Hoofdstuk 4: Veertien maart

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ze legden het bandje op de keukentafel, in het midden, op een theedoek, alsof het kon breken. Maarten was teruggekomen uit zijn hotel, met natte haren, en hij stond met zijn armen over elkaar tegen het aanrecht. Joost zat. Ellen zat ook, maar ze stond telkens weer op, om de waterkoker aan te zetten, om een lepeltje te pakken dat niemand nodig had.

„Jij was acht,” zei Maarten. „Jij moet het weten.”

„Ik weet het niet.”

„Je was acht, Ellen. Dat is oud genoeg.”

„Ik weet dat ze weg was,” zei Ellen. „Een week. Misschien langer. Dat we bij tante Wiep logeerden, in Winsum. Dat jij elke nacht in bed plaste en dat ik het van tante Wiep niet tegen pa mocht zeggen.”

Maarten deed zijn armen van elkaar. „Dat is niet waar.”

„Het is wel waar. Je was drie. Het geeft niet.”

„Wat zeiden ze?” vroeg Joost. „Waar ze was?”

Ellen dacht na. Ze had het al die jaren niet gedacht en nu moest het opeens, en het voelde als een kast openmaken die vastgeplakt zat. Ze zag een gang van een ziekenhuis, groen linoleum. Ze zag haar vader op een bankje met zijn jas nog aan, zijn handen tussen zijn knieën. Of verzon ze dat nu? Ze zag haar moeder thuiskomen in een te grote winterjas, magerder, en dat ze die eerste avond niet aan de piano ging, en ook de avond daarna niet.

„Buikpijn,” zei ze. „Ze zeiden dat ma buikpijn had. Dat het overging.”

„Buikpijn,” herhaalde Maarten.

„Ik was acht.”

Het bleef stil. Op de vensterbank tikte de regen. Joost pakte het bandje op, voorzichtig, en hield het tussen duim en wijsvinger. Het was zo klein dat het in zijn hand verdween.

„Ze hadden een dochter,” zei hij. „Wij hadden een zus.”


Die nacht sliep Ellen niet in haar oude kamer. Ze lag er wel, onder het schuine raam, met de stapels om haar heen als een stad bij nacht, maar ze sliep niet. Ze dacht aan maart 1982. Ze rekende. Haar moeder was zesendertig geweest. Ellen had het nooit geweten, of ze had het geweten en vergeten, of iemand had haar laten vergeten. Ze wist niet welke van de drie het ergste was.

Om twee uur ging ze naar beneden, op sokken, met haar telefoon als lamp. In de keuken trok ze de kaartenbak open. Ze zocht een vak met een L, met een datum, met iets. Er was een vak Lente. Er was een vak Lezen tegen de slapeloosheid. Ze trok de kaartjes er een voor een uit en las ze bij het licht van haar scherm. Een boek over slapen, een boek over de Grieken, een detective die hij onleesbaar, daarom goed had genoemd. Niets.

Ze ging aan tafel zitten. Op het hoekje lag nog de lijst die ze in Zwolle had getypt. Energiemaatschappij. Waterbedrijf. Ziggo. Ze had dertien dingen op die lijst gezet en ze had er drie afgestreept. Ze dacht: ik weet hoe je een huis opheft, maar ik weet niet wie er in heeft gewoond.

Ze stuurde een berichtje aan Fenna. Ben je wakker? Natuurlijk was ze wakker. Ze was twintig en studeerde biologie in Groningen en ging nooit voor drie uur slapen.

Ja. Wat is er? Gaat het?

Gaat wel. Wil je morgen met me mee naar Winsum? Naar tante Wiep?

Drie puntjes. Ze verschenen en verdwenen weer en verschenen opnieuw.

Wie is tante Wiep?

Ellen keek lang naar het scherm. Ze was haar dochter zoveel vergeten te vertellen. Over haar moeder, die Fenna nooit had gekend. Over dit huis, toen er nog vloeren in te zien waren. Ze had Fenna hier op donderdag soms meegenomen, het laatste jaar, en Fenna had met opa zitten praten over vogels, en opa had haar een boek over de wadden gegeven met een gedroogde zeekraal erin. Maar over vroeger hadden ze nooit gepraat. Er was nooit tijd geweest, of er was tijd geweest en ze hadden die aan iets anders besteed.

De zus van oma, schreef ze. Ik leg het je uit in de trein.


De trein naar Winsum vertrok om tien over half twaalf. Het was een korte, gele trein, met twee bakken, en hij reed door het land alsof hij geen haast had. Na Sauwerd werd het open. Weilanden, sloten met riet, een kerk op een wierde in de verte, het licht van eind september dat lager stond dan je verwachtte. Een boer reed met een tractor over een dijk en de meeuwen liepen achter hem aan.

Fenna zat tegenover haar, met haar knieën tegen die van Ellen, en luisterde. Ze had haar haar opgestoken met een potlood. Ze stelde geen vragen tot Ellen klaar was.

„Dus opa heeft het nooit gezegd,” zei ze toen.

„Nee.”

„En oma ook niet.”

„Nee.”

„En jij denkt dat tante Wiep het wel weet.”

„Tante Wiep weet alles. Ze weet het alleen niet altijd tegelijk.”

Fenna lachte. Ellen dacht: ze lacht net als mijn moeder. Dat had ze nog nooit gedacht.

