Hoofdstuk 3: De piano onder de atlassen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Joost vond de piano op zondag, omdat hij ernaar zocht. De anderen dachten dat hij al lang weg was. Ellen zei het zaterdagavond nog, aan tafel, met de pan bami tussen hen in die ze bij de Chinees op de Oosterstraat hadden gehaald omdat het fornuis niet aan wilde: „Die piano heeft hij toch verkocht? Na ma?”
„Nee,” zei Joost.
„Hoe weet jij dat?”
„Omdat ik hem in 2019 nog gestemd heb.”
Het bleef even stil. Maarten keek op van zijn bord.
„Jij bent hier in 2019 geweest?”
„Elk jaar. In november.” Joost prikte een garnaal aan zijn vork. „Hij belde in oktober. Of ik een keer wilde komen stemmen. Ik kwam, ik stemde, hij betaalde me honderd euro, die ik niet wilde hebben en wel nam. We dronken een kop koffie. Dan ging ik weer.”
„Elk jaar,” zei Ellen.
„Tot drie jaar geleden. Toen belde hij niet meer.”
Ellen keek naar haar handen. Hij wist niet waarom. Ze zei niets.
De piano stond in de voorkamer, tegen de binnenmuur, waar hij altijd had gestaan. Je zag hem alleen niet meer. Er lag een laag atlassen op, plat, grote, zware, die hun vader daar blijkbaar had neergelegd omdat ze nergens anders pasten: de Bosatlas in zes verschillende drukken, een wereldatlas uit de jaren dertig met de koloniën nog in roze, een sterrenatlas, een atlas van de Groninger wierden. Daarop lagen weer andere boeken. Aan de voorkant stonden kolommen tot aan de klep. Het instrument was een eiland geworden, en het eiland was overwoekerd.
Joost begon aan de rechterkant. Hij tilde de boeken eraf en legde ze op de grond achter zich, in de volgorde waarin ze hadden gelegen, omdat hij het gevoel had dat dat moest. Hij sloeg ze allemaal open, zoals afgesproken. In de meeste stond niets. In sommige een streep, een vraagteken, één keer een woord: Klopt niet. In een boek over vogels van het Lauwersmeer zat een veer.
Om elf uur ging de bel. Joost hoorde de deur over de grond schuiven; Ellen had de Winkler Prins de avond ervoor eindelijk weggesjouwd, naar de keuken, waar ze nu op een stoel stonden. Een vrouwenstem in de gang. Platte klinkers.
„Ik heb krentenwegge,” zei de stem. „Ik dacht, die mensen moeten eten.”
Het was de buurvrouw, mevrouw Smit, Tineke, van nummer zeventien. Joost herkende haar meteen, hoewel ze kleiner was geworden en haar haar nu helemaal wit. Ze had hem vroeger een keer van de singel gehaald, toen hij als jongetje van zes op het ijs was gaan staan dat nog niet hield. Ze had hem bij zijn capuchon gepakt en naar zijn moeder gebracht, en ze had niets gezegd tegen zijn vader. Dat had hij haar nooit vergeten.
„Joost,” zei ze, en ze bekeek hem van top tot teen. „Dij bist mager.”
„Dat zegt iedereen.”
„Dan zal 't wel zo wezen.” Ze gaf hem de krentenwegge. Hij was nog warm. Het papier van de bakker plakte eraan. Ze keek langs hem heen de voorkamer in, naar de piano die half was opgegraven, en haar gezicht veranderde.
„O,” zei ze. „Die staat d'r nog.”
„U kent hem?”
„Of ik hem ken.” Ze liep langs hem heen, voorzichtig, met haar hand op de kolommen. „Iedere avond. Zomers met de ramen open. Je moeder speelde en wij zaten in de tuin te luisteren. Mijn man zei altijd: Anna hè, die kan het.” Ze legde haar hand op het hout, waar het al vrij was. „Na het overlijden heeft hij nooit meer opengestaan. Nooit. Ik heb je vader wel eens gevraagd, Henk, speel jij nou niet een keer? Hij zei: Tineke, ik kan niet eens het deksel opendoen.”
„Hij kon helemaal niet spelen.”
„Dat bedoelde hij niet,” zei mevrouw Smit.
Ze bleef koffiedrinken. Ellen kwam naar beneden en ze zaten met zijn drieën in de keuken, op de twee stoelen en het aanrecht, met de krentenwegge op een bord dat hun moeder nog had gekocht op een braderie in Haren. Maarten was naar zijn hotel om te werken, zei hij. Joost wist niet waaraan.
Mevrouw Smit vertelde over het laatste jaar. Dat hun vader 's ochtends nog altijd zijn rondje liep, naar de Herestraat en terug, met een boek onder zijn arm dat hij nooit opensloeg. Dat hij een keer bij haar had aangebeld om vier uur 's middags en had gevraagd of ze wist waar Anna was. Dat ze toen gezegd had: Henk, Anna is al heel lang dood, jongen. En dat hij had geknikt en gezegd: ja, natuurlijk, en weer naar huis was gegaan.
Joost zag dat Ellen niet verbaasd keek. Hij zag ook dat ze haar kop koffie met twee handen vasthield, alsof hij anders zou vallen.
„Wist jij dat?” vroeg hij later, toen mevrouw Smit weg was.
„Wat?”
„Dat hij in de war was.”
Ellen spoelde de koppen om. Het water uit de kraan was bruinig; het had een tijd geduurd voor het helder werd.
