Hoofdstuk 2: De kaartenbak
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Maarten had een plan, en het plan stond in een spreadsheet. Hij had het in de trein gemaakt, tussen Zwolle en Assen, voordat de koe kwam die er niet was. Kolom A: ruimte. Kolom B: geschat aantal strekkende meters. Kolom C: bestemming. Daarin had hij vier mogelijkheden gezet, met kleurtjes. Groen voor verkopen, geel voor weggeven, oranje voor kringloop, rood voor oud papier. Het rood had hij er later weer uitgehaald, na de notaris, maar in zijn hoofd stond het er nog.
Op zaterdagochtend om negen uur stond hij op de stoep met twee bekers koffie van de bakker op de hoek en een man van een jaar of zeventig, die Gerrit Mulder heette en een antiquariaat had in de Folkingestraat. Hij had hem gevonden op internet. Inkoop van complete bibliotheken. Discreet en vakkundig.
Mulder droeg een tweedjasje met leren stukken op de ellebogen en had een zaklamp bij zich, een kleine, die hij aan een koordje om zijn pols had hangen. Hij keek naar de gevel, naar de groene deur, en zei: „Hendrik Wierenga.”
„U kende mijn vader?”
„Iedereen in mijn vak kende uw vader.” Mulder glimlachte niet. „Hij kwam twee keer per week. Hij kocht nooit iets duurs en hij kocht altijd iets. Hij heeft in veertig jaar bij mij nooit één boek terugverkocht. Niet één.”
Maarten gaf hem de tweede koffie. „Dan gaat u dat nu inhalen.”
Ellen was er al. Ze had haar oude kamer op de eerste verdieping, of wat ervan over was, en ze had daar geslapen op het smalle bed onder het schuine raam, tussen de stapels in, zoals ze het hele afgelopen jaar blijkbaar had gedaan op donderdag. Maarten had een kamer genomen in een hotel bij het station. Hij had tegen zichzelf gezegd dat dat praktisch was. Hij zou hier niet kunnen slapen. Je kon hier niet ademen.
Joost had op de bank in de achterkamer geslapen, of op wat hij voor een bank had aangezien. Hij lag er nog steeds toen Maarten met Mulder door het pad schuifelde. Zijn voeten staken onder een ruitjesdeken uit. Op zijn sokken stonden kleine bananen.
„Mijn broer,” zei Maarten. „Joost. Hij stemt piano's.”
„Goedemorgen,” zei Mulder tegen de bananen.
Joost tilde een hand op zonder zijn ogen open te doen.
Ze liepen het huis door. Mulder zei weinig. Hij scheen met zijn zaklampje op ruggen, trok hier en daar een boek een paar centimeter naar voren, schoof het terug. Soms bromde hij. In de voorkamer, waar de stapels zo hoog waren dat het daglicht van de singel alleen nog door een opening boven in het raam kwam, bleef hij lang staan bij een kolom in leer gebonden boeken.
„Dit is aardig,” zei hij. „Achttiende eeuw. Preken, vooral. Daar is weinig vraag naar. Maar het leer is goed.”
„Wat is het waard?” vroeg Maarten. „Alles bij elkaar.”
Mulder knipte zijn zaklamp uit en keek hem aan, voor het eerst echt.
„Meneer Wierenga. Uw vader kocht boeken om ze te lezen. Niet om ze te bewaren. Negen van de tien zijn gewone boeken. Ze zijn gelezen. Er is in geschreven.” Hij tikte met zijn wijsvinger op een rug. „Elk boek waarin is geschreven, is voor mij minder waard. Begrijpt u? Voor u misschien niet. Maar voor mij wel.”
„Dus niks.”
„Dat zeg ik niet. Ik zeg dat u er geen huis van koopt.”
Maarten dacht aan het huis dat hij wel moest kopen, of huren, of hoe dat zou gaan, aan het appartement in Kralingen dat Saskia had gevonden, met twee slaapkamers, één voor haar en één voor de jongens om de week. Hij dacht aan het mailtje van de afdeling personeelszaken in april, met het woord boventallig erin, alsof hij een stoel was die over was na een vergadering. Niemand wist van het mailtje, behalve Saskia. Het was een van de redenen geweest, had ze gezegd. Niet de reden, maar een van.
