het laatste cijfer van het jaar. Hij dacht aan de bladzijde in boek zeven. Bladzijde tweeënvijftig. Hij dacht aan de laatste la van de letterkast. Het laatste vakje. Het laatste woord.
Hij draaide het eerste schroefje los. Het ging makkelijker dan de andere. Alsof het al die jaren had gewacht. Het tweede schroefje viel uit zijn hand en tikte op de vloer.
Fleur pakte het koperen cijfer vast en tilde het van de muur.
Achter de 2 zat geen steen.
Er zat een gat. Een rond gat, niet groter dan een wc-rol. En in dat gat, dof en groen in het licht van de hal, zat iets van metaal. Het was rond. Het leek op een dikke koperen buis, met een dop erop.
Niemand zei iets. Sami hoorde alleen zijn eigen hart en het piepen van Bobbies adem.
Hij stak zijn vingers in het gat en trok de koker er voorzichtig uit. Hij was zwaarder dan hij had verwacht. Hij was koud. Op de dop zat een kraaitje gegraveerd.
Mevrouw Hoekstra kwam naast hem staan. Ze legde haar hand op zijn schouder.
„Toe maar,” zei ze.
Sami draaide aan de dop. Hij zat stroef. Hij draaide harder. Met een zacht gesis ging hij los, alsof de koker al die jaren zijn adem had ingehouden.
Er zat papier in. Opgerold, bij elkaar gebonden met een touwtje. En toen hij de koker een beetje schuin hield, gleed er nog iets uit.
Het viel op de stenen vloer van de hal, met een helder, klein geluid.
Tink.
Het was een sleuteltje.