„Hij was vierentachtig, Joost.”
Dat was geen antwoord. Hij wist dat het geen antwoord was en zij wist het ook. Hij liet het gaan, voor nu.
's Middags had hij de bovenkant vrij. Hij deed de klep open. De toetsen waren geel en een beetje plakkerig, en er lag een stoflaag op het vilt van de hamers, maar er was geen mot geweest en geen muis. Hij sloeg een a aan. Hij hoorde dat de stemming vreselijk was, maar dat de snaar het hield, en dat de klankbodem nog leefde. Het geluid ging door de kamer en verdween in het papier, alsof de boeken het opzogen.
Hij had zijn koffertje niet bij zich. Hij had niets bij zich, eigenlijk; een tas met kleren voor drie dagen en een oplader. Hij had gedacht dat het drie dagen zou zijn. Hij had gedacht dat hij daarna terug zou gaan naar de bank van Wessel in Amsterdam-Noord, waar hij sinds juni sliep, sinds Ravi had gezegd dat het zo niet meer ging en hem de sleutel had gevraagd. Maar er was niets om naar terug te gaan, behalve een bank.
Hij bleef zitten op het pianokrukje, dat onder de atlassen bijna ongeschonden was gebleven, met zijn handen op zijn knieën, en dacht aan de keren dat hij hier in november had gezeten. Zijn vader in de stoel achter hem, met een boek dat hij niet las. Joost die toonhoogte voor toonhoogte de kamer terugbracht naar hoe het geklonken had. Ze praatten weinig. Over het weer. Over FC Groningen, waar geen van beiden iets om gaf. Een keer had zijn vader gevraagd: en het geld? En Joost had gezegd: gaat goed, pa. En zijn vader had geknikt.
Het ging niet goed. Het was in die jaren nooit goed gegaan. Tussen zijn drieëntwintigste en zijn zevenentwintigste had Joost alles verloren wat je kunt verliezen aan een scherm met draaiende plaatjes, en daarna nog wat meer aan de kroeg, en zijn vader had het betaald. Twee keer. De tweede keer had hij gezegd: dit is de laatste keer, Joost. En het was de laatste keer geweest. Niet omdat Joost geen geld meer nodig had, maar omdat hij zich te erg schaamde om het nog te vragen.
Ellen en Maarten wisten het. Ellen had het hem op een verjaardag een keer voor de voeten gegooid, toen ze allebei te veel wijn op hadden. Twintigduizend euro, Joost. Dat is mijn erfenis ook.
Aan de linkerkant van de piano, waar de kolommen het hoogst waren, stonden boeken die hij kende. Zijn eigen boeken, van vroeger. Jeugdboeken met zijn naam voorin, in het grote, schuine schrift van een jongen van tien. Hij was vergeten dat hij ze hier had laten staan. Of hij had gedacht dat zijn vader ze zou hebben weggedaan.
Hij sloeg er een open. Een avonturenboek over een jongen in een vuurtoren. Op het schutblad zijn naam en de datum, Joost Wierenga, 1995. En op de eerste bladzijde, in de kantlijn, in de zwarte vulpen van zijn vader, maar later, veel later, aan het handschrift te zien, dat beverig was geworden:
J. gebeld, 4 febr. 2011. Niet over geld begonnen. Hij wel. Gezegd: nee. Was het goed? A. zou het weten.
Joost las het drie keer. Hij voelde iets in zijn borst wat hij niet direct kon thuisbrengen, iets tussen boosheid en het tegendeel ervan.
Hij pakte het volgende boek. In de kantlijn: J. jarig. 26. Kaart gestuurd. Geen antwoord. Logisch. Het volgende: Tineke zegt dat ze J. heeft gezien bij het station. Mager. Niet bij mij langsgekomen. Het volgende: J. belt! Hij komt in november de piano stemmen. Ik moet de atlassen eraf.
Daar had zijn vader een uitroepteken achter gezet. Zijn vader zette nooit uitroeptekens. Hij noemde het tekens voor mensen die hun eigen zinnen niet vertrouwden.
Joost legde de boeken op de piano, naast elkaar, opengeslagen, en keek ernaar tot het licht van de singel grijs werd en hij de letters niet meer kon lezen.
Het laatste boek van de stapel aan de linkerkant was geen jeugdboek. Het was een bundel gedichten in een slap omslag, verkleurd van de zon, met ezelsoren. Hij wist niet waarom het tussen zijn boeken stond. Misschien was het daar terechtgekomen, zoals alles in dit huis ergens terechtkwam. Hij sloeg het open en er viel iets uit, op zijn schoen.
Het was een plastic bandje. Een smal ziekenhuisbandje, van het soort dat je om een pols draagt, wit, met een drukknoopje. Het was heel klein. Zo klein dat het nooit om de pols van een volwassene kon hebben gezeten.
Er stond iets op, met de hand geschreven, in een blauwe inkt die bijna weg was. Joost hield het bij het raam.
Dochter van A. Wierenga-Kuipers. 14-03-1982.
Hij draaide het om. Aan de achterkant niets. Hij keek nog eens. 1982. Ellen was toen acht. Maarten bijna vier. Hijzelf bestond nog niet.
Boven liep Ellen over de overloop. Hij hoorde de vloer kraken onder haar stappen, en hij hoorde dat ze bleef staan bovenaan de trap, alsof ze iets voelde.
„Joost?” riep ze. „Zit je in het donker?”
Hij kon niet meteen antwoord geven.