Hoofdstuk 6: De gele container
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Sami stond in de lege kelder en kon even helemaal niets. Niet denken, niet praten. Zijn oren suisden, alsof hij te lang onder water was geweest.
Toen draaide hij zich om en rende de trap weer op.
In de hal stond een van de mannen met een oranje hesje. Hij was breed, met een kaal hoofd en een snor die aan de uiteinden omhoog krulde. Op zijn hesje stond met stift: HENK.
„Waar is de kist?” vroeg Sami. Het kwam er veel te hard uit.
Henk keek verbaasd naar beneden. „Welke kist, jochie?”
„Uit de kelder. Een houten kist. Met koperen hoeken. Hij stond tegen de muur.”
„O, die.” Henk krabde aan zijn snor. „We moesten de kelder vandaag leeghalen. Opdracht van de nieuwe eigenaar. Alles wat geen sticker had, ging naar boven. Daar heeft die mevrouw het gesorteerd.” Hij wees naar de balie. „Papier in de blauwe bakken. Boeken in de bak bij de deur. En de rest...”
Hij wees met zijn duim naar buiten. Naar de gele container.
Fleur en mevrouw Hoekstra kwamen net de deur door. Sami liep langs ze heen, zonder iets te zeggen.
De container was hoger dan hij. Sami zette zijn voet op een ijzeren richel en trok zich omhoog. Hij keek over de rand.
Het was een berg rommel. Een bureaustoel zonder wieltjes. Planken met spijkers erin. Kapotte lampen. Een opgerold tapijt dat naar natte hond rook. Kartonnen dozen die in elkaar waren gezakt van de regen van maandag.
En ergens daartussen, onder een stuk spaanplaat, iets groens. Een koperen hoek.
„Daar,” zei Sami. „Daar is hij!”
„Je gaat er niet in,” zei mevrouw Hoekstra streng. „Er zitten spijkers in. En glas.”
„Maar hij ligt daar!”
Henk kwam naar buiten. Hij keek naar Sami, die aan de rand hing. Toen naar mevrouw Hoekstra. Toen naar Fleur, die bijna moest huilen, al deed ze erg haar best om dat niet te laten zien.
„Opzij,” zei Henk.
Hij trok werkhandschoenen aan en klom in één beweging over de rand. Hij stapte voorzichtig tussen de rommel door, tilde de spaanplaat op en gooide hem opzij. Toen bukte hij en kwam overeind met de kist in zijn handen.
„Is dit 'm?”
„Ja!” riepen Sami en Fleur tegelijk.
Henk gaf de kist over de rand aan Sami. Hij was licht. Veel te licht. Sami wist het al voordat hij het haakje omhoog duwde.
De kist was leeg.
„De boeken,” zei Fleur. „Waar zijn de boeken?”
Henk klom uit de container en trok zijn handschoenen uit. „Ik zei toch. Boeken gingen in de bak bij de deur. Die mevrouw zei dat de kist te kapot was om mee te nemen. Dus die ging de container in.”
„Hij is niet kapot,” zei Sami. „Hij is oud. Dat is iets anders.”
„Dat zal best,” zei Henk. Hij klonk niet boos. „Sorry, jochie. Ik wist niet dat-ie belangrijk was.”
De bak bij de deur was een grote plastic krat op een tafeltje. Er hing een kartonnen bordje boven. AFGESCHREVEN BOEKEN – 50 CENT – GELD IN HET BLIKJE. Het blikje was van een koekjesfabriek en rammelde als je het oppakte.
De krat zat vol. Kookboeken met vlekken. Een reisgids van Spanje uit 1998. Een stapel tijdschriften over tuinieren.
Sami en Fleur haalden alles eruit. Mevrouw Hoekstra legde de boeken die ze eruit haalden netjes op een stapel. Zelfs nu.
Na twee minuten hadden ze er tien. Bruin gekaft, met een Romeins cijfer op de rug. I, II, III, IV, V, VI, VIII, IX, X, XI.
„En het lege schrift,” zei Fleur, en ze trok het van onder een kookboek vandaan. „Twaalf. Dat is elf.”
„Zeven,” zei Sami. „Zeven ontbreekt.”
