Hoofdstuk 3: Mevrouw Hoekstra
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het huisje van mevrouw Hoekstra was vanbinnen nog kleiner dan het er vanbuiten uitzag. En er stonden nog meer boeken dan bij Fleur.
Ze stonden in kasten tot aan het plafond. Ze lagen op de trap, op de stoelen en op het kastje naast de televisie. Op de tafel lag een stapel kranten met een bril erbovenop.
„Ga zitten,” zei mevrouw Hoekstra. „Schuif die boeken maar opzij. Niet op de grond leggen. Op de bank.”
Sami en Fleur gingen op het randje van de bank zitten. De grijze kat sprong van de vensterbank en kwam op Sami's schoot liggen. Hij was zwaar en warm en snorde als een brommer.
„Dat is Dewey,” zei mevrouw Hoekstra. „Hij is vernoemd naar een man die heeft bedacht hoe je boeken op een plank zet. Dat zegt jullie vast niks.”
„Meneer Dewey,” zei Fleur meteen. „Van de nummers op de rug. Alles met dieren begint met een vijf.”
Mevrouw Hoekstra trok één wenkbrauw op. „Kijk aan.”
Ze zette thee en legde speculaas op een bordje. Toen ging ze tegenover hen zitten met de kist op haar knieën. Ze maakte hem nog niet open. Ze streek met haar vingers over de witte letters, heel voorzichtig, alsof het deksel kon breken.
„Vertel,” zei ze.
Sami vertelde. Over de kelder en de zwarte kast. Over de twaalf gekafte boeken. Over de pijltjes in het vogelboek en de kraai en de zin in de kantlijn. Fleur vulde aan wat hij vergat. Dat was niet veel, maar Fleur vulde het toch aan.
Toen ze klaar waren, zat mevrouw Hoekstra een tijdje stil. Ze keek naar het raam. Buiten was het nu helemaal donker. Je hoorde de wind langs de dijk.
„Ik ben geboren in 1952,” zei ze toen. „Hetzelfde jaar dat de leeszaal openging. Mijn moeder zei altijd dat ik en de bibliotheek een tweeling waren.” Ze glimlachte een beetje. „In 1975 ben ik er gaan werken. Toen was ik drieëntwintig. En ik ben gebleven tot 2014.”
„Bijna veertig jaar,” rekende Sami uit.
„Negenendertig. Mijn eerste baas was juffrouw Dekker. Die had Hendrik Lammers nog goed gekend. Hij is gestorven in 1968. Ik heb hem dus nooit ontmoet. Maar juffrouw Dekker vertelde veel over hem.”
Ze nam een slok thee.
„Ze noemden hem de Kraai. Omdat hij altijd een zwarte jas droeg. En omdat hij alles wilde weten. Hij stond overal bij, met zijn hoofd een beetje scheef. Net een kraai op een hek.” Ze tikte op het kleine getekende vogeltje op het deksel. „Dat vond hij zelf ook leuk. Daarom zette hij dat beestje overal bij. Op zijn rekeningen. Op zijn kerstkaarten. Zelfs op het bordje bij de voordeur van de drukkerij.”
„Hij heeft zijn hele drukkerij weggegeven,” zei Fleur. „Waarom eigenlijk?”
„Omdat hij zelf als jongen niet naar de bibliotheek kon. Die was er niet, hier in Wijkerveen. En boeken waren duur. Hij was de zoon van een schipper. Hij heeft leren lezen van de etiketten op de vaten in het ruim, zei juffrouw Dekker. En later van alles wat hij te pakken kreeg.”
Sami dacht aan zijn eigen kamer. Er stonden drie boeken op de plank. Twee had hij van school gekregen.
„Op zaterdagochtend las hij voor,” ging mevrouw Hoekstra verder. „In de leeszaal. Voor kinderen uit de buurt. Ze noemden het de Leesclub van de Turfmarkt. Juffrouw Dekker zei dat de kinderen daar in de rij voor stonden. Tot op de stoep.”
„Maar hoe zit het met die kist?” vroeg Sami.
Mevrouw Hoekstra zette haar kopje neer.
