Hoofdstuk 8: De huizen van de letters

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Om vijf voor één stonden ze voor de Waag. Sami had zijn brood in drie happen opgegeten, staand in de keuken. Zijn moeder had net een nachtdienst gehad en lag te slapen. Hij had een briefje op de tafel gelegd: Ben bij Fleur en mevrouw Hoekstra. Speurtocht. Niks ergs.

De Waag stond midden op het plein. Het was een oud gebouw met een trapgevel en een torentje met een windvaan. Vroeger werd hier kaas gewogen, had mevrouw Hoekstra verteld. Nu zat op de begane grond een ijssalon die in de winter dicht was. En boven zat de Oudheidkamer.

Om één uur precies ging de deur open. Een man in een tweedjasje met elleboogstukken keek verrast naar buiten.

„Bezoekers,” zei hij. „Op een donderdag in oktober. Dat is lang geleden.”

Hij heette meneer Zwaan. Hij was de beheerder en hij werkte er al vijfentwintig jaar, voor niks. Hij vertelde dat allemaal op de trap naar boven, en nog veel meer. Over de kaasmarkt van 1890. Over een kanonskogel die ze in de vaart hadden gevonden. Over zijn rug.

„Wij komen voor de drukkerij,” zei Sami toen ze boven waren.

„De drukkerij!” Meneer Zwaan keek blij. „Achterin. Loop maar mee.”


De Oudheidkamer was één lange zolder vol spullen. Oude klompen. Een poppenhuis. Een glazen kast met munten. Een opgezette ooievaar die scheel keek. Het rook naar boenwas en stof.

Helemaal achterin, onder een schuin dakraam, stond de drukpers.

Hij was groot en zwart, van ijzer, met een wiel aan de zijkant zo groot als een fietswiel. Er hing een bordje bij: Handpers uit de drukkerij van H. Lammers, Turfmarkt, Wijkerveen. Geschonken in 1968.

En ernaast stond de letterkast.

Het was een hoge houten kast, bijna net zo hoog als meneer Zwaan. Hij had geen deurtjes, maar laden. Platte, brede laden, wel twintig, de een boven de ander. Aan elke la zat een koperen handvat met een klein kaartje erin.

Meneer Zwaan trok de bovenste la open.

Sami had iets anders verwacht. Hij dacht dat er gewoon letters in zouden liggen, als knikkers in een zak. Maar de la was verdeeld in vakjes. Honderden kleine vakjes, sommige zo groot als een luciferdoosje, sommige zo klein als een vingertop. En in elk vakje lagen kleine grijze staafjes van metaal.

Hij pakte er voorzichtig een op. Het was zwaar voor zo'n klein ding. Aan het uiteinde zat een letter. Een a. Maar dan omgekeerd. In spiegelschrift.

„Waarom staat hij achterstevoren?” vroeg hij.

„Omdat je hem in de inkt drukt en dan op het papier,” zei meneer Zwaan. „Dan komt hij er goed om weer af. Net als een stempel. Een drukker leest alles in spiegelschrift. Lammers kon dat net zo snel als gewoon lezen, zeggen ze.”

„De huizen van de letters,” zei Fleur zacht.

„Mogen we zoeken?” vroeg mevrouw Hoekstra. „We zoeken iets wat Lammers heeft achtergelaten.”

Meneer Zwaan aarzelde. Hij keek naar zijn kast. Toen naar de kinderen. „Voorzichtig,” zei hij. „En alles terugleggen waar het lag. Als een letter in het verkeerde vakje ligt, ben ik er een week mee bezig.”


Ze begonnen bovenaan. Sami trok de laden een voor een open. Fleur keek in de vakjes. Mevrouw Hoekstra stond erbij en las de kaartjes op de handvatten voor. Romein 12 punt. Cursief 10 punt. Kapitalen 24 punt. Het klonk als een geheime taal.

Ze vonden letters. Heel veel letters. En cijfers, en komma's, en kleine sterretjes. Maar geen kraaitje. Geen briefje.

Na een uur hadden ze vijftien laden gehad. Sami's vingers waren grijs van het lood. Fleur had het opgegeven en zat op een krukje bij de ooievaar.

