Hoofdstuk 9: Hilde

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ze hadden er een week over gedaan om te besluiten wat ze tegen Hilde Postma zouden zeggen, en uiteindelijk zeiden ze niets, omdat ze geen adres had gegeven en geen telefoonnummer, en omdat Ellen vond dat je zoiets niet in een e-mail deed, zelfs als je een e-mailadres had gehad. Ze zou komen op zaterdag. Dan zouden ze het haar vertellen.

In die week was het huis veranderd. Joost merkte het vooral aan het geluid. De gang klonk anders nu de kolommen aan één kant weg waren; je stappen kwamen terug van de muur. In de achterkamer was het behang weer te zien, een patroon van kleine bruine bloemetjes dat hij zich vaag herinnerde, met lichtere rechthoeken waar vroeger schilderijen hadden gehangen. De voorkamer was half leeg. De piano stond nu vrij, aan alle kanten, en Joost had hem gestemd met een stemsleutel die hij bij een muziekwinkel in de Oude Kijk in 't Jatstraat had gekocht voor veel te veel geld, en een app op zijn telefoon die hij eigenlijk niet nodig had.

Ze hadden geteld. Maarten had dat gedaan, natuurlijk, met een spreadsheet. Twaalfduizend boeken waren de deur uit. Naar de kringloop, naar de stoepkast, die elke ochtend leeg was en die Ellen elke avond weer vulde, naar Mulder, die drie keer was teruggekomen en die bij elk bezoek minder kocht en langer bleef. Naar Fenna, die met vier vrienden en een bakfiets een complete natuurbibliotheek naar haar studentenhuis in de Oosterpoort had gereden. Naar mevrouw Smit, die alleen de boeken wilde met recepten erin.

Achttienduizend nog.


Het busje stopte om tien uur voor de deur. Een wit busje met op de zijkant het logo van een basisschool in Vinkhuizen: een boom met letters als blaadjes. Er stapte een vrouw uit van een jaar of zestig, in een gele regenjas, met kort grijs haar en een gezicht dat gewend was te lachen. Ze keek naar de gevel, naar de stoepkast, en toen naar Joost, die in de deuropening stond.

Hij zag haar gezicht veranderen. Hij zag dat ze het al wist voordat hij iets had gezegd.

„O,” zei ze. „O nee.”

„U bent Hilde,” zei hij.

„Wanneer?”

„Twaalf september. Hij is gevallen. Hier, in de gang.”

Ze legde haar hand tegen het kozijn. Ze bleef zo een tijdje staan. Op de singel fietste een vader voorbij met een kind voorop dat een liedje zong over een kikker.

„Ik had moeten bellen,” zei ze. „Hij nam niet meer op, de laatste tijd. Ik dacht: hij is druk. Ik dacht: Henk, die zit te lezen.”

„Komt u binnen,” zei Joost.


Ze zaten in de keuken, met zijn vieren nu, en voor het eerst waren er genoeg stoelen; Maarten had er twee gevonden onder een berg tijdschriften op de overloop. Ellen had thee gezet. Er was krentenwegge van mevrouw Smit, de derde deze maand.

Joost had verwacht dat het ongemakkelijk zou zijn. Dat had hij de hele week verwacht. Hij had er grappen over gemaakt, tegen Maarten, op zolder: misschien is ze dertig, misschien is ze een Russische spionne, misschien heeft pa een tweede gezin in Hoogezand. Maarten had niet gelachen, maar zijn mondhoek had bewogen, en dat was meer dan Joost in jaren van hem had gekregen. Nu zat ze hier, en het was niet ongemakkelijk. Ze huilde een beetje, zonder er iets aan te doen, en ze dronk haar thee, en ze vertelde.

„Ik zat bij hem in de klas. Op het gymnasium. In 1978, 1979. Ik was zestien en ik was zwanger.” Ze zei het zonder omhaal, zoals je zegt dat je in Delfzijl bent geboren. „Mijn ouders hebben me de deur uit gezet. Dat gebeurde toen nog. De school wilde dat ik zou stoppen. Niet officieel, maar ze maakten het je moeilijk. Je vader niet. Je vader zei: jij gaat je eindexamen doen, Postma.”

„Postma,” zei Ellen. „Zo noemde hij zijn leerlingen.”

„Hij noemde iedereen bij zijn achternaam. Behalve zijn vrouw.” Hilde glimlachte. „Ik kwam hier twee avonden in de week. Aan deze tafel. Hij overhoorde me. Grieks, Latijn, Nederlands. Je moeder kookte. Toen Jeroen was geboren, mijn zoon, in het voorjaar van 1979, hield zij hem vast terwijl ik leerde. Ze liep met hem door de gang, heen en weer, en zong. Dan sliep hij.”

Ellen had haar mok neergezet.

„Ik weet dat nog,” zei ze. „Een meisje met een baby. Ik dacht dat jij familie was.”

„Jij was vijf,” zei Hilde. „Je zat op de trap en je keek. Je vroeg of ik ook een moeder had.”

Ze was geslaagd. Daarna was ze naar de pabo gegaan, met Jeroen bij een oppas, en ze was juf geworden, en later leesconsulent, en nu was ze adjunct-directeur van een school in Vinkhuizen waar de helft van de kinderen thuis geen boek had. Ze had Henk Wierenga nooit uit het oog verloren. Een kaart met Kerst. Een keer per jaar een kop koffie in de stad. En sinds 2010, na zijn pensioen, was hij elke maand op haar school gekomen om voor te lezen.

„Elke maand?” vroeg Maarten.

