Hoofdstuk 7: Vak K
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ze gingen op de fiets. Ellen op de oude Gazelle van haar moeder, die achter in de schuur had gestaan onder een zeil, met banden die Joost om half zeven met een pomp uit de kelder had opgepompt. Joost op de fiets van hun vader, waar hij de boeken uit de fietstas had gehaald en op de keukentafel had gelegd. Een Engelse grammatica, een boek over paddenstoelen en een roman van een Groninger schrijver die Ellen niet kende. Ze hadden ze niet opengeslagen. Daar was geen tijd voor.
Het was koud en helder. Boven de Hereweg trokken ganzen over, in een rafelige V, schreeuwend. De stad was nog maar half wakker. Een bakker zette een bord buiten. Een vrouw in een joggingbroek liet een hond uit die alles wilde ruiken.
Ellen had deze weg vaak gefietst, als meisje, naar de muziekschool, naar vriendinnen in de Herewegbuurt. Ze had hem tien dagen geleden nog gereden, in de volgauto achter de rouwauto, met Maarten naast zich en Joost voorin naast de chauffeur, en ze had toen niet naar buiten gekeken.
De poort van de Zuiderbegraafplaats stond open. Ze zetten de fietsen tegen het hek. Het grind knerpte. Er hing een geur van nat blad en van de eerste schoorstenen in de buurt.
„Weet jij waar vak K is?” vroeg Joost.
„Nee.”
„Ma ligt toch hier?”
„Vak D,” zei Ellen. „Bij de waterpomp. En pa nu ook.”
Ze liepen eerst daarheen, omdat het vanzelf ging. Het graf was nog nieuw; de aarde lag hoger dan die van de graven eromheen en er stonden nog bloemen van de begrafenis, verlept nu, de linten met de teksten slap van de regen. Lieve pa. Rust zacht. Van je kinderen. Ellen had die tekst uitgekozen, bij de bloemist op de Oude Ebbingestraat, omdat de anderen er niet waren om iets te kiezen. Ze had niet geweten wat je schreef op een lint voor een man met wie je nooit iets had gezegd wat ertoe deed. Van je kinderen. Het was het enige wat zeker waar was.
Naast de bloemen stond de steen van hun moeder, grijs, eenvoudig. Anna Wierenga-Kuipers, 1946–2001. Er was ruimte onder haar naam. Die zou volgend jaar worden ingevuld.
Maarten zat op een bankje achter het hoofdpad, een eind verderop, onder een boom met een stam zo breed als een deur. Een beuk. Hij had zijn jas aan en het boek over de Waddenzee op zijn schoot. Hij zag er niet uit alsof hij in een hotel had geslapen. Hij zag er niet uit alsof hij had geslapen.
Hij stond op toen ze aankwamen.
„Ik ben hier sinds zes uur,” zei hij. „De poort was nog dicht. Ik ben over het hek geklommen.”
„Maarten,” zei Ellen.
„Er was een man van de gemeente. Om half acht. Hij heeft me niet weggestuurd. Hij heeft me iets laten zien.”
Hij liep een paar meter van het pad af, het gras in, tussen de wortels van de beuk door, die boven de grond lagen als de knokkels van een hand. Daar was een stuk grond zonder stenen. Een veld, eigenlijk, met mos en klimop, en hier en daar een klein bordje, een paar verbleekte plastic bloemen, een engeltje van gips waarvan de vleugel was afgebroken.
„Algemene graven,” zei Maarten. „Uit die jaren. Kinderen die het ziekenhuis heeft begraven. Ze weten niet precies wie waar ligt. Er is een lijst, maar die is onvolledig. De man zei dat er de laatste tijd vaker mensen komen. Ouders van toen. Die nu pas gaan zoeken.”
Hij wees naar een plek vlak bij de stam. Er lag een steen. Geen grafsteen. Een gewone steen, een kei, zoals je die op het wad kunt vinden of in een akker in Drenthe, zo groot als een brood. Er was iets in gekrast, met een spijker of een schroevendraaier, onhandig. Een L. Daaronder 1982.
Joost hurkte. Hij legde zijn hand op de steen. Ellen zag zijn schouders trillen en ze keek weg, omdat hij dat zou willen.
Ze dacht aan maart. Aan dit jaar, aan veertien maart, een zaterdag. Hun vader had haar gebeld, wat hij het laatste jaar bijna nooit meer deed, en gevraagd of ze hem ergens heen wilde rijden. Waarheen, pa? Naar Anna. Ze was gekomen, uit Zwolle, op een zaterdag, met boodschappen voor een week. Ze had hem hier naartoe gereden en ze waren samen naar vak D gelopen, langzaam, hij aan haar arm. Bij de steen van haar moeder was hij niet blijven staan. Hij was doorgelopen. Hierheen. Naar de beuk. Hij had hier gestaan met zijn handen in zijn jaszakken en naar de grond gekeken, en Ellen had gedacht: hij weet het niet meer. Hij weet niet meer waar ze ligt. Ze had hem bij zijn arm genomen en gezegd: pa, ma ligt daar, kom maar. En hij was meegegaan. Zonder iets te zeggen. Hij had haar hand een keer geklopt, in de auto, terug.
„Ik heb hem hier weggehaald,” zei ze.
Maarten keek haar aan.
„In maart. Hij stond hier. Ik dacht dat hij in de war was. Ik heb hem meegenomen naar ma.” Ze hoorde haar eigen stem en hij klonk heel gewoon, alsof ze vertelde dat ze de verkeerde afslag had genomen. „Hij heeft het niet gezegd. Hij had het kunnen zeggen.”
