Hoofdstuk 2: Potloodsporen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De soep was lauw en smaakte naar karton. Sami merkte het nauwelijks. Hij zat aan de balie met de kist op schoot en wachtte tot Joris klaar was met bellen.

Joris belde veel. Met de verhuizers, met de gemeente, met iemand die nieuwe kasten kwam brengen. Tussendoor schreef hij dingen op gele briefjes en plakte ze op zijn eigen arm.

Eindelijk legde hij zijn telefoon neer.

„Joris,” zei Sami. „Wie is H.L.?”

Joris keek naar de kist. Hij trok zijn leesbril van zijn hoofd naar zijn neus.

„Waar hebben jullie die gevonden?”

„Achter de zwarte kast,” zei Fleur. „Hij stond tegen de muur.”

Joris draaide het deksel naar het licht. „H.L. Dat moet Hendrik Lammers zijn. Kom eens mee.”

Hij liep naar de leeshoek bij het raam. Daar hing aan de muur een schilderij dat Sami nog nooit had opgemerkt. Een man met een rond gezicht en kleine ogen achter een ronde bril. Hij droeg een schort over zijn overhemd. In zijn hand hield hij iets vierkants, een blokje of zo.

„Dit is hem,” zei Joris. „Hendrik Lammers. Hij was drukker. Dit hele gebouw was vroeger zijn drukkerij. In 1952 heeft hij het aan Wijkerveen gegeven. Er moest een leeszaal in komen, voor iedereen. Gratis. Dat was toen heel bijzonder.”

„Daarom staat zijn naam nog op de muur,” zei Sami.

„Precies.”

Fleur ging op haar tenen staan. „Wat heeft hij in zijn hand?”

„Een letter, denk ik. Een loden letter, om mee te drukken. Vroeger zette je elk woord letter voor letter in elkaar.” Joris zuchtte. „Het schilderij gaat mee naar het nieuwe gebouw. Al weet ik nog niet waar het moet hangen. Daar zijn de muren van glas.”

De nieuwe bibliotheek heette De Boekenhaven. Hij stond naast het station en was helemaal nieuw. Sami was er een keer langs gefietst. Het leek op een groot aquarium.

„En dit gebouw?” vroeg Fleur. „Wat gebeurt hier straks mee?”

Joris keek even naar het plafond. „Verkocht. Aan Brouwer Vastgoed. Er komen appartementen in. Maandag wordt het getekend bij de notaris.”

„Appartementen?” zei Fleur. „In de bibliotheek?”

„Het is straks geen bibliotheek meer.” Joris zei het niet vrolijk. „Het gebouw is oud en het dak lekt. De gemeente heeft geen geld om het op te knappen.”

Sami hield de kist stevig vast. „Mogen we deze lenen? Om te bekijken?”

Joris aarzelde. „Lenen mag. Maar die boeken zijn afgeschreven, denk ik. Ze staan niet eens in het systeem. Vrijdag beslis ik wat ermee gebeurt. Archief of oud papier.”

„Oud papier!” zei Fleur.

„We hebben geen ruimte, Fleur. Echt niet. Je zou schrikken hoeveel oud papier er al weg is.”


Ze fietsten samen naar de fietsenwinkel. Sami had de kist onder zijn snelbinders. Bij elk drempeltje keek hij om of hij er nog op lag.

De winkel van de familie De Graaf rook naar rubber en olie. Achter de toonbank stond Fleurs vader een band te plakken. Hij stak zijn zwarte vingers op als groet.

„Boven is warmte,” zei hij. „En er ligt nog appeltaart.”

Fleurs kamer was klein en schuin, onder het dak. Er stonden overal boeken. Op de plank, op de vensterbank, onder het bed. Naast het bureau stonden er zelfs zoveel op elkaar dat het een soort trapje leek.

Ze legden alle twaalf boeken op het bed, in de goede volgorde.

Sami las de titels hardop. Dat ging langzaam, maar Fleur onderbrak hem niet.

