Hoofdstuk 6: Gesprek in de kantlijn

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Maarten kwam die avond niet terug. Om zes uur niet, om zeven uur niet. Ellen belde hem twee keer en kreeg zijn voicemail, waarop hij met een zakelijke stem zei dat hij op dit moment niet bereikbaar was maar zo spoedig mogelijk zou terugbellen. Joost stuurde een appje. Alles goed? Bami staat klaar. Eén grijs vinkje. Daarna twee. Niet blauw.

„Hij is naar zijn hotel,” zei Ellen. „Hij doet dit altijd. Weglopen en dan in een hotel gaan zitten.”

„Altijd?”

„Toen hij zestien was, is hij een keer met de fiets naar Delfzijl gereden en heeft hij een nacht in een jeugdherberg geslapen omdat pa had gezegd dat hij geen gevoel had voor taal.”

„Dat wist ik niet.”

„Jij was negen. Jij hebt er niks van gemerkt.” Ellen zette de pan bami terug op het fornuis, dat nog steeds niet werkte, en zette hem toen in de koelkast. „Hij komt wel.”

Ze zag er moe uit. Joost had haar nooit moe zien zijn, of hij had het nooit gezien omdat hij nooit had gekeken. Ze was altijd de oudste geweest, de verstandige, degene die de verjaardagskaarten stuurde en de verzekeringen regelde en wist welke kant van het bed het dichtst bij het raam was. Nu stond ze bij het aanrecht met een lepel in haar hand die ze vergeten was neer te leggen.

„Ellen,” zei hij. „Zullen we iets anders doen vanavond? Niet sjouwen?”

„Wat dan?”

„Lezen.”


Het was zijn idee om ze op volgorde te leggen. De gesprekken. Sinds het blauwe boekje in de gang hadden ze er tientallen gevonden, in de achterkamer, in de voorkamer, op de trap: boeken waarin hun ouders tegen elkaar hadden geschreven. Ze hadden ze apart gezet, op de vloer van de voorkamer, in de ruimte die Joost rond de piano had vrijgemaakt. Het was een stapel van een meter hoog geworden.

Hun vader zette onder bijna elke aantekening een datum. Hun moeder bijna nooit, maar ze schreef meestal vlak na hem, in dezelfde week, zo te zien, want ze reageerde op wat hij had gezegd. Als je zijn datum had, had je de hare ongeveer ook.

Ze legden de boeken in een lange rij over de vloer, van de piano tot de deur, opengeslagen bij de goede bladzijde. 1973. 1975. 1976, het blauwe boekje. 1979. Het werd een pad door de kamer, een tweede pad, dwars op dat van de stapels. Joost zette de staande lamp van zijn moeder erbij, die het tot zijn verbazing nog deed. Ze kropen er op hun knieën langs.

1973. Dit boek is te lang. Zijn hand.

Jij bent te ongeduldig. Hoofdstuk 4 is het mooiste. Haar hand.

1974. Ellen slaapt eindelijk. Ik lees dit met één oog.

En ik met geen. Welterusten.

1977. Dit is het boek dat ik je gaf toen we elkaar leerden kennen. Weet je dat nog?

Nee, Henk. Dat was een ander boek. Dit heb je voor jezelf gekocht en toen aan mij gegeven omdat je het niet uitkreeg.

Ellen lachte, op haar knieën, met haar hand voor haar mond. Joost lachte ook.

„Ze was gemeen,” zei hij.

„Ze was eerlijk. Dat was hetzelfde, bij haar.”

Ze vonden een boek over vogels waarin hij een hele bladzijde had volgeschreven over een grutto die hij had gezien bij Garnwerd, en waaronder zij alleen had gezet: Het was een kievit. Een kookboek waarin hij bij een recept voor stoofpeertjes had genoteerd: Mislukt. Te zoet. En zij: Jij hebt er suiker bij gedaan. Er staat geen suiker in het recept. Een detective waarin hij op bladzijde twintig de moordenaar had opgeschreven, twee keer onderstreept, en zij op de laatste bladzijde: Fout. Ha.

„Ze las hem na,” zei Joost. „Ze las alles wat hij las, alleen om te kunnen zeggen dat hij het mis had.”

„Of om bij hem te zijn,” zei Ellen.


Ze schoven verder. De jaren tachtig. Het werd minder; in sommige jaren was er maar één boek, of geen. In 1982 was er niets. Ze keken allebei naar het gat in de rij, tussen 1981 en 1983, en zeiden er niets over.

1983. Ik heb dit uitgelezen. Het eerste boek sinds. Je zult het niet mooi vinden. Zijn hand, met een streep onder sinds.

En daaronder, in de blauwe pen, klein, scheef, alsof ze het op schoot had geschreven: Ik vind het mooi dat je het uit hebt gelezen.

Joost bleef daar lang zitten. Ellen ook.

1985. J. is geboren. 3840 gram. Hij huilt in a. Zijn hand.

In a? Henk, je hebt geen gehoor.

Jij zei het zelf. Gisternacht. Je zei: hij huilt in a.

Dan heb ik dat gezegd. Maar jij weet niet wat a is.

Ik weet dat het de toon is waarop jij hem wiegt.

Joost voelde zijn ogen prikken en keek naar de piano. Hij dacht: daarom ben ik het geworden. Niet om een toevallige reden, niet omdat hij van school was gegaan en ergens iets moest. Hij was het geworden omdat hij op een of andere manier altijd had geweten dat hij in a huilde.

„Hij heeft het nooit gezegd,” zei hij. „Van die a.”

„Hij zei nooit iets,” zei Ellen. „Hij schreef het op.”


