Hoofdstuk 8: Water
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Toen Maarten naar beneden kwam, met nat haar en een overhemd dat hij al drie dagen droeg, zat Ellen op de keukenvloer met een verhuisdoos tussen haar knieën. Om haar heen lagen boeken, op de tegels, in een halve cirkel. Ze las een brief. Ze keek niet op.
Joost stond bij het aanrecht en schudde langzaam zijn hoofd naar Maarten. Niet nu.
Maarten ging zitten op een van de twee stoelen en wachtte. Hij was goed in wachten, had hij altijd gedacht. Op het werk, bij vergaderingen waar iedereen door elkaar praatte, wachtte hij tot er een stilte viel, en dan zei hij één ding, en dat ene ding werd meestal het besluit. Hier hielp het niet. Hier was de stilte van een andere soort.
Na een tijd vouwde Ellen de brief op en legde hem in haar schoot.
„Hij bedankt me,” zei ze. „Hij schrijft: je hebt het meeste gedaan, ik heb het gezien, ook als ik het niet zei.” Ze keek naar de boeken om haar heen. „En dan heeft hij al deze boeken voor me uitgezocht. Allemaal met een briefje. Dit is het boek dat ik las toen ik mijn eindexamen deed. Dit is het boek dat ik meenam naar Utrecht en dat hij terugvond toen ik het hier vergeten was, in 1993. Dit is,” ze pakte er een op, een kookboek met vetvlekken, „dit is het boek waaruit ma de pannenkoeken bakte op mijn verjaardag. Hij schrijft erin: E. at er negen. Nooit meer zo gelukkig gezien.”
Ze lachte en huilde tegelijk, en Maarten had geen idee wat hij moest doen met zijn handen.
„Negen,” zei Joost. „Respect.”
„Ik was zeven.” Ze veegde haar gezicht af met haar mouw. „Hij schrijft ook: Je moeder had gelijk over bladzijde 31.”
Maarten begreep het niet, en Ellen legde het niet uit, en dat was goed.
Ze zetten koffie in de oude percolator, omdat het apparaat van hun vader kapot was en niemand een nieuw wilde kopen voor een huis dat over een paar weken leeg zou zijn. De percolator pruttelde en siste. Het rook naar zondagochtend in 1986.
Maarten wachtte tot ze alle drie een mok hadden. Toen zei hij het. Hij zei het zoals hij een rapport zou presenteren: eerst de feiten, dan de gevolgen.
„In april heb ik mijn baan verloren. Reorganisatie. Ze hebben de afdeling waterbouw samengevoegd met die in Arnhem en ik was boventallig. Ik heb een regeling. Die loopt tot januari.” Hij keek naar zijn koffie. „In juli heeft Saskia gezegd dat ze wil scheiden. Niet alleen door het werk. Het werk was het laatste. Ze zei dat ik er al jaren niet was. Zelfs als ik er was.”
Ellen keek op, scherp, en hij wist niet waarom.
„Ze heeft een appartement gevonden in Kralingen. Ik blijf voorlopig in het huis, maar dat kan ik niet betalen. Niet alleen. De jongens zijn om de week bij mij. Thijs is zestien. Hij praat niet meer tegen me, behalve over voetbal. Bram is dertien. Die vraagt of opa boeken had over Formule 1.” Hij haalde zijn schouders op. „Ik heb het niemand verteld. Niet aan collega's, oud-collega's. Niet aan jullie. Ik heb gedacht: als het huis verkocht is, heb ik een buffer. Dan zoek ik iets. Dan vertel ik het daarna.”
„Daarom wilde je een container,” zei Joost.
„Ik heb nooit een container gezegd.”
„Je hebt het niet gezegd. Je dacht het. Ik zag het aan je gezicht in de gang.”
Maarten wilde ontkennen en deed het niet.
Ellen schoof de doos een stukje van zich af en ging rechtop zitten, met haar rug tegen het keukenkastje.
„Weet je wat ma ooit over pa heeft geschreven?” vroeg ze.
„Nee.”
„Ma heeft in 1991 in een boek geschreven: Je bent er nooit, Henk, zelfs als je er bent. Precies zo. Joost en ik hebben het maandag gevonden.” Ze keek hem aan, en het was niet triomfantelijk, het was iets anders, iets wat op medelijden leek, maar zachter. „Je bent zijn zoon, Maarten. Meer dan wij allebei.”
Joost vertelde het daarna. Van het huis. Dat hij wilde blijven. Hij zei het snel en een beetje rommelig, met zijn handen in de mouwen van zijn trui, en Maarten luisterde en voelde iets in zijn maag zakken.
„Als jij hier blijft,” zei hij, „krijg ik niks.”
„Je krijgt je deel. Ooit. Als ik het kan betalen.”
„Ooit,” zei Maarten. „Joost, ik heb een regeling tot januari.”
„Ik weet het.”
„Weet je wat dit huis waard is? Aan de singel? Zelfs zo? Daar kan ik iets van kopen in Rotterdam. Een plek waar de jongens kunnen slapen zonder dat ze op een matras in mijn werkkamer liggen.”
„Ik weet het.”
„Je bent eenenveertig en je slaapt op de bank van een vriend.”
Het was eruit voor hij het kon tegenhouden. Joost knipperde niet eens. Hij knikte alleen.
„Ja,” zei hij. „Dat klopt.”
Ellen zei niets. Ze keek van de een naar de ander en ze zei niets, en Maarten begreep dat ze het voor deze ene keer niet ging oplossen. Dat ze het niet meer ging oplossen, voor geen van beiden. Het voelde als vallen.
„Ik ga naar boven,” zei hij. „Naar de zolder. Ik moet even.”
