Hoofdstuk 4: De klok bij de sluis

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Dinsdag was de regen weg, maar daarvoor in de plaats was er wind. Een harde, koude wind uit het westen, die over de weilanden kwam aanrollen zonder dat er iets in de weg stond.

Sami had de kist niet bij zich. Joris had er gisteravond iets van gezegd.

„Die kist blijft in het gebouw,” had hij gezegd, toen Sami hem aan het eind van de middag kwam terugbrengen. „Ik ben verantwoordelijk voor alles wat hier staat. Ook voor stoffige kisten. Jullie mogen hem overdag gebruiken. Maar 's avonds staat hij in de kelder. Afgesproken?”

„Afgesproken,” had Sami gezegd.

Dus nu had hij alleen het vogelboek in zijn rugzak. In een plastic tas, voor de zekerheid.

Fleur stond al bij het hek van de bibliotheek. Ze had een sjaal om die drie keer om haar nek ging en nog steeds tot haar knieën hing.

„Van mijn oma,” zei ze. „Ze breit te lang door.”

Om tien uur precies kwam mevrouw Hoekstra aanfietsen. Ze reed op een zwarte omafiets met een rieten mand voorop. Ze zat kaarsrecht en trapte rustig, alsof er helemaal geen wind was.

„Zo,” zei ze. „Daar gaan we.”


De weg naar de sluis liep over de dijk. Links lag de Weel, grijs en vol kleine golfjes. Rechts lagen de weilanden met sloten ertussen, zo recht alsof iemand ze met een liniaal had getrokken. Een paar koeien stonden met hun kont naar de wind.

Sami trapte zo hard hij kon. Het voelde alsof hij stilstond. Fleur hing achter hem, uit de wind, en riep af en toe iets wat hij niet kon verstaan.

Mevrouw Hoekstra reed voor hen uit. Ze keek niet één keer om.

Na een kwartier zagen ze de sluis. Twee grote houten deuren in het water, met witte balken eroverheen. Ernaast stond het sluiswachtershuisje. Het was van rode baksteen, met een puntdak en groene luiken. En hoog op de voorkant, net onder het dak, hing de klok.

Hij was groot en rond, met een witte wijzerplaat en zwarte cijfers. Hij stond op kwart over tien. Dat klopte.

Ze zetten hun fietsen tegen de muur. Sami's benen trilden.

„Nou,” zei Fleur, buiten adem. „Hier is de tijd. Waar is de kraai?”

Ze liepen om het huisje heen. Ze keken naar de muren, de deur, de luiken. Sami tuurde naar de klok tot zijn ogen traanden van de wind. Geen kraai. Geen letters. Alleen een paar vogelpoepjes op de vensterbank, en die waren vast niet van Lammers.

„Misschien is het al weg,” zei Fleur. „Na zoveel jaar. Misschien hebben ze de muur geverfd of zo.”

De deur van het huisje ging open.

Een oude man stak zijn hoofd naar buiten. Hij had een pet op en een blauwe overall aan. In zijn hand hield hij een mok koffie.

„Zoeken jullie wat?” vroeg hij.

„Greet Hoekstra,” zei mevrouw Hoekstra, en ze stak haar hand uit. „Van de bibliotheek. Vroeger.”

De man keek haar aan. Toen begon hij te lachen. „Greet! Jij hebt mij nog een boete gegeven. Voor een boek over vissen. Drie weken te laat.”

„Vier,” zei mevrouw Hoekstra.

„Vier dan.” Hij gaf haar een hand. „Ab Kok. Ik ben hier nog sluiswachter in de zomer. Voor de bootjes. In de winter doe ik een beetje onderhoud. Kom binnen, het waait je de oren van je kop.”


Binnen was het warm. Er stond een klein kacheltje en een tafel met een zeil met bloemen erop. Aan de muur hingen foto's van schepen en een kalender van een bakker.

Ab schonk voor iedereen koffie in. Voor Sami en Fleur deed hij er zoveel melk en suiker in dat het bijna chocolademelk was.

Mevrouw Hoekstra legde uit waarom ze er waren. Ze vertelde niet alles. Ze zei alleen dat ze zochten naar iets van Hendrik Lammers. Iets wat met de klok te maken had.