I. Vogels van het polderland.

II. Rekenen voor de handelsschool.

III. De sterrenhemel in de winter.

IV. Geschiedenis van Wijkerveen.

V. Het Nederlandse liedboek.

VI. Bomen en struiken.

VII. Zeilschepen van de Zuiderzee.

VIII. Woordenboek der Nederlandse taal, deel A tot K.

IX. Eenvoudige proeven met water.

X. Het weer in Holland.

XI. Spreekwoorden en gezegden.

XII. Een leeg schrift.

„Een leeg schrift?” zei Fleur. Ze sloeg het open. Er stond niets in. Alleen op de eerste bladzijde een getekend kraaitje. „Raar.”

Ze bekeken de boeken een voor een. In bijna alle stonden potloodaantekeningen. Soms een woord. Soms een streepje onder een letter. Soms een rondje om een getal. Maar ze snapten er niets van.

„Misschien was hij gewoon een beetje gek,” zei Fleur. „Mijn opa schrijft ook in de krant.”

„Iedereen schrijft in de krant,” zei Sami. „De puzzel, bedoel je.”

„Nee, hij schrijft erin wat hij ervan vindt. ‚Onzin.’ ‚Klopt niet.’ Dat soort dingen.”

Sami pakte het vogelboek weer. Hij sloeg het open bij de kraai. Hij hield van puzzels. Hij kon een sudoku van vijf sterren in een kwartier oplossen. Hij wist hoe je een geheimschrift maakte met een rooster. Lezen ging traag, maar puzzelen ging snel.

En dit was een puzzel. Dat voelde hij gewoon.

„Kijk,” zei hij. „Dit is de enige bladzijde met een hele zin. ‚Voor wie dit vindt: de kraai wijst de weg.’ Dus de kraai is belangrijk.”

„Er staat een kraai op de kist. Op het schrift. Hier.” Fleur wees.

„Ja, dat is zijn handtekening. Maar de kraai in het boek ook. Kijk waar hij naar kijkt.”

De getekende kraai op de bladzijde keek naar rechts. Naar de rand van het papier. Daar, heel klein, nog kleiner dan de rest, stond iets geschreven. Het was bijna helemaal weggevaagd.

Fleur pakte de bureaulamp en hield hem er vlak boven. Sami boog zich zo dicht naar het boek dat zijn neus het papier bijna raakte.

„Begin,” las hij. „Begin waar het water... de tijd telt.”

Het bleef even stil. Beneden in de winkel rinkelde de deurbel.

„Waar het water de tijd telt,” herhaalde Fleur. „Wat betekent dat nou?”

„Weet ik niet.” Sami voelde zijn hart sneller gaan. „Maar het is een aanwijzing. Het is het begin van iets.”

„Van een speurtocht,” zei Fleur.

„Van een speurtocht van meer dan zeventig jaar oud.”

Fleur sprong op van het bed. „We moeten iemand vragen die alles weet van vroeger.”

„Joris?”

„Joris weet alles van verhuizen. Dat is wat anders.” Ze trok haar muts weer op haar hoofd. „Joris zei vorige maand iets tegen mijn moeder. Over de vrouw die hier vroeger de baas was. Meer dan dertig jaar lang. Ze woont aan de Dijkweg.”

„Hoe heet ze?”

„Mevrouw Hoekstra.”


Het was al bijna donker toen ze bij het huisje aan de Dijkweg aankwamen. Het lag laag naast de dijk, met een rood dak en een groene deur. In het raam stond een lamp aan. Op de vensterbank zat een dikke grijze kat die hen aankeek alsof ze te laat waren.

Sami belde aan. Hij had de kist onder zijn arm.

Het duurde lang. Toen ging de deur op een kier open. Een kleine vrouw met wit kort haar keek hen aan. Ze droeg een groot vest met houten knopen.

„Ja?”

„Goedenavond,” zei Fleur, heel beleefd. „Bent u mevrouw Hoekstra? Van de bibliotheek?”

„Van vróeger van de bibliotheek. Wat is er?”

Sami wist niet goed wat hij moest zeggen. Dus hij hield gewoon de kist omhoog. Zo dat ze het deksel kon zien. De witte letters. Het kleine getekende kraaitje naast de H.L.

Mevrouw Hoekstra keek ernaar. Haar hand ging naar de deurpost.

„Waar,” zei ze, en haar stem klonk opeens heel anders, „waar hebben jullie dat gevonden?”