„Elke eerste woensdag. Tot drie jaar geleden.” Ze keek naar Joost. „Hij las altijd hetzelfde boek. Ik heb gezegd: Henk, je hebt dertigduizend boeken, neem eens wat anders mee. Hij zei: Postma, dit is het beste boek dat ik heb. De kinderen vonden het ook. Over een jongen in een vuurtoren.”

Joost voelde zijn keel dicht gaan. Hij stond op en liep naar de voorkamer, naar de piano, waar zijn eigen jeugdboeken nog lagen. Hij kwam terug met het boek over de vuurtoren, met zijn naam erin, Joost Wierenga, 1995, en de kantlijn over het telefoongesprek van februari 2011.

„Dit?” vroeg hij.

Hilde nam het van hem over. Ze sloeg het open, zag zijn naam, en keek hem aan.

„Dat is het,” zei ze. „Dat is precies het. Hij zei altijd tegen de kinderen: dit boek is van mijn jongste zoon. Hij is pianostemmer in Amsterdam. Hij kan horen of een toon een haartje te hoog is. En dan vroegen de kinderen of je dat echt kon, en dan zei hij: ik heb het zelf gezien.”

Joost ging zitten. Hij kon niets zeggen. Maarten, naast hem, legde een hand op zijn schouder en liet hem daar liggen, zwaar en onhandig, en Joost liet het toe.


Het ging over de jeugdboeken. Dat was de afspraak geweest. In het voorjaar van 2023, voor de diagnose, had hun vader haar gebeld en gezegd: Postma, als ik er niet meer ben, of als ik niet meer weet wie ik ben, krijg jij de kinderboeken. Allemaal. Voor je school. Ze had gelachen en gezegd dat hij dat nog heel lang niet hoefde te regelen. Hij had gezegd dat hij het toch alvast regelde. Ze had in augustus een kaart gekregen, in een beverig handschrift: Kom in oktober. H. Zonder jaartal. Ze had gedacht dat hij dit jaar bedoelde.

„Hoeveel zijn het er?” vroeg Ellen.

„Hij zei: tweeduizend. Ongeveer.”

Ze keken elkaar aan. Joost zag Maarten rekenen.

„Het mag,” zei Maarten. „Natuurlijk mag het. Het staat in het testament. Geven aan wie het wil lezen.” Hij keek naar Hilde. „Uw kinderen willen lezen?”

„Mijn kinderen hebben er nooit de kans voor gehad,” zei Hilde. „Dat is iets anders. Maar ja. Als je ze een boek geeft, willen ze lezen.”


Ze laadden de hele middag. Hilde reed twee keer op en neer naar Vinkhuizen en de derde keer kwam ze terug met twee collega's en een conciërge met een steekwagen. Het ging sneller dan Joost had verwacht. De jeugdboeken stonden verspreid door het huis, maar hun vader had ze in de kaartenbak in één vak gezet, Voor kinderen (en voor mij), met de plekken erbij. Ellen las de kaartjes voor en de anderen haalden.

Ze sloegen ze allemaal open. Hilde vond dat eerst vreemd en daarna niet meer. In een boek over een heks met een kat zat een tekening van Maarten, met potlood, van een dijk met een dorp erachter. In een prentenboek over een beer zat een tandje, in een papiertje, met E., 1980 erop. Hilde lachte zo hard dat de conciërge in de gang bleef staan.

Om vijf uur was het busje voor de laatste keer vol. Hilde stond op de stoep, met haar gele jas weer aan.

„Ik weet niet of het iets betekent,” zei ze tegen Joost. „Maar de school heeft een piano. In de aula. Niemand heeft hem gestemd sinds de jaren negentig. En ik ken nog drie scholen in de stad met hetzelfde probleem. En een muziekschool in Haren die net haar stemmer is kwijtgeraakt, omdat die naar Spanje is verhuisd.”

Joost keek haar aan.

„Groningen heeft meer piano's dan je denkt,” zei Hilde. „Ze staan alleen allemaal vals.”

Ze gaf hem een kaartje met haar telefoonnummer. Toen pakte ze Ellen vast, kort, en Maarten, langer, en hem als laatste.

„Hij was trots op jullie,” zei ze. „Ik weet niet of hij dat gezegd heeft. Waarschijnlijk niet. Hij zei nooit iets wat hij ook kon opschrijven.”


Die avond, toen Ellen naar Zwolle was voor een nacht in haar eigen bed en Maarten naar het hotel, ging Joost naar boven. Naar de slaapkamer van zijn ouders, aan de voorkant, met het raam op de singel. Ze hadden die kamer bewaard tot het laatst. Niemand wilde erin.

Het bed was opgemaakt. Ellen had het opgemaakt na het ongeluk, met schone lakens, wat Joost ontroerend en volkomen zinloos vond. Rond het bed stonden de kolommen tot aan het plafond, net als overal. Maar aan de wand tegenover het raam, waar vroeger de kledingkast had gestaan, stond iets anders. Hij zag het pas toen hij een paar stapels opzij had geschoven.

Een kast. Een kleine, eikenhouten kast, ouder dan de rest, met een deur met een slot. Geen glas. De sleutel zat er niet in.

Hij trok aan de deur. Hij zat vast. Hij keek op de bovenkant van de kast, in de laden van het nachtkastje, onder het kussen van zijn vader, in het bekertje bij de kaartenbak. In de kaartenbak zelf zocht hij een vak met sleutel. Er was er geen.

Hij liep terug naar de kast en tilde hem een klein stukje op, aan de zijkant, om te voelen hoe zwaar hij was. Hij was niet zwaar. Er schoof iets binnenin, van de ene kant naar de andere. Iets wat geen boek was. Iets wat licht was en rammelde als papier in een blik.

Hij zette de kast terug. Hij ging op de rand van het bed zitten en keek ernaar.

Achttienduizend nog. En dit.