„Lammers,” zei Ab. „De drukker?” Hij krabde onder zijn pet. „Mijn vader was hier sluiswachter. Van 1938 tot 1975. Hij heeft het weleens over Lammers gehad. Die kwam hier vaak kijken naar de schepen. Hij zat dan daar op de kade, met een schrijfblokje. Mijn vader vond hem een rare.”

„Heeft hij ooit iets met de klok gedaan?” vroeg Sami.

„Met de klok?” Ab keek omhoog, naar het plafond. „De klok wordt binnen opgewonden. Hij heeft een uurwerk achter een luikje. Dat heb ik van mijn vader geleerd. Elke zondag tien slagen aan de slinger.”

Hij liep naar de hoek van de kamer. Daar zat in de muur een houten deurtje, ongeveer zo groot als een keukenkastje. Het zat dicht met een ijzeren haakje. Ab maakte het open.

Achter het deurtje zat het uurwerk. Tandwieltjes van koper, een lange slinger die heen en weer zwaaide. Het tikte luid en rustig. Tik. Tak. Tik. Tak.

„Hier,” zei Ab. „Dit is het hart van de klok.”

Sami kwam dichterbij. Hij keek naar de tandwielen, de slinger, de kettinkjes. Toen keek hij naar de binnenkant van het deurtje.

Het hout was donker van ouderdom. Er zaten krassen in. En vlak bij het scharnier, zo laag dat je ervoor op je knieën moest, zat iets ingekerfd.

Een kraaitje. Met zijn kop schuin.

En daarnaast, in kleine, rechte letters, die iemand met een mesje in het hout had gesneden:

IV – 17

„Ab,” zei Sami. Zijn stem klonk hees. „Wist u dat dit hier zat?”

Ab bukte zich, kreunend. Hij bekeek het een hele tijd. „Nooit gezien,” zei hij. „Zestig jaar lang doe ik dit deurtje open. En ik heb het nooit gezien.”

„Je moet ook weten waar je moet kijken,” zei mevrouw Hoekstra zacht.

„IV,” zei Fleur. „Dat is vier. Boek vier!”

„Zeventien,” zei Sami. „Bladzijde zeventien.”


Ze hadden boek IV niet bij zich. Dat lag in de kist, in de kelder van de bibliotheek. Ze fietsten terug zo snel ze konden. Nu hadden ze de wind in de rug. Het voelde alsof ze vlogen.

Joris stond in de hal met een rolmaat. Naast hem stond een man in een lange grijze jas, met keurige schoenen die niet bij de natte straat pasten. Hij maakte foto's met zijn telefoon van het plafond.

„Dit wordt de entree,” zei de man. „En die trap naar de kelder gaat eruit. Die hele kelder wordt leeggehaald. Opslag voor de bewoners.”

Sami liep er snel langs. Hij rende de trap af. De derde tree kraakte.

De kist stond er nog. Hij pakte boek IV eruit. Geschiedenis van Wijkerveen. Hij sloeg het open bij bladzijde zeventien.

Het was een bladzijde over de Grote Kerk. Er stond een tekening bij van de kerk met de hoge toren. De tekst ging over het jaar dat de toren werd gebouwd en hoe vaak de spits was omgewaaid.

Er stonden streepjes onder letters. Hier een, daar een. Niet onder woorden, onder losse letters.

Fleur kwam hijgend de trap af, met mevrouw Hoekstra langzaam achter zich aan.

„Noem de letters,” zei Sami. „Ik schrijf.”

Fleur zocht met haar vinger. „T. O. R. E. N.”

„Toren,” zei Sami.

Onder aan de bladzijde, in de kantlijn, stond nog een zin. Mevrouw Hoekstra las hem voor, met haar bril op het puntje van haar neus.

Tel de treden en lees wat de klokkenluider las.

Ze keken elkaar aan.

„Dus we moeten de kerktoren in,” zei Fleur.

„Die toren is dicht,” zei mevrouw Hoekstra. „In de winter mag niemand naar boven.” Ze zette haar bril af en vouwde hem dicht. Toen glimlachte ze. „Maar de koster heeft vroeger bij mij elke week een stapel streekromans geleend. En die heeft ze niet allemaal op tijd teruggebracht.”