Hoofdstuk 5: Tel de treden

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De koster heette mevrouw Bakker. Ze was groot en breed en had een bos sleutels aan haar riem die rinkelde als ze liep. Ze stond op woensdagochtend om negen uur bij de zijdeur van de Grote Kerk.

„Greet Hoekstra,” zei ze. „Dat ik dat nog meemaak. Jij komt me een gunst vragen.”

„Dat klopt, Tineke.”

„Na al die jaren dat jij mij boetes hebt gegeven.”

„Je kreeg nooit boetes. Ik schreef ze nooit op.”

Mevrouw Bakker bleef even stil staan. „Is dat zo?”

„Twaalf jaar lang. Je hebt bij elkaar zeker vierhonderd boeken te laat teruggebracht.”

Mevrouw Bakker begon te lachen, zo hard dat de duiven van het dak opvlogen. Toen haalde ze een grote ijzeren sleutel van haar bos en stak hem in een deurtje naast de ingang. Het deurtje was zo laag dat zelfs Sami moest bukken.

„Een uur,” zei ze. „Jullie raken niets aan. De touwen niet, de klokken niet, de duivenpoep niet. En als ik roep, komen jullie naar beneden.”

„En u, mevrouw Hoekstra?” vroeg Fleur.

Mevrouw Hoekstra keek omhoog in het donkere gat achter het deurtje. Er liep een smalle stenen wenteltrap omhoog, rond en rond, tot je hem niet meer zag.

„Mijn knieën zijn van 1952,” zei ze. „Die gaan niet meer zo hoog. Ik wacht hier. Met Tineke. Die moet me nog vertellen hoe die streekromans afliepen.”


De trap was steil en draaide steeds naar links. De treden waren in het midden uitgesleten, als een kuiltje in een kussen, door honderden jaren voeten. Er zat een dik touw langs de muur om je aan vast te houden.

„Tel,” zei Sami. „Hardop.”

„Een,” zei Fleur. „Twee. Drie.”

Het was koud in de toren en het rook naar steen en oude vogelnesten. Door kleine raampjes viel af en toe een streep licht naar binnen. Dan zag je stofjes dwarrelen.

„Achttien. Negentien. Twintig.”

Sami telde in zijn hoofd mee. Dat deed hij altijd. Bij gym telde hij zijn sprongen. Bij de tandarts telde hij de lampen aan het plafond.

„Eenendertig. Tweeëndertig. Hè, was dit nou drieëndertig of vierendertig?”

„Vierendertig,” zei Sami.

„Weet je het zeker?”

„Ja.”

Bij trede tweeënvijftig hield de trap even op. Er was een deur van zware planken. Hij stond op een kier. Sami duwde hem open.

Ze kwamen in een vierkante kamer met een houten vloer. In het plafond zaten gaten waar dikke touwen doorheen hingen. Ze hingen tot vlak boven de vloer, met een lus aan het eind. Langs de muur stond een lange houten bank.

„De luidkamer,” zei Fleur. Ze had er vast een boek over gelezen. „Hier stond de klokkenluider. Vroeger trok hij met de hand aan de touwen. Nu gaat het elektrisch.”

Aan de muur, boven de bank, hing een groot houten bord. Het was zwart geschilderd met witte letters. Er stonden tijden op en dagen. Dat waren de tijden waarop de klokken moesten luiden. Zondag, kwart voor tien. Zaterdag, twaalf uur. Bij brand: snel en zonder ophouden.

„Het luidrooster,” zei Sami. „Dit las hij. De klokkenluider. Dit moest hij elke dag lezen.”

Ze gingen allebei op de bank staan om er beter bij te kunnen. Het bord was oud en de verf bladderde. Sommige woorden waren bijna weg.

Sami begon bovenaan. Hij las regel voor regel, langzaam, zoals altijd. Fleur begon onderaan. Ze kwamen elkaar in het midden tegen.

