Hoofdstuk 1: De sleutel
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De notaris had een schaal met pepermunt op haar bureau staan, en Ellen nam er een zonder dat ze het van plan was. Het snoepje was zo oud dat het aan het papiertje vastzat. Ze liet het in haar jaszak glijden en vouwde haar handen weer op haar schoot.
„Uw broers komen nog?” vroeg mr. Boersma.
„Maarten zit in de trein. Joost weet ik niet.”
„Dan wachten we een kwartier.”
Buiten reed een vuilniswagen achteruit door de Oude Boteringestraat. Het piepen hield maar niet op. Ellen keek naar de regen op het raam en dacht aan de lijst in haar tas: energiemaatschappij, waterbedrijf, Ziggo, de verzekering van de inboedel, het abonnement op het Dagblad van het Noorden, dat nog steeds elke ochtend op de mat viel van een man die al dertien dagen dood was. Ze had de lijst in Zwolle getypt en twee keer uitgeprint, voor het geval dat.
Maarten kwam binnen met natte schouders en een rugzak die te klein was voor iemand van achtenveertig. Hij gaf de notaris een hand, keek Ellen aan en aarzelde of hij haar moest zoenen. Op de begrafenis hadden ze dat ook al niet goed gedaan. Het werd een hand op haar arm.
„Trein stond stil bij Assen,” zei hij. „Een koe op het spoor, zeiden ze. Ik heb geen koe gezien.”
„Je zag er ook nooit een,” zei Ellen, en ze wist zelf niet wat ze daarmee bedoelde.
Joost kwam niet. Om kwart over drie stuurde hij een appje dat de Flixbus vertraging had en dat ze maar moesten beginnen. Er stond een duimpje achter, alsof het een feestje was.
Mr. Boersma las het testament voor met een stem die gewend was aan andere mensen hun verdriet. Het huis aan de Praediniussingel ging in gelijke delen naar de drie kinderen. De spaarrekening ook, voor zover daar nog iets op stond. Daarna kwam er een alinea die ze langzamer las, en twee keer.
„De boeken worden niet weggegooid. Wat gelezen wil worden, wordt gelezen. Wat niet gelezen wordt, wordt gegeven aan wie het wel wil lezen. Pas wanneer het laatste boek het huis heeft verlaten, opent mr. Boersma in aanwezigheid van mijn drie kinderen de verzegelde envelop die bij haar in bewaring ligt.”
Het was even stil. De vuilniswagen was weg.
„Is dat rechtsgeldig?” vroeg Maarten.
„Het is een wens,” zei de notaris. „Juridisch kan ik u niet dwingen. Maar de envelop open ik pas als u mij laat weten dat het huis leeg is. Daar heeft uw vader mij heel precies over geïnstrueerd.” Ze schoof een bruine envelop met een rood lakzegel een paar centimeter naar voren, zodat ze hem konden zien, en trok hem toen weer terug. „Hij was een nauwkeurig man.”
„Hij was een gek,” zei Maarten zacht.
Ellen zei niets. Ze dacht aan het aantal. Haar vader had het vorig jaar zelf nog genoemd, aan de keukentafel, tussen twee happen stamppot door, met de trots van iemand die het over een kleinkind heeft. Dertigduizend, Ellen. Ongeveer. Ik tel de atlassen niet mee.
Ze liepen samen naar de singel. Maarten wilde een taxi nemen, maar het was tien minuten lopen en Ellen had geen zin om in een auto naast hem te zitten. Ze gingen over de Grote Markt, waar de kraampjes werden opgeruimd en een man met een karretje vis de laatste kibbeling in een bak schepte. Bij de Martinitoren draaide de wind en kwam de regen van opzij.
„Hoe vaak ben jij hier geweest?” vroeg Maarten. „Het laatste jaar.”
„Elke donderdag.”
„Elke donderdag,” herhaalde hij, en het klonk niet als een vraag en ook niet als een verwijt, maar als iets wat hij op een lijstje zette.
Het huis stond tussen twee andere herenhuizen, smaller dan die, met een groene deur waarvan de verf bij de brievenbus was afgebladderd. Op de stoep lag een natte folder van een pizzeria. Ellen raapte hem op, uit gewoonte. Ze had de sleutel al jaren aan haar eigen bos, maar vandaag voelde hij zwaarder, wat natuurlijk onzin was.
De deur ging maar een halve meter open. Dat was altijd zo geweest, het laatste jaar. Achter de deur stond een stapel van de Winkler Prins, twintig delen, op de grond, en die schoof je met de deur mee tot hij tegen de trapleuning stuitte.
„Jezus,” zei Maarten.
Hij was hier negen jaar niet binnen geweest. Ellen zag het huis even door zijn ogen. De gang was geen gang meer maar een kloof. Aan beide kanten stonden boeken tot aan het plafond, niet in kasten, maar in kolommen, plat op elkaar, de ruggen naar voren. Ertussen een pad van misschien zestig centimeter breed. Waar de kolommen te hoog werden, had hun vader planken overdwars gelegd, zodat er een soort bruggen ontstonden, en ook daar lagen boeken op. Het licht van de lamp kwam er maar met moeite doorheen. Het rook naar papier, stof, oude jassen en een beetje naar de appels die hij altijd in een schaal bij de trap liet liggen tot ze rimpelden.