De jaren negentig waren druk. Ellen ging uit huis, naar Utrecht om te studeren, en kwam terug in de kantlijn als E. belde, gaat het goed? Ze zegt van wel. Ik geloof het half. Maarten ging naar Delft. M. weg. Huis stil. Hij laat zijn dijken van Lego achter. Ik durf ze niet op te ruimen. En hun moeder, eronder: Dan doe ik het. En hij weer, een paar weken later in hetzelfde boek: Je hebt het niet gedaan. En zij: Nee.

Er waren ook ruzies. Een boek uit 1991 waarin ze schreef: Je bent er nooit, Henk, zelfs als je er bent. En dat hij daaronder niets had geschreven, helemaal niets, maar dat er een bladwijzer in zat, een treinkaartje van Groningen naar Amsterdam, en dat hij in een boek van een maand later had geschreven: Ik heb erover nagedacht. Je hebt gelijk. Ik ga minder lezen. En zij: Lieg niet.

En toen 2000. De boeken uit dat jaar lagen bijna aan het eind van de rij, vlak bij de deur. Het handschrift van hun moeder was anders geworden. Groter, onzekerder. Ze schreef nu meer dan hij.

Lees dit voor me voor, Henk. Mijn ogen.

Ik lees alles voor je voor. Ik lees de krant voor. Ik lees het telefoonboek voor.

Lees het telefoonboek niet voor.

En het laatste. Een dun boekje, een reisverhaal over Portugal, de rug nauwelijks gebroken. Joost had het gevonden in de keuken, in de la met de theedoeken. Het enige boek in de la. Onder een gedeelte over de rivier de Douro had zij geschreven, in een hand die hij bijna niet herkende:

Dit gaan we doen. Als ik beter ben.

En hij, eronder, in de zwarte vulpen: Ja.

Er stond geen datum bij. Het was ook niet nodig.


Joost ging met zijn rug tegen de piano zitten. Ellen zat aan de andere kant van de rij, bij de deur, met het Portugalboekje op haar knieën. De lamp maakte een cirkel van geel licht op de vloer. Daarbuiten was alles schaduw en papier.

„Ellen,” zei hij. „Ik wil hier blijven.”

„Vannacht?”

„In het huis. Wonen. Ik wil het niet verkopen.”

Ze keek op.

„Ik weet dat het niet kan,” zei hij snel. „Ik weet dat ik geen geld heb. Ik weet dat jullie je deel willen. Ik heb er niet over nagedacht, of wel, ik denk er al een week over na, maar ik heb geen plan. Ik slaap in Amsterdam op de bank van een vriend. Ravi en ik zijn uit elkaar sinds juni. Ik heb klanten, maar niet genoeg. Ik stem piano's, Ellen, en niemand heeft nog een piano.”

Hij hoorde zelf hoe het klonk. Een jongen van zestien die bij zijn moeder om een gunst vroeg. Maar hij was eenenveertig, en zijn moeder was al vijfentwintig jaar dood, en zijn vader dertien, nee, zestien dagen.

Ellen zei niets. Ze sloeg het boekje dicht en legde haar hand erop.

„Waarom?” vroeg ze.

Hij dacht na. Hij wilde het goed zeggen.

„Omdat ik hier altijd te laat ben gekomen,” zei hij. „Ik ben te laat geboren voor de helft van wat hier gebeurd is. Ik heb ma maar zestien jaar gehad. Ik was er niet toen pa ziek werd. Ik was er in november, elk jaar, één dag, en toen ook niet meer. Ik wil hier één keer niet te laat zijn.”

Ze keek hem lang aan. Toen zei ze: „Je zult het aan Maarten moeten vragen.”

„Ik weet het.”

„Hij heeft het geld nodig.”

„Hoe weet jij dat?”

„Ik weet het niet,” zei Ellen. „Ik zie het.”


Zijn telefoon ging om tien voor elf. Hij dacht dat het Maarten was en nam op zonder te kijken.

„Joost? Met Saskia.”

Hij was even stil. Hij had zijn schoonzus in tien jaar misschien vijf keer gesproken. Op bruiloften, op een begrafenis. Op de begrafenis van zijn vader nog, vorige week, kort, bij de koffie.

„Hoi,” zei hij. „Is er iets?”

„Is Maarten bij jullie? Hij neemt niet op. Hij zou de jongens bellen, om negen uur, dat doet hij altijd, en hij heeft niet gebeld.”

„Hij is weggelopen. Vanmiddag. Na een ruzie met Ellen. We denken dat hij in zijn hotel zit.”

Hij hoorde Saskia ademhalen. Ellen keek hem vragend aan, vanaf de andere kant van de rij boeken.

„Joost,” zei Saskia, „weten jullie het?”

„Wat?”

„Van zijn werk. Dat hij sinds april geen werk meer heeft. Dat we.” Ze stopte. „Nee. Dat moet hij zelf vertellen. Maar ik maak me zorgen. Hij is niet,” weer een stilte, „hij is niet zo sterk als hij doet. Dat is hij nooit geweest.”

„Ik ga hem zoeken,” zei Joost.

„Dank je.”

Hij hing op. Ellen was opgestaan. Ze stond in de deuropening, tussen het licht van de lamp en het donker van de gang, met het Portugalboekje nog in haar hand.

„Wat is er?” vroeg ze.

Op dat moment trilde haar eigen telefoon, in haar broekzak. Ze haalde hem tevoorschijn en keek naar het scherm. Joost zag het licht op haar gezicht vallen.

„Maarten,” zei ze. Ze las het voor. „Ik ben morgen om acht uur op de Zuiderbegraafplaats. Vak K. Komen jullie?”