Hoofdstuk 10: Boeken op de singel
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het was Fenna's idee, en zoals met de meeste goede ideeën van Fenna had Ellen er eerst nee op gezegd.
„Je zet gewoon alles buiten,” zei Fenna. „Een heel weekend. Je zet het op Instagram en in die Facebookgroep van de buurt en je belt de krant. Iedereen mag komen. Iedereen mag meenemen wat hij wil. Gratis. Opa's laatste boekenmarkt.”
„Het gaat regenen.”
„Dan zet je ze onder tenten.”
„We hebben geen tenten.”
„Mam,” zei Fenna, op de toon die ze sinds haar twaalfde gebruikte als Ellen iets onmogelijk noemde wat gewoon moeilijk was. „Ik studeer in Groningen. Ik ken iedereen met een partytent.”
Ze bleek gelijk te hebben. Op zaterdag 31 oktober stonden er om acht uur 's ochtends zeven partytenten op de stoep en op het gras langs de singel, geleend van twee studentenverenigingen, een volkstuinvereniging en een jongen die bruiloften deed. Mevrouw Smit had haar eigen tuintafel naar buiten gesleept en zat erachter met een thermoskan koffie en een schaal met plakjes krentenwegge, die ze aan iedereen gaf die een boek over koken meenam. Mulder kwam om half negen, in zijn tweedjasje, en zei dat hij alleen kwam kijken. Om negen uur stond hij achter een tafel boeken te sorteren op onderwerp en mensen advies te geven die er niet om hadden gevraagd.
Het Dagblad had een klein stukje geplaatst, op de stadspagina, met een foto van de groene deur. Groningse leraar laat dertigduizend boeken na; kinderen geven ze weg aan de stad. Het waren er geen dertigduizend meer. Het waren er nog dertienduizend. Maarten had het precies.
Ze kwamen. Ellen had het niet verwacht, of ze had het durven hopen maar niet durven verwachten. Om tien uur stond er een rij tot aan de brug.
Studenten met tassen van de supermarkt. Een oude man met een rollator die heel langzaam langs de tafels liep en bij elke stapel stilstond en niets meenam, tot hij bij de atlassen kwam en er een uitkoos, uit 1938, met de koloniën nog in roze, en hem onder zijn arm klemde alsof iemand hem anders zou afpakken. Een moeder met een tweeling die elk een stapel prentenboeken droegen die groter was dan zijzelf. Een meisje van een jaar of veertien dat een uur lang tussen de poëzie zat, op de grond, met haar knieën opgetrokken, en uiteindelijk met elf bundels wegliep en bij de brug omkeek naar het huis.
Oud-leerlingen. Dat had Ellen helemaal niet verwacht. Een man in een duur pak die zei dat hij in 1987 een acht had gehaald voor een boekverslag dat hij volledig had overgeschreven, en dat meneer Wierenga dat wist, en het had laten staan, en eronder had geschreven: Volgende keer zelf. Een vrouw die zei dat ze hem nooit had gemogen. Hij was streng, zei ze, en sarcastisch, en hij gaf haar een vier voor een opstel over haar oma. Ze nam een stapel boeken mee over de Tweede Wereldoorlog en kwam een uur later terug om te zeggen dat ze in een van de boeken haar eigen opstel had gevonden. Gevouwen, als bladwijzer. Met de vier erop. En eronder, in de zwarte vulpen: Slecht opstel. Mooie oma.
Ze huilde, bij de tafel van mevrouw Smit. Mevrouw Smit gaf haar krentenwegge.
Joost speelde. Dat was niet afgesproken. Maar rond het middaguur, toen de zon even doorbrak, had hij de ramen van de voorkamer opengezet, beide, zo ver als ze gingen. De piano stond nu vrij in de bijna lege kamer en het geluid kwam naar buiten, over de stoep en de tenten en de mensen, naar het water.
Ellen had haar broer nooit horen spelen. Ze wist dat hij het kon; je moest kunnen spelen om te stemmen, had hij een keer gezegd, al was het maar een beetje. Maar dit was geen beetje. Het was iets langzaams wat ze niet kende, en dat ze toch kende, en pas na een tijd begreep ze dat het hetzelfde stuk was dat hun moeder vroeger 's avonds speelde, als ze dacht dat iedereen sliep. Hij had het moeten reconstrueren. Uit zijn herinnering, van toen hij een kleine jongen was en boven aan de trap zat te luisteren.
Mevrouw Smit legde haar mes neer. Mulder hield op met sorteren. Een paar mensen bleven staan, met hun boeken tegen hun borst.
„Anna, hè,” zei mevrouw Smit zachtjes. „Die kon het.”
Om vier uur kwam er een man van een jaar of vijftig met een boodschappentas. Hij had een snor en een sjaal van FC Groningen en hij leek niet op iemand die boeken kwam halen. Hij vroeg naar Hendrik Wierenga.
„Mijn vader,” zei Ellen. „Hij is overleden.”
„Dat las ik. Dat spijt me.” De man zette de tas op de tafel. „Ik ben Bonnema. Klaas Bonnema. Mijn vader was Sietse Bonnema. Collega van uw vader. Op het gymnasium.”
Maarten, die achter Ellen stond met een doos, zette de doos neer. Joost kwam naar buiten. Ze keken alle drie naar de tas.
„Mijn vader is in 2011 overleden,” zei Bonnema. „Mijn moeder vorig jaar. Ik ben nu het huis aan het opruimen, in Haren. Er stonden drie boeken in de kast met de naam van uw vader voorin. En een briefje in elk boek. Mijn vader had het opgeschreven. Van Wierenga. Terugbrengen. Met een datum. 1994.” Hij haalde de boeken uit de tas, drie dikke boeken in linnen band. „Hij heeft het nooit gedaan, kennelijk. Ik dacht, dan doe ik het nu.”