„Kijkt u toch maar,” zei hij. „Wat u wilt hebben, mag u hebben. Voor een redelijke prijs.”
De kaartenbak stond in de keuken, op de plek waar vroeger de broodrooster stond. Ellen had hem gevonden. Het was een houten bak van een meter lang met drie laden, een oude bibliotheekbak, met koperen houdertjes waarin kaartjes met letters zaten. Maarten herinnerde zich dat hij hem als kind had gezien in de werkkamer, toen er nog een werkkamer was, en dat hij er niet aan mocht komen. Hij had het één keer gedaan en een hele la op de grond laten vallen, en zijn vader had een hele zondag zitten sorteren, zonder één woord tegen hem te zeggen.
„Hij heeft alles gecatalogiseerd,” zei Ellen. „Niet alfabetisch. Op zijn eigen manier.”
Ze trok de bovenste la open. De tabkaartjes waren met de hand beschreven, in de zwarte vulpen die zijn vader altijd in zijn borstzak had.
Boeken die beter zijn dan hun reputatie.
Boeken die slechter zijn dan hun reputatie.
Te leen aan Bonnema (1994). Nooit teruggekregen. Bonnema overleden 2011.
Boeken voor op de wc (niet voor op de wc).
Boeken die Ellen te dik vond.
Ellen trok een kaartje uit dat laatste vak. Oorlog en vrede, Tolstoj, vert. 1955. Voorkamer, kolom 14, vanaf onder 6e. E. was 15. Zei: dat lees ik nooit. Heeft gelijk gekregen.
Ze lachte. Het was een vreemd geluid in die keuken, kort, alsof er iets omviel. Maarten keek haar aan en merkte dat hij zelf ook lachte.
„Is er een vak voor mij?” vroeg hij.
„Zoek maar.”
Hij liep met zijn vinger langs de tabjes. In de tweede la: Boeken die M. kapot heeft gemaakt. Een dik pak kaartjes. Hij las er een paar. De kleine waterman. Rug gebroken, 1985. Lijm. Atlas van Nederland, 1972. Bladzijde Zeeland eruit gescheurd voor werkstuk, 1990. Nooit teruggekomen. Werkstuk wel een 8.
„Een acht,” zei Maarten. „Dat wist ik niet eens meer.”
Achter dat vak zat er nog een. Het tabje was nieuwer dan de andere, het karton witter. Water.
Joost was opgestaan en stond in de deuropening met een mok thee en de ruitjesdeken nog om zijn schouders.
„Er zit een man in de voorkamer,” zei hij, „die in zichzelf praat tegen preken.”
„Mulder,” zei Ellen. „Antiquaar. Maarten heeft hem meegenomen.”
„Natuurlijk heeft Maarten hem meegenomen.” Joost blies in zijn thee. „Hebben we het daar al over gehad, trouwens? Of we verkopen?”
„Het staat in het testament,” zei Maarten. „Geven of lezen. Verkopen mag ook. Daar staat niks over.”
„Daar staat ook niks over dat het mag.”
„Joost, er staan hier dertigduizend boeken. Wil jij ze allemaal lezen?”
„Ik wil niet dat de eerste die binnenkomt een man met een zaklamp is.”
Ellen sloot de bovenste la met een klik die net iets te hard was. Ze deed dat vroeger ook, met deuren, als zij en Maarten ruzie hadden aan tafel en hun moeder nog niets had gezegd. Het was een signaal. Ze waren er met zijn drieën nog steeds op getraind.
„Ga even zitten,” zei ze. „Allebei.”
Er waren in de keuken twee stoelen vrij. Joost ging op het aanrecht zitten.
Ze maakten een afspraak. Het was meer een wapenstilstand. Elke kamer zouden ze eerst samen doorlopen. Wat een van hen wilde houden, ging in een doos met zijn of haar naam. Wat Mulder wilde hebben, mocht hij kopen, maar pas nadat ze het hadden opengeslagen. Joost bedong dat. Opengeslagen, zei hij, en gekeken of er iets in zat.
„Iets?” vroeg Maarten.
„Briefjes. Ma.” Joost zette zijn mok neer. „Ellen heeft het me gisteravond laten zien. Dat blauwe boekje. Als die er in meer zitten, wil ik ze niet ergens in de Folkingestraat in een bak van twee euro hebben.”