In Sauwerd stapte een man in met een hond die naar het slootwater rook en die meteen onder de bank ging liggen, tegen Ellens voeten, alsof hij haar kende. Fenna boog zich voorover om hem te aaien. Buiten trok een regenbui over de akkers, een grijze sluier die je kon zien aankomen en weer kon zien gaan. Ellen keek ernaar en dacht dat ze in al die jaren op donderdag nooit ergens anders heen was gegaan dan naar de Praediniussingel en terug. Een uur heen, een uur terug, met de radio aan. Ze had het land niet gezien. Ze had niets gezien, behalve de stapels en haar vader ertussen, die elke week een beetje kleiner leek.


Tante Wiep woonde in een aanleunwoning achter de Hoofdstraat, met een raam aan de kant van het Winsumerdiep, waar de schepen lagen. Ze was zesenzeventig. Ze had in de jaren zeventig bij de PTT gewerkt en daarna bij de bibliotheek in Winsum, op dinsdag en donderdag, en ze had nooit getrouwd, wat in de familie altijd ‘het verhaal van Wiep’ heette zonder dat iemand ooit had verteld wat het verhaal was.

Ze deed de deur open in een vest met een gebreide bloem op de borst.

„Ellen,” zei ze. „Ik dacht al dat je zou komen.” En tegen Fenna: „Jij bent de bioloog.”

Er was koffie en er was cake, gekocht, maar op een schaaltje gelegd alsof ze hem zelf had gebakken. Fenna kreeg de stoel bij het raam. Tante Wiep ging in haar eigen stoel zitten, met een kussentje in haar rug, en keek Ellen aan over haar bril heen.

„Je komt over Henk.”

„Ik kom over ma.”

Ellen legde het bandje op het tafeltje, op het kanten kleedje, tussen de koffie en de cake.

Tante Wiep keek ernaar. Ze pakte het niet op. Ze zette haar kopje neer, heel langzaam, met het lepeltje erop zodat het niet zou rinkelen.

„Waar hebben jullie dat gevonden?”

„In een gedichtenbundel. Tussen de jeugdboeken van Joost.”

„Natuurlijk,” zei tante Wiep. „Waar anders.”

Ze keek uit het raam, naar het water, waar een man op een sloep een zeil aan het oprollen was.

„Ze heette Lieke,” zei ze. „Dat hadden ze al bedacht, voor het geval het een meisje werd. Je moeder was zevenendertig weken. Op een maandag voelde ze niks meer. Ze is naar het ziekenhuis gegaan, het oude Academisch, en daar hebben ze gezegd dat het hartje niet meer klopte. En toen moest ze het nog krijgen. Twee dagen heeft dat geduurd.”

Fenna had haar handen in haar schoot gevouwen. Ellen zag het uit haar ooghoek.

„Heeft ze haar gezien?” vroeg Ellen.

„Nee. Dat deed je toen niet. Dat deden ze niet. Ze hebben haar meegenomen, en je vader heeft een formulier getekend, en dat was het. Ze is begraven door het ziekenhuis. Waar, dat hebben ze niet gezegd, en je vader heeft het niet gevraagd, omdat je dat toen niet vroeg. Je moeder heeft dat bandje gekregen van een verpleegster. Die heeft het stiekem afgeknipt en in haar hand gestopt. Een meisje uit Uithuizen. Dat weet ik nog.”

„En toen?”

„En toen kwamen jullie bij mij logeren, en ging Maarten in bed plassen, en zei jij elke avond dat je naar huis wilde.” Tante Wiep glimlachte, een beetje. „En toen gingen jullie naar huis. En toen werd het niet meer genoemd. Je vader wilde dat niet. Hij zei: ze moeten er geen last van hebben. Ze zijn nog klein.”

„Ik was acht,” zei Ellen.

„Je was acht,” zei tante Wiep. „En je was een slim meisje. Je hebt me drie keer gevraagd waar de baby was. Dat weet je niet meer, hè.”

Ellen wist het niet meer. Ze keek naar het bandje op het kanten kleedje en ze wist het niet meer, en ze voelde iets in haar keel wat ze daar sinds de begrafenis van haar vader had gehouden, omdat er op een begrafenis zoveel te regelen viel.

„Wat heeft u toen gezegd?”

„Dat ik het niet wist,” zei tante Wiep. „En dat was gelogen. Ik heb er veertig jaar spijt van gehad. Ik had het je moeten vertellen. Iemand had het jullie moeten vertellen.”


Op de terugweg naar het station liepen ze langs de molen. Het waaide. Fenna stak haar arm door die van Ellen, wat ze sinds haar vijftiende niet meer had gedaan.

„Mam,” zei ze. „Ik denk dat opa het wel heeft willen zeggen. Op zijn manier.”

„In een boek.”

„In alle boeken, misschien.”

Ellen dacht aan de kantlijnen. Aan de blauwe pen en de zwarte vulpen. Aan Henk, het is half twee. Kom naar bed. Ze dacht aan de kaartjes in de kaartenbak, dertigduizend boeken die hij één voor één had gecatalogiseerd, behalve één ding dat er niet in stond.

Bij de deur van de aanleunwoning had tante Wiep haar nog even vastgehouden, aan haar mouw, terwijl Fenna al op de stoep stond.

„Ellen,” had ze gezegd, zachter. „Ik weet niet of je het wilt weten. Maar je vader heeft het niet laten rusten. Je moeder wel, op den duur. Hij niet.”

„Wat bedoelt u?”

Tante Wiep had naar haar gekeken met dezelfde blik als die van haar moeder, die blik die zei: je weet het allang, je wilt het alleen niet.

„Vraag maar eens aan iemand,” had ze gezegd, „waar je vader elk jaar op veertien maart naartoe ging.”