Het was stil bij de tafel. Toen begon Joost te lachen, en daarna Maarten, en Ellen hield het niet meer en lachte ook, zo hard dat ze tegen de tentpaal moest leunen, en Bonnema keek van de een naar de ander met een gezicht alsof hij iets verkeerds had gedaan.
„Neem me niet kwalijk,” zei Ellen, toen ze weer kon praten. „Het is niet om u. Het is om de kaartenbak.”
Ze legde het uit. Ze haalde zelfs het kaartje erbij, uit de keuken: Te leen aan Bonnema (1994). Nooit teruggekregen. Bonnema overleden 2011. Klaas Bonnema las het en begon nu ook te lachen, met zijn hand voor zijn snor.
„Dus nu heeft u er drie bij,” zei hij.
„Nu hebben we er drie bij,” zei Maarten. Hij nam de boeken aan, en Ellen zag dat hij ze even tegen zich aan hield, voordat hij ze op de stapel legde. „Pa heeft ze teruggekregen.”
Zondagavond waren er nog vierhonderdzeventig boeken. Maarten telde ze twee keer. Ze stonden in de gang, in dozen. Mulder zou de volgende ochtend komen om er tweehonderd mee te nemen voor de opkoop, en met de rest zou Fenna naar de kringloop rijden. Dan was het huis leeg.
Behalve de kast.
Ze hadden het er de hele week over gehad. Joost had het slot willen openbreken met een schroevendraaier. Maarten had gezegd dat het een antieke kast was en dat je dat niet deed. Ellen had gezegd dat het niet uitmaakte, dat ze er alle drie niet aan wilden beginnen, en dat ze daarom ruzie maakten over een schroevendraaier.
Ze zaten in de lege keuken. De kaartenbak stond nog op het aanrecht. De pepermunt van de notaris, die Ellen vijf weken lang in haar jaszak had gehad, lag op tafel; ze had hem er net uit gehaald, met het papiertje er nog omheen.
„Hij heeft hem ergens neergelegd,” zei Maarten. „De sleutel. Hij legde nooit iets zomaar neer.”
„Hij legde het laatste jaar alles zomaar neer.”
„Voor het laatste jaar.”
Ellen dacht na. Ze dacht aan de brief uit de doos onder haar bed, die ze inmiddels zo vaak had gelezen dat ze hem bijna kende. Je hebt het meeste gedaan. Ik heb het gezien. En aan de laatste zin, die ze niet had begrepen en die ze aan Maarten had voorgelezen zonder uitleg, omdat ze er geen had. Je moeder had gelijk over bladzijde 31.
Ze stond op.
„Wat?” zei Joost.
Ze ging de trap op, die nu kaal was en kraakte, en haalde uit haar eigen doos het blauwe linnen boekje. Het eerste boek dat ze had opengeslagen, op die eerste vrijdag, bij de kapstok. Ze had het bewaard, bij de boeken die hij voor haar had uitgezocht, zonder erover na te denken. Ze ging op de rand van haar bed zitten en sloeg bladzijde eenendertig open.
Het gedicht over de vrouw die 's ochtends het raam openzet. Onderaan, in potlood: Goed. Jij wint. 3 mei '76.
Ze bladerde naar achteren. Aan de binnenkant van de achterkaft was het schutblad een beetje bol. Ze voelde er met haar vingers over. Er zat iets onder, plat en hard. Iemand had het papier heel voorzichtig losgemaakt en weer vastgeplakt, met een dun randje lijm.
Ze liep naar beneden met het boekje in haar hand.
„Mes,” zei ze.
Maarten gaf haar zijn zakmes. Ze sneed het schutblad open, langs de rand. Er viel een sleuteltje uit. Klein, van messing, met een groen lintje eraan.
Ze gingen met zijn drieën naar de slaapkamer van hun ouders. Ellen deed het slot open. Het ging stroef, en toen ineens niet meer.
In de kast lagen geen boeken. Er lag een blik van Verkade, een oud koektrommeltje met een plaatje van een molen erop. En er lagen schriften. Gewone schriften, met een harde kaft, in verschillende kleuren. Ellen telde er drieëntwintig. Op elk schrift stond een jaartal. 2001. 2002. 2003. Tot 2023.
Op de eerste bladzijde van het eerste schrift, in zwarte vulpen:
Voor A. Omdat ik niet ophoud met schrijven alleen omdat jij niet meer antwoordt.
Joost maakte het blik open. Het zat vol kaartjes. Kleine kaartjes van een bloemist, met een gaatje erin waar het lintje door had gezeten. Er stond telkens hetzelfde op, in dezelfde hand, elk jaar een beetje beveriger. L. 14-3. Ruim twintig kaartjes. Daaronder lag een envelop van het ziekenhuis, uit 1982, en een brief van de gemeente Groningen uit 2004, over een algemeen graf op de Zuiderbegraafplaats, vak K.
Ellen pakte het laatste schrift. 2023. Het handschrift was het handschrift dat ze kende van de envelop onder haar bed, van de kaartenbak, van de laatste maanden. Ze bladerde naar de laatste pagina waarop iets stond. Het was maar één alinea.
A., ik ga het vergeten. De dokter zegt het en ik merk het zelf. Ik heb E. de doos gegeven. M. krijgt de vragen, als hij ze vindt. J. heeft de piano, die heeft hij altijd gehad. L. heeft haar steen. Ik heb nagedacht wat ik jou heb gegeven, en het antwoord is: niet genoeg. Ik heb je nooit naar Porto gebracht. Dat wordt het laatste wat ik regel. Daarna mag ik het vergeten.