Hoofdstuk 5: De brief van de geheugenpoli

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op maandag begonnen ze aan de achterkamer, en op maandag belde Saskia.

Maarten stond in de tuin toen ze belde. Het was geen tuin meer; het was een strook natte tegels met een schutting, een regenton en een fiets van zijn vader die tegen de muur stond met twee lekke banden en een fietstas vol boeken. Hij nam op met zijn rug naar het huis.

„De jongens vragen of je zaterdag komt,” zei ze. „Thijs heeft een wedstrijd.”

„Ik weet het nog niet.”

„Maarten.”

„Het is meer werk dan ik dacht. Het is,” hij zocht naar een woord, „het is veel.”

„Hoeveel?”

„Dertigduizend.”

Het was stil aan de andere kant. Hij hoorde de vaatwasser bij haar, in de keuken die binnenkort niet meer de zijne zou zijn.

„Heb je het ze al verteld?” vroeg ze. „Van je werk?”

„Nog niet.”

„Van ons?”

„Saskia, mijn vader is net dood.”

„Dat weet ik,” zei ze, niet onvriendelijk. „Daarom vraag ik het.”


De achterkamer was de kamer van het water geweest, vroeger. Daar stond het aquarium waar zijn moeder twee goudvissen in hield die allebei Pietje heetten, achter elkaar, en daar had Maarten op de vloer gezeten met zijn Lego en dijken gebouwd van blokjes, waartegen hij met een glas water golven liet slaan. Zijn vader zat dan in de stoel bij het raam en las. Hij had nooit gevraagd wat Maarten aan het doen was. Maarten had het ook nooit verteld.

Het aquarium was er niet meer. Op de plek stond een kolom poëzie die tot aan het plafond reikte en een beetje overhelde, zodat Joost er een bezemsteel tegenaan had gezet.

Ze werkten in stilte. Ellen pakte uit, sloeg open, legde neer. Joost schreef op een stuk karton waar het heen ging. Maarten sjouwde. Het was de enige taak waarbij hij niet hoefde na te denken, en hij merkte dat hij dat nodig had, het gewicht in zijn armen, de pijn in zijn onderrug, het stof in zijn neus. Om de twintig dozen reed hij met de auto van Ellen naar de kringloop aan de Peizerweg, waar een man met een sikje de dozen aanpakte zonder iets te vragen. Wat de kringloop niet nam, ging naar een boekenkast op de stoep die Joost had neergezet met een kartonnen bordje: Gratis. Neem mee. Lees het. Elke keer als Maarten terugkwam, was de kast weer half leeg.

„Dat is nog eens marketing,” zei Joost.

Er kwamen ook mensen aan de deur. Een jongen met een bakfiets vroeg of er iets over schaken was. Een vrouw van de overkant, die hun vader alleen van gezicht kende, vroeg of ze een tas mocht vullen voor haar moeder in het verzorgingshuis, die alles las zolang de letters groot genoeg waren. Ellen gaf haar drie tassen. Een man in een regenjas bleef lang voor de stoepkast staan, pakte een boek over de geschiedenis van de Groninger suikerfabrieken, las de achterkant, zette het terug, liep weg, kwam na tien minuten terug en nam het toch mee. Hij keek daarbij om zich heen alsof hij iets stal.

„Pa zou dat prachtig hebben gevonden,” zei Joost.

„Pa zou hem achterna zijn gelopen om te vragen wat hij ervan vond,” zei Ellen.

Het was de eerste keer die dag dat ze naar elkaar glimlachten, en Maarten zag het vanuit de gang, met een doos in zijn armen, en voelde zich er buiten staan, zoals altijd.

Om drie uur pakte Maarten een boek van een stapel bij de radiator. Hij deed het niet omdat het zijn beurt was om open te slaan, maar omdat het een boek over de Waddenzee was, met een foto van een zeehond op het omslag, en omdat hij het herkende. Hij had het zijn vader gegeven. Voor zijn zeventigste verjaardag, in 2012. Hij wist nog dat hij er lang over had gedaan in de boekhandel en dat hij het uiteindelijk had gekozen omdat het over water ging en over het noorden, en hij had gedacht: dat is een brug. Zijn vader had het uitgepakt, bekeken, gezegd: aardig. En het opzij gelegd.

Het was gelezen. Dat zag hij aan de rug. Er zat een envelop in.

Het was een envelop van het UMCG, met een venster. Het adres van zijn vader. Er zat een brief in, twee kantjes. Bovenaan: Geheugenpolikliniek. Een datum: 9 mei 2023.

Hij las de eerste alinea twee keer, omdat de woorden in medisch Nederlands waren en omdat zijn ogen niet meewerkten. Naar aanleiding van het onderzoek. Beeld passend bij. Ziekte van Alzheimer in een vroeg stadium. Wij hebben u en uw dochter, die bij het gesprek aanwezig was, de mogelijkheden toegelicht.

Uw dochter, die bij het gesprek aanwezig was.

Onderaan de tweede bladzijde, onder de handtekening van een neuroloog, had zijn vader iets geschreven. Zwarte vulpen. Het handschrift was nog vrij vast.

E. weet het. Gevraagd het niet aan M. en J. te zeggen. Ze hebben genoeg aan hun eigen hoofd. Zij ook, eigenlijk. Dat weet ik.