Maarten wilde zeggen dat het niet kon. Dat ze dan in maart nog bezig waren, dat hij niet tot maart had. Dat hij helemaal niet had, eigenlijk. Hij zei: „Goed. Opengeslagen.”
Mulder vertrok om twaalf uur met één doos. Achttiende-eeuwse preken. Hij had ze allemaal zelf opengeslagen, bladzijde voor bladzijde, met een geduld dat Maarten onverdraaglijk vond, en hij had in één ervan een gedroogd klavertje vier gevonden, dat hij zonder iets te zeggen aan Ellen gaf.
„Uw vader,” zei hij in de gang, terwijl hij zijn jas dichtknoopte, „vroeg mij een keer of ik dacht dat boeken iets onthouden. Van wie ze gelezen heeft.” Hij keek naar de kolommen. „Ik heb gezegd dat dat bijgeloof is.”
„En wat zei hij?” vroeg Ellen.
„Hij zei dat ik dat mocht vinden.”
Het werd vroeg donker. Ellen ging boodschappen doen bij de Albert Heijn in de Oosterstraat en Joost ging mee, om te sjouwen, zei hij, maar Maarten vermoedde dat hij gewoon niet met hem alleen wilde zijn. Het gaf niet. Hij wilde ook niet met zichzelf alleen zijn, maar dat kon je moeilijker regelen.
Hij ging aan de keukentafel zitten met de kaartenbak voor zich en trok het vak Water naar voren. Het waren een stuk of veertig kaartjes. De boeken stonden allemaal op dezelfde plek: Zolder, achterwand, links. Hij las de titels. Een handboek over dijkbouw uit 1960. Een geschiedenis van de Zuiderzeewerken. Iets over de Watersnoodramp. Een proefschrift van de TU Delft over golfoverslag, wat hij kende, omdat zijn eigen hoogleraar het had geschreven. Een boek over getijden. Een boek over de Afsluitdijk.
Zijn vader had niets met water. Zijn vader zwom niet, zeilde niet, ging nooit naar het strand. Toen Maarten in Delft ging studeren, had hij gezegd: water, dat is toch iets wat je drinkt. Het was een grap geweest, waarschijnlijk. Maarten had het nooit zo opgevat.
Hij nam zijn telefoon als zaklamp en ging de trap op. Op elke tree moest hij zijn voeten schuin zetten. Op de overloop bleef hij met zijn mouw achter een stapel haken en hield hij de stapel tegen met zijn schouder, zijn hart in zijn keel. De zoldertrap was een ladder. Boven was het koud en rook het naar muizen en naar zijn kindertijd.
De achterwand. Links. Daar stonden ze, in een echte kast, de enige kast die hij in het hele huis had gezien. Alles stond rechtop en recht. Geen stof.
Hij pakte het boek over de Afsluitdijk. Het viel bijna vanzelf open, op een plek waar iets dikkers tussen de bladzijden zat. Een stapeltje papier, gevouwen, vergeeld aan de randen. Hij vouwde het open.
Een krantenknipsel uit het Dagblad van het Noorden, maart 2019. Renovatie Afsluitdijk van start. Een foto van mannen in oranje hesjes op een ponton. De derde van links was hij. Iemand had met een rode pen een klein pijltje getekend naar zijn hoofd.
Daaronder nog een knipsel. En nog een. Een artikel uit een vakblad dat zijn vader nooit had kunnen kopen in een gewone winkel. Een interview met hem in het Cobouw, waarvan hij zelf geen exemplaar meer had. Een uitgeprinte pagina van de website van zijn werkgever, met zijn naam erop, en zijn functie, die hij niet meer had.
Op het laatste knipsel had zijn vader in de kantlijn geschreven, in zwarte vulpen, met de datum erbij. Ik begrijp de helft. Volgende keer vraag ik het hem.
De datum was augustus 2019. Twee jaar na hun laatste gesprek.
Maarten ging op de koude zoldervloer zitten, met het boek op zijn knieën. Beneden ging de voordeur open en schoof tegen de Winkler Prins, en hij hoorde Ellen zeggen dat het nu echt een keer moest, dat ze die boeken bij de deur weg moesten halen, en Joost die zei: welke deur.