Niets.

„Er moet iets zijn,” zei Fleur.

Sami ging met zijn vinger langs de rand van het bord. Het hout was ruw. Aan de rechterkant, waar het bord tegen de muur hing, zat een smalle lijst. En daar, half verstopt achter de lijst, zag hij een wit vlekje.

Hij hield zijn hoofd schuin. Net een kraai op een hek, dacht hij.

Het was een kraaitje. Wit geschilderd op het zwart, zo klein als een vingernagel. En eronder, in nog kleinere letters:

VII – zoveel als je geteld hebt

„Boek zeven,” zei Fleur. „En dan de bladzijde... hoeveel treden waren het?”

„Tweeënvijftig,” zei Sami. „Tot hier.”

„Maar de trap gaat nog verder. Misschien bedoelt hij alle treden. Tot helemaal boven.”

Sami keek naar de deur. Daarachter ging de wenteltrap verder omhoog.

„Dan gaan we verder,” zei hij.


Het laatste stuk was nog steiler. Er hingen spinnenwebben zo dik als vitrage. Een keer vloog er vlak langs Sami's hoofd een duif weg, met een geluid als een paraplu die openging. Fleur gilde zo hard dat het galmde.

„Honderdzes,” zei Sami. „Honderdzeven.”

Ze stapten naar buiten.

Ze stonden op een smal stenen balkon, helemaal rondom de toren. De wind trok aan hun jassen. Boven hun hoofd hingen in een open ruimte de klokken. Ze waren groot en groen en zwaar, en ze hingen heel stil.

En onder hen lag Wijkerveen.

Sami had het nog nooit zo gezien. De rode daken, als een puzzel die net af was. De Turfmarkt met de bibliotheek. Je zag zelfs het dak, met het gat waar een dakpan ontbrak. De Waag met het torentje. De Dijkweg met het huisje van mevrouw Hoekstra. De Weel als een grijs lint, en helemaal aan het eind, heel klein, de sluis met het rode huisje.

„Alles waar we geweest zijn,” zei Fleur zacht. „Je kunt het allemaal zien.”

„Misschien wilde hij dat,” zei Sami. „Dat je dit zag.”

Ze bleven even staan. Toen zei Fleur: „Honderdzeven of tweeënvijftig?”

Sami dacht na. „De klokkenluider stond beneden. In de luidkamer. Daar las hij het rooster. Niet hier boven. Hij hoefde nooit naar boven.”

„Dus tweeënvijftig.”

„En 1952,” zei Sami. „Het jaar van de leeszaal. Dat kan geen toeval zijn.”

Beneden riep een stem. Ver weg en hol. Mevrouw Bakker. Hun uur was om.


Ze holden de Kerkstraat door en de Turfmarkt over. Mevrouw Hoekstra kwam achter hen aan op haar fiets, met haar handtas in de mand. Sami had het gevoel dat zijn hoofd vol vuurwerk zat.

Boek zeven. Zeilschepen van de Zuiderzee. Bladzijde tweeënvijftig.

Voor de bibliotheek stond een grote container. Zo'n gele, van ijzer, waar je bij een verbouwing alles in gooit. Hij stond er gisteren nog niet. Hij was al halfvol met kapotte stoelen, oude planken en kartonnen dozen.

Binnen was het lawaaierig. Twee mannen in oranje hesjes liepen met dozen de trap op en af. De kelderdeur stond wijd open. Het peertje brandde.

Sami rende naar beneden. De derde tree kraakte niet eens, zo snel ging hij.

De kelder was leeg.

De ijzeren kasten waren weg. De mappen, de dozen, de kranten. Alles. Er lagen alleen nog een paar stukjes plakband op de vloer en een oude bezem.

Hij liep naar de plek waar de kist altijd had gestaan. Tegen de muur, waar de zwarte kast vroeger stond.

Er stond niets.

De kist was weg.