Hij wist later niet meer precies wat hij had gezegd. Hij wist dat hij de keuken in was gelopen, waar Ellen een doos aan het dichtplakken was, en dat hij de brief op de tafel had gelegd, op de theedoek waar zaterdag het bandje nog had gelegen. Hij wist dat zijn stem te hard was geweest voor dat kleine huis.

„Drie jaar,” zei hij. „Drie jaar, Ellen.”

Ze keek naar de brief en ze keek niet verrast. Dat was het ergste. Ze legde de tape neer.

„Hij heeft het me gevraagd.”

„Hij was ziek! Hij wist niet wat hij vroeg!”

„Toen wist hij het nog heel goed.”

„En dan bel je niet? Je stuurt niet even een berichtje? Maarten, je vader heeft Alzheimer, ik dacht dat je het wilde weten?”

„Je had negen jaar niet met hem gepraat.”

Het was stil. Joost stond in de deuropening met een stuk karton in zijn hand. Hij zei niets.

„Dat is iets anders,” zei Maarten.

„Wat is daar anders aan? Jij wilde het niet weten. Jij wilde helemaal niks weten. Jij had in 2017 gezegd dat je pas terugkwam als hij in een flatje zat, met een kast. Eén kast, Maarten. Weet je dat nog? Je hebt het in deze keuken gezegd.”

„Ik had gelijk. Hij is gevallen.”

„Ja,” zei Ellen. Haar stem brak niet. Ze had haar stem nooit laten breken waar hij bij was, ook niet toen ze kinderen waren. „Ja, je had gelijk. Gefeliciteerd. Hij is gevallen. En wie heeft hem gevonden, denk je? Op een donderdag? Wie is er met de ambulance meegereden, en wie heeft er drie dagen naast zijn bed gezeten in de Martini, in de Martini, niet eens het UMCG, omdat er daar geen plek was? Wie heeft hem zijn pyjama aangedaan? Jij was in Rotterdam. Joost was in Amsterdam. Ik heb jullie gebeld en jullie kwamen op de laatste dag. Op de laatste dag.”

„Ik ben gekomen,” zei Joost zacht.

„Je bent gekomen,” zei Ellen. „Dat is waar.”

Maarten pakte de brief weer op. Zijn handen trilden een beetje en hij legde hem weer neer, omdat hij niet wilde dat ze het zag.

„Je had het moeten zeggen,” zei hij.

„Ja,” zei Ellen. „Dat weet ik ook wel.” Ze pakte de rol tape weer op, trok er een stuk af, veel te lang, en plakte het over de doos die al dicht was. „Hij vroeg het. Hij vroeg nooit iets. Hij heeft in mijn hele leven nooit iets van me gevraagd, en toen vroeg hij dat. Wat had jij gedaan?”

Maarten wist het niet. Hij liep de keuken uit, door de gang, langs de plek waar het krukje stond, de voordeur uit, die nu gewoon openging, omdat de Winkler Prins weg was, en dat maakte hem om een of andere reden nog kwader.


Hij liep. Langs de singel, waar de bomen hun eerste blad lieten vallen in het grijze water. Over de Herebrug, waar een rij fietsers bij het stoplicht stond te wachten met hun capuchons op. Hij wist niet waar hij heen ging. Hij liep de Herestraat in, langs de winkels, langs een man die op een accordeon iets speelde wat hij niet kende, en ergens bij de Grote Markt merkte hij dat hij het boek over de Waddenzee nog in zijn hand had. Hij had het meegenomen zonder het te weten.

Hij ging zitten op een bankje bij de Martinikerk. Een paar studenten liepen voorbij met een krat bier. Een duif kwam naast hem zitten, keek naar het boek, en liep weer weg.

Hij sloeg het open. Niet bij de brief; hij had de brief op tafel laten liggen. Hij sloeg het open waar het openviel, ergens in het midden, en zag dat zijn vader in de kantlijn had geschreven. Niet over de wadden. Over hem.

M. gaf dit. 70e. Ik zei aardig. Waarom zei ik aardig?

Op een bladzijde verder, bij een kaart van de getijdenstromen: Hij zou dit kunnen uitleggen. Ik heb het nooit gevraagd. Hij heeft het nooit verteld. Wie had moeten beginnen?

En verder, tegen het einde, een notitie die anders was. Het handschrift was ouder, steviger, de inkt meer verbleekt. Hij moest het boek scheef houden naar het licht.

14-3-2013. Weer naar de Zuiderbegraafplaats. Vak K, bij de beuk. Bloemen neergelegd. Kinderen 1980–1983, algemeen. Nog steeds niemand die weet waar precies. Dan maar overal.

Maarten las het nog een keer. Hij keek op van het boek, naar de toren die boven hem uitstak, grijs tegen grijs.

Veertien maart. Ellen was zondag met Fenna naar Winsum geweest en ze had het gisteravond verteld, aan tafel, met een stem die net niet goed werkte. Vraag maar waar je vader elk jaar op veertien maart naartoe ging.

Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn en zocht de Zuiderbegraafplaats op. Twintig minuten lopen. Hij stond op. De duif kwam terug om te zien of hij iets had laten liggen.

Hij had niets laten liggen. Hij liep met het boek onder zijn arm in de richting van het station, zoals zijn vader dat jarenlang had gedaan, met een boek onder zijn arm dat hij nooit opensloeg.