„Er was een gerucht,” zei ze langzaam. „Al toen ik begon. Juffrouw Dekker vertelde dat Lammers aan het eind van zijn leven vaak zei: ‚Ik heb iets voor Wijkerveen bewaard.’ Maar hij wilde niet zeggen wat. Of waar. En toen hij overleed, heeft niemand het ooit gevonden.”
„Een schat,” zei Fleur.
„Dat dachten sommige mensen. Geld, of goud. Er hebben in de jaren zeventig zelfs mensen met een metaaldetector in de tuin achter de bibliotheek gelopen. Ze vonden een fietsbel en een hoop spijkers.” Ze snoof. „Ik heb er nooit in geloofd. Ik dacht dat het een praatje was. Een verhaal dat mensen elkaar vertellen omdat ze het mooi vinden.”
Ze opende de kist en pakte het vogelboek eruit. Ze zette haar bril op en zocht de bladzijde met de kraai. Sami zag dat haar handen een beetje trilden.
„Dit is zijn handschrift,” zei ze zacht. „Ik heb het op oude brieven gezien. In het archief.”
Toen keek ze streng op. „Overigens schrijf je níét in bibliotheekboeken. Ook niet als je de bibliotheek zelf hebt opgericht.”
„Dat zei ik ook,” zei Fleur.
„Begin waar het water de tijd telt,” las mevrouw Hoekstra hardop. „Hm.”
„Een waterklok?” zei Fleur. „Die hadden ze vroeger. Bij de Romeinen of zo. Water dat druppelt, en dan weet je hoe laat het is.”
„In Wijkerveen?” zei Sami. „Volgens mij niet.”
„De peilschaal,” zei mevrouw Hoekstra. „Die meet hoe hoog het water staat. Maar dat is geen tijd.”
Sami keek naar de kat op zijn schoot. Dewey had zijn ogen dicht. Hij dacht aan water in Wijkerveen. Er was veel water. Sloten, de vaart, de Weel. Overal waar je fietste, lag wel ergens water naast de weg.
„De sluis,” zei hij opeens.
De twee anderen keken hem aan.
„Bij de sluis in de Weel staat dat huisje. Van de sluiswachter. En daar hangt een klok aan. Een grote, met zwarte cijfers. Ik fiets er elke dag langs naar school.”
Mevrouw Hoekstra legde langzaam het boek neer. „Die klok hangt daar al sinds 1938. Toen werd de nieuwe sluis gebouwd. De schippers wisten aan die klok hoe laat de sluis openging. Dus zo telde het water de tijd. Elke keer als de deuren opengingen.”
„Dan moeten we daarheen,” zei Fleur. „Morgen.”
„Morgen,” zei mevrouw Hoekstra. „Om tien uur. Ik ga mee.” Ze zei het niet als een vraag.
„Kunt u fietsen?” vroeg Fleur. Sami gaf haar een por.
„Ik fiets al langer dan jouw ouders leven, meisje.”
Ze stonden al in de gang met hun jassen aan, toen mevrouw Hoekstra zei: „Wacht.”
Ze verdween in een kamertje achter de keuken. Ze hoorden laden open- en dichtgaan. Een doos die op de grond viel. Gemopper.
Toen kwam ze terug met een foto. Een oude zwart-witfoto in een kartonnen lijstje. De hoeken waren omgekruld.
„Deze heb ik in 2014 meegenomen, toen ik met pensioen ging. Er waren twee afdrukken van. Eén hangt in de bibliotheek, boven het kopieerapparaat. Niemand kijkt er ooit naar.”
Op de foto stond het gebouw aan de Turfmarkt. Je kon de letters op de gevel goed lezen. DRUKKERIJ LAMMERS. Daaronder een spandoek: OPENBARE LEESZAAL WIJKERVEEN. Voor de deur stonden kinderen in een rij. Jongens in korte broeken met kniekousen. Meisjes met vlechten en strikken. Ze keken allemaal heel ernstig, zoals mensen vroeger deden op foto's.
In het midden stond een man in een zwarte jas. Hendrik Lammers. Hij lachte als enige.
Sami telde de kinderen. Twaalf.
En toen zag hij wat Lammers in zijn handen hield. Hij hield het tegen zijn buik, alsof het iets kostbaars was. Een houten kist. Met koperen hoeken.
Sami keek van de foto naar de kist onder zijn arm. En weer terug.
Het was dezelfde.