„Even wat?”
„Even niks.”
Op de zolder was het lichter dan zaterdag. Iemand, Joost waarschijnlijk, had de dakraampjes opengezet, en er kwam een koude, frisse lucht binnen die naar regen en naar de bladeren aan de singel rook. Boven de daken hoorde hij de klokken van de Martinitoren, die het hele uur speelden, een melodie die hij niet kende en die hij zijn hele jeugd had gehoord.
De kast met de waterboeken stond er nog. Hij ging ervoor zitten, op de vloer, met zijn rug tegen een balk.
Hij pakte het proefschrift over golfoverslag. Hij had het zelf ooit moeten lezen, als student, en hij was in hoofdstuk drie afgehaakt. Hij sloeg het open en zag dat zijn vader het niet alleen had gelezen, maar had bestudeerd. Met potlood. Pijlen, onderstrepingen, formules die hij had overgeschreven in de kantlijn, met vraagtekens. Het handschrift was van voor de ziekte, nog vast en zwart.
Bij een formule op bladzijde achtenveertig stond: Wat is Hm0? Vraag M.
Op bladzijde zestig: Waarom is een flauwe helling beter? Ik zou denken: steiler is sterker. Vraag M.
Op bladzijde zesentachtig, bij een grafiek: Ik begrijp er niets van. Mooi.
Hij bladerde verder. In het boek over de Zuiderzeewerken: Lely. Wist M. dat Lely dit al in 1891 had uitgerekend? Natuurlijk wist hij dat. Vraag het toch. In het boek over de Watersnoodramp, bij een foto van een gebroken dijk in Zeeland: M. zei eens dat een dijk nooit breekt op de plek waar je het verwacht. Ik heb er sindsdien over nagedacht. Het geldt voor meer dingen.
Dat had hij gezegd. Hij wist het nog. Aan tafel, op een kerstavond, jaren geleden, toen hij nog student was. Hij had gedacht dat zijn vader niet had geluisterd.
Hij telde de vragen. Het waren er zevenenveertig. Zevenenveertig keer Vraag M. in veertig boeken. Geen enkele keer had zijn vader het gevraagd.
Hij dacht: en ik ook niet. Zevenenveertig keer heb ik niet gebeld.
Hij ging naar beneden en pakte in de keuken de zwarte vulpen uit het bekertje bij de kaartenbak. Ellen en Joost zaten in de voorkamer; hij hoorde ze zacht praten, en een keer de piano. Ze vroegen niet wat hij deed.
Terug op zolder sloeg hij het proefschrift weer open, op bladzijde achtenveertig. Hij had nog nooit in een boek geschreven. Hij brak er ruggen van, hij scheurde bladzijden uit voor werkstukken, maar hij schreef er niet in. Dat was iets van zijn vader. Hij schroefde de dop van de pen. De inkt was nog niet ingedroogd.
Onder Wat is Hm0? Vraag M. schreef hij, met zijn eigen schuine, iets te kleine letters:
De significante golfhoogte, pa. Ongeveer de gemiddelde hoogte van het hoogste derde deel van de golven. Wat je ziet als je naar zee kijkt en denkt: die zijn hoog.
Hij keek ernaar. Het zag er raar uit, zijn hand onder die van zijn vader, in hetzelfde zwart. Het zag er ook goed uit.
Bladzijde zestig. Een flauwe helling is beter omdat de golf er langzaam op uitloopt en zijn kracht verliest voordat hij de kruin bereikt. Een steile dijk vangt de klap in één keer. Het is niet sterker om alles tegen te houden. Het is sterker om het te laten uitlopen.
Hij las het terug en dacht aan Saskia, aan Thijs die niet meer met hem praatte, aan de keuken in 2017 waar hij tegen zijn vader had gezegd dat hij pas terugkwam als er één kast was. Hij liet de zin staan.
Hij schreef tot het donker werd. Hij beantwoordde vijfendertig van de zevenenveertig vragen. Bij de twaalf die overbleven wist hij het antwoord niet, of wist hij het wel maar niet zo dat zijn vader het zou begrijpen, en bij één ervan, de vraag bij de foto van de gebroken dijk, schreef hij alleen: Ja.
Toen hij beneden kwam, was het half zeven. Het rook naar uien. Joost had het fornuis gerepareerd, met een schroevendraaier en een filmpje op zijn telefoon, en stond eieren te bakken in een pan die eruitzag alsof hij uit de oorlog kwam.
„Uitsmijter,” zei hij. „Meer kan ik niet.”
Ellen zat aan tafel met de post. Er was elke dag post. Folders, rekeningen, rouwkaarten van mensen die het te laat hadden gehoord, de krant. Ze had een stapel gemaakt voor de notaris en een stapel voor de prullenbak. Ze hield een envelop omhoog. Een gewone witte envelop, met de hand geadresseerd, in een rond, regelmatig handschrift.
De heer H. Wierenga, Praediniussingel.
„Deze is vandaag gekomen,” zei ze. „Van ene Hilde Postma. Ik heb hem opengemaakt.” Ze gaf hem aan Maarten. „Lees maar.”
Het was een kort briefje, op lichtblauw papier.
Beste Henk,
Zoals we hebben afgesproken kom ik op zaterdag 10 oktober de boeken halen. Ik heb een busje geleend van de school. Ik verheug me er erg op, en ik verheug me erop jou weer te zien. Het is te lang geleden. Zeg me als het niet uitkomt.
Liefs, Hilde
Maarten las het twee keer. Hij keek op naar Ellen, en toen naar Joost, die met de spatel in zijn hand bij het fornuis stond.
„Liefs,” zei Joost langzaam. „Pa had een Hilde.”