Hoofdstuk 7: Meneer Visser aan de Molenkade
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De Molenkade lag aan de andere kant van de vaart. Je moest over een smal ophaalbruggetje dat zacht trilde als er een fiets overheen ging. Aan het eind van de kade stond de molen van Wijkerveen, wit met groene wieken. Hij draaide niet. Het was windstil, voor het eerst die week.
Het huis van meneer Visser was het laatste huis voor de molen. Het was smal en scheef, met een bankje voor de deur en een heleboel bloempotten zonder bloemen. Tegen de gevel stond de rode bakfiets.
Fleur had gelijk gehad. Het was een heel oude. De bak was van hout, met een deukje in de zijkant. Er lag een oud dekentje in, vol witte haren.
„Laat mij maar praten,” zei mevrouw Hoekstra.
„Nee,” zei Sami. „Laat mij maar.”
Mevrouw Hoekstra keek hem verbaasd aan. Toen deed ze een stap opzij.
Sami klopte op de deur. Meteen begon er binnen een hond te blaffen. Een hoog, kwaad blafje, alsof er een fluitketel kookte.
De deur ging open. Een man met een grijze stoppelbaard en een gebreide trui met gaten bij de ellebogen keek naar buiten. Hij was lang en een beetje krom, als een boom die te lang in de wind had gestaan. Tussen zijn benen door keek een klein wit hondje.
„Als jullie loten verkopen, ik heb er al,” zei hij.
„We verkopen niks,” zei Sami. „U hebt gisteren een boek gekocht. Bij de bibliotheek. Over zeilschepen.”
De man kneep zijn ogen een beetje dicht. „En?”
„Dat boek is van ons.”
„Ik heb ervoor betaald. Een euro. Dat is twee keer zoveel als op het bordje stond.”
„Dat weten we. Het was een vergissing. Het hoorde bij een kist.”
„Een kist,” zei meneer Visser. Hij leek niet onder de indruk. „Ik wil het houden. Mijn vader voer op een botter, vroeger. Op de Zuiderzee. Voor de Afsluitdijk er kwam. In dat boek staat zijn soort schip. Met tekeningen van het tuig.”
„We kunnen het terugkopen,” zei Fleur. Ze haalde een portemonnee met een kikker erop uit haar zak. „Ik heb vier euro en zestig.”
„Het is niet te koop.” Meneer Visser begon de deur dicht te doen.
„We hoeven het niet eens mee te nemen,” zei Sami snel. „We willen alleen één bladzijde zien. Bladzijde tweeënvijftig.”
De deur bleef halverwege hangen.
„Wat staat er dan op tweeënvijftig?”
„Dat weten we niet. Dat is het hele punt.”
Meneer Visser keek naar Sami. Toen naar Fleur met haar te lange sjaal. Toen naar mevrouw Hoekstra, die erbij stond met haar handtas aan haar arm en een gezicht dat zei dat ze hier desnoods de hele dag kon blijven staan.
„Wacht,” zei hij.
Hij kwam terug met het boek. Bruin gekaft, met VII op de rug. Hij bladerde naar bladzijde tweeënvijftig. Hij hield het boek een eindje van zich af, zoals mensen doen die hun bril niet op hebben.
Sami zag hem stoppen. Hij zag zijn mond een beetje opengaan.
In de kantlijn stond een kraaitje.
Meneer Visser zei een hele tijd niets. Het hondje ging zitten en krabde achter zijn oor. Ergens op de vaart toeterde een bootje.
„De Kraai,” zei meneer Visser toen zacht. „Dat heb ik in geen zeventig jaar gezien.”
Mevrouw Hoekstra deed een stap naar voren. „Kende u hem?”
Meneer Visser keek haar aan alsof hij haar nu pas echt zag. „Greet Hoekstra. Van de bibliotheek.”
„Van vroeger.”
„Ja. Van vroeger.” Hij deed de deur helemaal open. „Kom binnen. Bobbie, af.”
De kamer was klein en donker en rook naar pijptabak, al zag Sami nergens een pijp. Overal stonden modelscheepjes. Op de kast, op de vensterbank, op de schoorsteenmantel. Kleine botters en schouwen met zeiltjes van stof en touwtjes zo dun als haar.
„Die maak ik zelf,” zei meneer Visser. „Daarvoor wilde ik het boek.”
Hij ging in een leunstoel zitten. Bobbie sprong op zijn schoot.
„Ik was tien,” zei hij. „In 1952. Net zo oud als jullie, denk ik.”
„Tien,” zei Sami.