„Misschien kon hij het niet meer,” zei Joost, vanaf de grond.
„Misschien,” zei Ellen. „Of hij wilde het niet. Hij wilde ons er geen last van laten hebben. Dat zei tante Wiep. Ze zijn nog klein.”
Ze gingen op het bankje zitten, met zijn drieën, wat eigenlijk niet paste. Joost zat in het midden. De zon kwam door de takken en maakte vlekken op het grind. Op de Hereweg reden de eerste bussen.
„Vertel eens,” zei Maarten. „Van de donderdagen.”
Ellen wist niet waar ze moest beginnen. Bij het begin, dacht ze. Bij de deur.
Ze vertelde dat het in 2023 begonnen was, met kleine dingen. Dat hij de fiets van zijn moeder ging zoeken in de schuur omdat hij naar de markt wilde, en dat hij niet meer wist dat zijn eigen fiets ernaast stond. Dat hij het boek dat hij aan het lezen was elke ochtend weer bij bladzijde één begon, en dat hij het niet erg leek te vinden. Dat ze het zelf had ontdekt, op een donderdag, toen ze de vaatwasser uitruimde en hij vroeg wanneer Maarten thuiskwam van school.
Ze vertelde over de geheugenpoli. Over de neuroloog, een jonge vrouw met oorbellen in de vorm van kleine vogels, die het heel goed had uitgelegd. Over hun vader, die naar die oorbellen had gekeken en had gezegd: mevrouw, dat zijn koolmezen. En dat de neuroloog had gelachen en gezegd: dat klopt. En dat hij daarna in de auto terug had gezegd: zeg het niet tegen de jongens, Ellen. Ze hebben genoeg aan hun eigen hoofd.
Ze vertelde dat hij haar soms Anna noemde. Niet vaak. Op het laatst vaker. Dat ze het eerst had verbeterd en later niet meer.
Ze vertelde over de stapels, die hoger werden, omdat hij elke dag naar Mulder ging en een boek kocht en het thuis ergens neerlegde en vergat waar. Dat ze had geprobeerd ze weg te halen, een keer, een hele kolom in de gang, naar de kringloop, en dat hij zo in paniek was geraakt dat ze ze de volgende dag allemaal had teruggekocht, voor zevenendertig euro, en ze weer had neergezet, in dezelfde volgorde, zo goed als ze kon. Hij had het niet gemerkt.
„Je hebt ze teruggekocht,” zei Maarten.
„Ik heb ze teruggekocht.”
Hij zei een tijd niets. Een merel scharrelde onder de beuk tussen de bladeren en gooide ze met zijn snavel achter zich.
„Ik had het niet gekund,” zei Maarten toen. „Ik had hem in een tehuis gestopt.”
„Dat weet ik.”
„Misschien was dat beter geweest.”
„Misschien,” zei Ellen. „Hij was er wel gelukkig, denk ik. Tussen zijn boeken. Hij wist niet meer wat erin stond, maar hij wist dat het zijn boeken waren.”
Ze zweeg. Joost tussen hen in haalde diep adem.
„Maarten,” zei hij. „Saskia belde gisteravond.”
Maarten verstijfde. Ellen voelde het door Joost heen, zoals je bij een trein voelt dat de andere wagon remt.
„Ze maakt zich zorgen,” zei Joost. „Ze zei iets van je werk.”
Maarten keek naar de steen onder de beuk. Toen stond hij op.
„Niet hier,” zei hij. „Straks. Thuis.”
Het was de eerste keer dat hij het zo noemde. Ellen hoorde het en zei er niets van.
Thuis was het koud. Joost zette de verwarming hoger; de radiatoren tikten en bonkten en gaven na een kwartier eindelijk iets van warmte. Maarten ging douchen. Ellen ging aan de keukentafel zitten, met haar handen om een mok thee, en trok zonder nadenken de derde la van de kaartenbak open. Die hadden ze nog niet gedaan.
De tabkaartjes in de derde la waren anders. Het handschrift was trager. Sommige letters waren twee keer overgetrokken, alsof hij niet zeker wist of ze er al stonden.
Boeken om opnieuw te lezen als ik ze vergeten ben.
Boeken die Anna mooi vond. (Allemaal?)
Waar ik mijn bril heb gelaten. Het vak was leeg.
En helemaal achteraan, het laatste tabje, met een kaartje dat in een plastic hoesje zat zodat het niet kon kreuken:
Voor E., als ik het niet meer weet.
Er zat maar één kaartje achter. Slaapkamer E., onder het bed. Doos.
Ellen bleef zitten. Ze hoorde boven de douche lopen, de leidingen kreunen. Ze hoorde Joost in de voorkamer een toets aanslaan op de piano en die laten uitklinken, en nog een keer, en nog een keer, alsof hij naar iets luisterde wat alleen hij hoorde.
Ze had vier nachten in dat bed geslapen. Ze had er het hele laatste jaar op donderdag in geslapen. Ze had nooit onder het bed gekeken, omdat er onder alle bedden in dit huis boeken lagen en ze had gedacht dat het er gewoon nog meer waren.
Ze ging de trap op, schuin, langs de stapels. In haar kamer knielde ze naast het bed en tilde de sprei op.
Het was een verhuisdoos. Er stond met dikke zwarte stift op geschreven: ELLEN. De doos was dichtgeplakt met bruin plakband, heel zorgvuldig, de hoeken omgevouwen. Op het deksel lag een envelop, zonder postzegel, zonder adres. Alleen haar naam en eronder, kleiner, in een handschrift dat al begon te wankelen:
Lees dit niet als ik het nog weet.