„Het laatste woord,” zei ze. „Wat is het laatste woord? Van een boek? ‚Einde’?”

„Of het laatste woord van het woordenboek,” zei mevrouw Hoekstra. „Dat begint meestal met een z.”

Sami keek naar de onderste la. De laatste. Hij was groter dan de andere en zat stroef. Er zat geen kaartje in het handvat.

Hij trok. Er gebeurde niets. Hij trok harder. De la schoot met een ruk open, en een paar letters sprongen uit hun vakje. Meneer Zwaan maakte een geluidje alsof hij pijn had.

In deze la zaten geen letters. Er zaten kleine blokjes in, zonder iets erop. Gladde stukjes lood, van verschillende breedte.

„Wit,” zei meneer Zwaan. „Zo heet dat. Dat zijn de spaties. De ruimte tussen de woorden. Die moet je ook neerzetten, anders plakken de woorden aan elkaar.”

„Ruimte tussen de woorden,” zei Sami. „Waar je slaapt.”

Hij boog zich over de la. In het allerlaatste vakje, rechts achterin, lag iets anders. Het was een smal metalen bakje, zo lang als zijn hand. Er stonden letters in, rechtop naast elkaar, alsof iemand ze klaar had gezet om te drukken.

„Een zethaak,” fluisterde meneer Zwaan. „Daar zet je een regel in. Een woord. Hoe komt dat daar?”

Sami tilde het bakje er voorzichtig uit. Er stonden vijf letters in. Grote, dikke letters. In spiegelschrift.

Fleur was er al naast. „Wat staat er? Ik kan het niet lezen zo.”

Maar Sami kon het wel. Hij zag het meteen. Dat was het rare. Bij een gewone bladzijde moest hij elke regel twee keer lezen. Maar dit was geen bladzijde. Dit was een puzzel. En puzzels kon hij lezen.

„N,” zei hij. „E. E. T. S.” Hij draaide het in zijn hoofd om. „Steen. Er staat STEEN.”

Onder de letters, in het bakje, zat een opgerold stukje papier. Zo dun als een rietje. Het was vergeeld en bros. Mevrouw Hoekstra rolde het af met haar nagels, heel langzaam, op het tafeltje bij de pers.

Het kraaitje. En vier woorden.

Onder mijn naam, achter het jaar.


Ze stonden buiten op het plein. Het was al half vijf en het begon te schemeren. De lantaarns om de Waag gingen aan.

„Een steen,” zei Fleur. „Onder zijn naam. Een grafsteen! Zijn naam staat op zijn graf, met het jaar dat hij doodging. En dan erachter...”

„Of zijn naam op de gevel,” zei Sami. „DRUKKERIJ LAMMERS. Daar staat zijn naam. Op stenen.”

„Maar daar staat geen jaar.”

„Misschien wel. Ergens.”

Mevrouw Hoekstra zei niets. Ze stond met de oude foto in haar hand en keek ernaar, alsof het antwoord er gewoon op stond.

Ze fietsten naar de bibliotheek, want Joris had gevraagd of ze aan het eind van de middag nog wilden helpen met de jeugdboeken. Joris stond in de hal met een man die Sami herkende. De man met de lange grijze jas en de keurige schoenen.

„... en die grote kast in de hal ook weg,” zei de man. „Plus alles wat erachter zit. Het schilderij, het oude bordje bij de deur, al die ouwe zooi. Maandag na de notaris komen de slopers. Dan gaat de hal eruit. Helemaal kaal. Strak en wit.”

Joris knikte. Hij zag er ongelukkig uit.

De man draaide zich om en liep langs Sami en Fleur naar buiten. Hij keek niet naar hen. Hij keek naar zijn telefoon.

„Wie was dat?” vroeg Fleur.

„Meneer Brouwer,” zei Joris. „Van Brouwer Vastgoed. De nieuwe eigenaar.” Hij zuchtte. „Maandag is dit allemaal van hem.”

Sami keek naar de grote kast in de hal. Een brede kast vol folders en flyers en oude affiches. Hij stond tegen de muur naast de trap. Hij had hem nog nooit leeg gezien.

En hij had er ook nog nooit achter gekeken.