„Ik zat in de Leesclub van de Turfmarkt. Elke zaterdagochtend. Mijn moeder stuurde me erheen omdat ik thuis te druk was. Ik vond lezen niks. Ik las heel langzaam. De letters liepen altijd door elkaar.” Hij keek naar Sami. „Snap je?”
Sami knikte. Hij snapte het heel goed.
„Maar Lammers las voor. En als hij voorlas, dan liepen de letters niet door elkaar. Dan zag je alles. De schepen, de zee, de vogels.” Meneer Visser streek over de kop van zijn hond. „Hij zei altijd: lezen is net als fietsen. Eerst wiebel je. En dan, op een dag, ga je.”
Mevrouw Hoekstra haalde de oude foto uit haar tas. Ze gaf hem aan meneer Visser. Hij hield hem dicht bij zijn gezicht.
„Daar,” zei hij. Hij wees naar een jongen aan de linkerkant. Een mager jongetje met grote oren en een broek die net te kort was. „Dat ben ik. Gerrit Visser. Mijn moeder had mijn haar geknipt met een kom op mijn hoofd. Ik schaamde me dood.”
Fleur boog zich over de foto. „U lacht niet.”
„Niemand lachte. Behalve hij.” Meneer Visser tikte met zijn vinger op de man in de zwarte jas. „Op de dag van de opening gaf hij ons ieder een boek. Twaalf kinderen, twaalf boeken. Gekaft in bruin papier. Hij zei: ‚Lees ze goed. Wie goed leest, vindt ooit de weg.’ Ik dacht dat hij gewoon een beetje raar deed. Dat deed hij vaker.”
„Twaalf boeken,” zei Sami. „Zijn dat deze?”
Hij maakte de kist open, die hij al die tijd onder zijn arm had gehad. Meneer Visser keek erin. Hij pakte voorzichtig het lege schrift.
„We moesten ze na een week terugbrengen. Lammers deed ze toen weer in de kist. Hij zei dat ze voor later waren. Voor de kinderen van later.” Hij legde het schrift terug. „Ik had nooit gedacht dat ik er nog eens een zou zien.”
„Wij zijn de kinderen van later,” zei Fleur.
Meneer Visser keek haar aan. Toen begon hij te lachen. Een schor, krakend lachje dat overging in hoesten.
„Dat zou hij mooi gevonden hebben,” zei hij.
Ze lazen bladzijde tweeënvijftig samen. Mevrouw Hoekstra las voor, met haar bril op. Het was een bladzijde over de Wijkerveense Hoop, een oud vrachtschip dat turf vervoerde. In de kantlijn, naast het kraaitje, stond:
Waar de letters wonen, slaapt het laatste woord.
„Waar de letters wonen,” zei Fleur. „In een boek?”
„Dan zou het overal kunnen zijn,” zei Sami. „Er wonen letters in elk boek.”
„In een alfabet,” probeerde Fleur. „In een woordenboek! We hebben er een. Boek acht.”
Ze bladerden boek acht door. Het woordenboek van A tot K. Het was dik en had duizend bladzijden en er stond nergens een kraaitje in. Na een kwartier gaven ze het op.
Meneer Visser had al die tijd stil in zijn stoel gezeten. Bobbie snurkte.
„Hij had een letterkast,” zei hij opeens.
Ze keken op.
„In de drukkerij. Een grote houten kast met allemaal laatjes. In elk laatje zaten loden letters. Kleine vakjes, honderden. Alle a's bij elkaar. Alle b's. Hij liet het ons zien. Hij zei dat het de huizen waren van de letters.” Meneer Visser keek naar het raam. „De huizen van de letters.”
„Waar is die kast nu?” vroeg Sami. Zijn stem trilde een beetje.
„In de Oudheidkamer. In de Waag. Toen Lammers doodging, in 1968, hebben ze de pers en de letterkast daarheen gebracht. Ik heb zelf helpen sjouwen. Ik was zesentwintig. Die kast woog zoveel als een koe.”
Mevrouw Hoekstra was al opgestaan. Ze keek op haar horloge.
„De Oudheidkamer is in de winter maar één middag per week open,” zei ze. „Op donderdag. Van één tot vier.”
Sami keek naar Fleur. Het was donderdag.
Het was kwart voor twaalf.
Meneer Visser deed boek zeven dicht en hield het Sami voor.
„Neem maar mee,” zei hij. „Hij was nooit van mij. Hij was van de leeszaal.” Hij aarzelde even. „Maar ik wil het terugzien, als jullie klaar zijn. Voor de tekeningen van het tuig.”