„Hier is hij gevallen,” zei Ellen. Ze wees naar een plek een paar meter verder, waar een van de kolommen lager was dan de rest. Iemand van de ambulance had de boeken die erbovenop hadden gelegen aan de kant geschoven, in een slordige berg. „Hij wilde iets van boven pakken. Hij stond op het krukje.”
Maarten keek naar de plek en toen naar het krukje, dat nog steeds tegen de muur stond, met drie poten en een barst in het zitvlak.
„Ik heb het gezegd,” zei hij. „In 2017 heb ik precies dit gezegd.”
„Dat weet ik.”
„Ik heb gezegd: pa, je gaat hier een keer dood in je eigen gang.”
„Dat weet ik, Maarten.”
Hij zei niets meer. Hij liep het pad in, zijwaarts, met zijn rugzak voor zijn buik, en Ellen hoorde hem in de keuken de kraan opendraaien. De leidingen bonkten, zoals altijd.
Ze had zich voorgenomen om meteen te beginnen. Ze had dozen in de kofferbak, vouwdozen van de bouwmarkt, vijftig stuks, en een rol tape en een stift. Maar nu ze in de gang stond, wist ze niet waar je begon met dertigduizend boeken. Bij de deur, dacht ze. Je begint bij de deur, anders kom je er niet in en niet uit.
Ze pakte het bovenste boek van de kolom naast de kapstok. Een dun, blauw linnen boekje, de titel op de rug was bijna weg. Gedichten van een dichter van wie ze nog nooit had gehoord, uitgegeven in Den Haag in 1951. Ze sloeg het open, uit beleefdheid bijna, en zag de bekende, schuine letters van haar vader in de kantlijn. Hij schreef in alles. Daar had ze als kind al een hekel aan gehad. Je mocht nooit een boek van hem lenen zonder dat hij je had verteld wat je ervan moest vinden.
Op bladzijde negen had hij een regel onderstreept en ernaast geschreven: Overdreven. Maar mooi overdreven.
En daaronder, in een andere hand, met een blauwe balpen die een beetje had doorgedrukt: Jij vindt alles overdreven wat over de liefde gaat, Henk.
Ellen bleef staan. Ze las het nog een keer. Ze kende dat handschrift. Ze kende de lus in de J en de manier waarop de laatste letter van elk woord een klein staartje kreeg naar boven. Ze had het gezien op boodschappenbriefjes op de koelkast, op verjaardagskaarten, op de achterkant van een foto van een vakantie in Bretagne. Melk, kaas, iets voor Joost zijn tussendoortje. Ze had het nooit gezien in een boek.
Haar moeder las niet. Dat was een van de vaste dingen in de familie geweest, zoals dat Maarten altijd te laat kwam en dat Joost nooit zijn jas ophing. Pa leest, ma speelt piano. Pa had de boeken, ma had de muziek. Op verjaardagen vertelde hun vader het zelf, met een lachje: mijn vrouw heeft nog nooit een roman uitgelezen, en ik heb nog nooit een toonladder gespeeld, zo houden we het spannend.
Ze bladerde verder. Op bladzijde vierentwintig weer zijn hand: Dit is het beste gedicht van de bundel.
En de blauwe pen: Nee. Bladzijde 31.
Ze sloeg bladzijde eenendertig op. Het gedicht ging over een vrouw die 's ochtends het raam openzet en de stad hoort wakker worden. Onderaan, in potlood, heel klein, alsof hij het eigenlijk niet had willen toegeven: Goed. Jij wint. 3 mei '76.
„Ellen?”
Maarten stond weer in de gang, met een glas water in zijn hand. Het glas had een opdruk van een benzinestation dat al twintig jaar niet meer bestond.
„Wist jij dat ma las?” vroeg ze.
„Ma las niet.”
„Kijk.”
Hij kwam naast haar staan. In de smalle gang moesten ze schouder aan schouder, en ze rook de natte wol van zijn jas en iets van treinkoffie. Hij las de kantlijn. Ze zag hoe zijn mond een beetje openging, net als vroeger, als hij bij een moeilijke som in een schrift zat te turen.
„Dat is haar handschrift,” zei hij.
„Ja.”
„In een gedichtenbundel.”
„In een gedichtenbundel. En ze geeft hem ongelijk.”
Maarten nam het boek van haar over en bladerde. Hij was altijd slordig geweest met boeken, hij brak de ruggen, en ze zag hoe hij zich nu inhield, hoe zijn vingers de bladzijden bijna niet durfden aan te raken.
„Misschien één keer,” zei hij. „Een grapje tussen hen. Eén boek.”
Ellen keek langs hem heen, de gang in, naar de kolommen die naar boven in het halfdonker verdwenen. Ze dacht aan de kamers die daarachter lagen, aan de trap waar op elke tree aan de muurkant een stapel stond, aan de slaapkamers, de zolder. Dertigduizend, Ellen. Ongeveer.
Ze pakte het tweede boek van de stapel. Een geschiedenis van de Hanzesteden, met een gescheurd stofomslag. Ze sloeg het open op een willekeurige plek. Zijn letters. Een vraagteken. En daaronder, kleiner, blauw: Henk, het is half twee. Kom naar bed.
Ze hoorde de voordeur tegen de Winkler Prins schuiven. Iemand vloekte zachtjes op de stoep. Joost was er.