Ze keken nog een keer. En nog een keer. Ze zochten in de blauwe bakken met oud papier. Ze keken onder de tafel en achter de krat. Boek zeven was er niet.
De vrouw van de balie kwam erbij. Ze heette Wendy en ze was vrijwilliger, net als zij. Ze had een vest aan met een broche in de vorm van een uil.
„Zoeken jullie iets?”
Fleur legde het uit. Het ging snel en een beetje door elkaar, maar Wendy begreep het.
„Een boek over zeilschepen?” Ze dacht na. „Ja. Dat is vanochtend verkocht. Een uur geleden of zo. Aan een oude meneer. Hij wilde het per se hebben. Hij gaf me een euro en zei dat ik het wisselgeld mocht houden.”
„Wie was het?” vroeg Sami.
„Geen idee. Ik ken niet iedereen hier.” Wendy fronste. „Hij had een rode bakfiets. Dat weet ik nog. Zo'n ouderwetse, met een houten bak. Er zat een hond in.”
Joris kwam pas aan het eind van de middag terug van de nieuwe bibliotheek. Hij had verf op zijn broek en zag er moe uit. Toen hij de kist zag, en Sami's gezicht, ging hij langzaam op een verhuisdoos zitten.
„Vertel het maar,” zei hij.
Dus vertelde Sami het. Alles. Over de kraai en de sluis en het deurtje met het uurwerk. Over de toren en het luidrooster en de tweeënvijftig treden. Hij vertelde het langzaam, en hij vergat niets. Fleur hoefde voor de verandering niets aan te vullen.
Joris luisterde zonder iets te zeggen. Hij keek af en toe naar mevrouw Hoekstra. Die knikte dan.
„Dit klinkt als een verhaal,” zei Joris toen Sami klaar was.
„Het is ook een verhaal,” zei mevrouw Hoekstra. „Maar het is wel echt.”
Joris wreef met zijn hand over zijn baard. „Het spijt me. Echt. Ik had Wendy moeten zeggen dat die kist van jullie was. Ik heb het gewoon vergeten. Er gebeurt hier zoveel deze week.” Hij zuchtte diep. „De nieuwe eigenaar wil dat het hele gebouw zaterdag leeg is. Ze beginnen meteen na de verkoop met de verbouwing. Ik kan daar niets aan doen.”
„We hebben de kist toch al,” zei Fleur. „En elf boeken.”
„Neem ze mee,” zei Joris. „Allemaal. Dan zijn ze tenminste veilig. Maar zaterdag, na de verhuizing, moet ik beslissen. Dan gaan ze naar het archief van de gemeente. Of...” Hij maakte de zin niet af.
„Of naar het oud papier,” zei Sami.
Joris knikte. Hij keek er niet blij bij.
Ze zaten op het muurtje voor de bibliotheek. Het werd al donker. De straatlantaarns floepten aan, een voor een, de hele Turfmarkt af.
Sami had de kist op zijn knieën. Er zaten nu elf boeken in. Hij voelde het gat waar boek zeven had gestaan, ook al zag hij het niet.
„Het hele spoor is kapot,” zei hij. „Zonder zeven komen we niet verder. Het is net een ketting. Als er één schakel mist, heb je twee halve kettingen.”
„Wendy zei: een oude meneer,” zei mevrouw Hoekstra. „In Wijkerveen wonen ongeveer tweeduizend oude meneren. Ik ben er zelf bijna een.”
Fleur zei niets. Ze zat met haar kin op haar knieën en keek de straat af, in de richting van de fietsenwinkel van haar ouders.
„Een rode bakfiets,” zei ze opeens. „Met een houten bak. En een hond erin.”
„Dat zei Wendy, ja.”
Fleur sprong van het muurtje. Haar te lange sjaal sleepte over de stoep.
„Die ken ik,” zei ze. „Die staat elke maand bij ons in de winkel. Omdat de ketting er steeds af loopt. Mijn vader zegt dat het de oudste bakfiets van heel Noord-Holland is.”
Sami keek op. „Van wie is hij?”
„Van meneer Visser,” zei Fleur. „En die woont aan de Molenkade.”