Hoofdstuk 11: De envelop

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Mulder kwam om negen uur. Hij had zijn zaklamp niet bij zich. Hij nam de tweehonderd boeken mee die hij had uitgezocht, in dozen die hij zelf had meegebracht, stevige dozen met zijn naam erop in sierlijke letters, en hij laadde ze in een oude Volvo met een imperiaal. Toen het klaar was, bleef hij in de gang staan, die nu een gang was, met een kapstok en een plint en een vloer van zwart-witte tegels die Maarten zich niet herinnerde.

„Ik heb hem nooit gevraagd waarom,” zei Mulder. „Veertig jaar. Twee keer per week. Ik heb nooit gevraagd waarom hij zoveel kocht.”

„Wat denkt u?” vroeg Maarten.

Mulder keek naar de tegels.

„Ik denk dat sommige mensen een huis vol willen hebben,” zei hij. „Zodat ze niet hoeven te zien hoe leeg het is.”

Hij gaf Maarten een hand, droog en koel, en Ellen ook, en Joost. Bij de deur draaide hij zich om.

„Ik zal het boekje met het klavertje vier nooit verkopen,” zei hij. „Dat wilde ik nog zeggen. Het staat bij mij achter de toonbank. Als een van u het ooit terug wil.”

Daarna reed Fenna met de laatste tweehonderdzeventig boeken naar de kringloop aan de Peizerweg, in de auto van Ellen, met de achterbank plat en de stoel naast haar vol. Maarten liep mee naar de stoep en keek haar na tot ze de hoek om was, bij de brug, en toen keek hij nog een tijdje naar de hoek.


Hij was de enige die het hele huis nog een keer doorliep. De anderen zaten in de keuken. Hij ging alle kamers af, zoals hij op zijn werk een opgeleverd project afliep, met een lijst in zijn hoofd: vloer, wanden, kozijnen, leidingen. Alleen ging het nu niet om de staat van het huis.

De voorkamer. De piano, alleen, tegen de binnenmuur, met de klep open. Het licht van de singel dat nu door het hele raam kwam en lange, gele vlakken op de planken vloer legde. Je kon er voor het eerst sinds negen jaar, nee, sinds veel langer, staan en de overkant van het water zien.

De achterkamer. Het behang met de bruine bloemetjes. Een lichtere vlek op de vloer waar het aquarium had gestaan. Hij bleef er even naar staan kijken. Twee goudvissen, allebei Pietje.

De trap, die kraakte op de vierde tree en op de negende, zoals altijd. De overloop. De kamer van Ellen, waar het bed nog stond, kaal. De kamer van Joost, waar hij na zijn vertrek naar Delft nooit meer binnen was geweest, en die nu een vierkant was met een raam en een haakje aan het plafond waar ooit een vliegtuigje aan had gehangen. Zijn eigen kamer, achter. Hij deed de deur open. Leeg. Een plank aan de muur, hoog, die hij er zelf op had geschroefd toen hij twaalf was, scheef. Er stond niets op.

De slaapkamer van zijn ouders. De eikenhouten kast met de deur open. Leeg. De schriften lagen in de keuken, in een doos die Ellen zou bewaren; ze hadden afgesproken dat schriften geen boeken waren, en dat hun vader het daarmee eens zou zijn geweest, en als hij het er niet mee eens was, dan had hij het maar duidelijker moeten opschrijven.

De zolder. De kast met de waterboeken, leeg. Hij had ze niet weggegeven. Hij had ze ook niet gehouden. Hij had ze, na lang twijfelen, naar de TU in Delft gestuurd, naar zijn oude vakgroep, met een briefje dat ze in de bibliotheek mochten, voor studenten, en dat ze de kantlijnen moesten laten staan. Hij had een mail teruggekregen van een hoogleraar die hij niet kende, die schreef dat ze de antwoorden in de kantlijn zou gebruiken in haar eerstejaarscollege. Hij wist niet of hij dat wilde. Hij had het laten gebeuren.

Hij ging op de zoldervloer zitten, op dezelfde plek als op die eerste zaterdag, en hoorde de klokken van de Martinitoren het half uur slaan. Het huis was stil. Het huis was voor het eerst sinds hij het zich kon herinneren helemaal stil, zonder het geruis van papier dat er altijd was geweest, zo vanzelfsprekend dat hij het nooit had gehoord.

Hij dacht aan wat Mulder had gezegd. Hij dacht dat het niet klopte, of niet helemaal. Het huis was niet vol geweest om de leegte niet te zien. Het was vol geweest omdat zijn vader alles wat hij niet kon zeggen ergens moest laten. En nu stond het daar niet meer. Nu stond het in Delft en in Vinkhuizen en in een studentenhuis in de Oosterpoort en in Haren en in een verzorgingshuis ergens in de stad en in de tassen van een paar honderd mensen die nooit zouden weten wie Henk Wierenga was.

Behalve drie boeken. Die stonden in zijn hotelkamer. Hij had ze er zondagavond mee naartoe genomen, de boeken van Bonnema, zonder het tegen iemand te zeggen.


Hij ging naar beneden. Ellen en Joost zaten aan de keukentafel, waar nu vier stoelen omheen stonden. Op de tafel lagen een laptop, een rekenmachine en het lijstje van Ellen uit Zwolle, met alle dertien regels doorgestreept.

„Ik wil iets voorstellen,” zei Maarten.

Hij had het in de nacht uitgerekend, in het hotel, op de rand van het bed, met de boeken van Bonnema naast zich. Hij had het drie keer uitgerekend en het kwam elke keer anders uit, omdat hij elke keer iets anders liet meetellen.

„Joost blijft hier wonen,” zei hij.

Joost keek op. Ellen niet; ze keek naar Maarten, met haar handen gevouwen, alsof ze het al wist.

„We verkopen het huis niet. We houden het samen, met zijn drieën, zoals in het testament. Joost woont er. Joost betaalt huur. Geen huur zoals aan de singel, dat kan hij niet. Een redelijke huur. Die gaat de komende twee jaar naar mij. Daarna verdelen we het, of we kijken opnieuw.” Hij keek naar Ellen. „Als jij dat goed vindt. Jij ziet de eerste twee jaar niks.”

„Ik vind het goed,” zei Ellen.

„Je hebt er niet eens over nagedacht.”

„Ik heb er een week over nagedacht. Ik wachtte op jou.”

Joost zei niets. Hij zat heel stil. Maarten zag dat zijn handen op tafel lagen, plat, met gespreide vingers, zoals hij ze op de toetsen legde voor hij begon.

„Waarom?” vroeg Joost.

Maarten dacht aan bladzijde zestig van het proefschrift. Het is niet sterker om alles tegen te houden. Het is sterker om het te laten uitlopen. Hij kon dat niet zeggen. Het zou belachelijk klinken, hier, aan deze tafel.

„Omdat iemand de piano moet stemmen,” zei hij. „In november.”

Joost lachte, kort, en wreef met de rug van zijn hand over zijn ogen.

„Het lost jouw probleem niet op,” zei hij. „Een paar honderd euro per maand.”

„Nee. Maar ik ga een flatje huren in Rotterdam en ik ga solliciteren en ik ga zaterdag naar de wedstrijd van Thijs. Ik heb niet zoveel nodig als ik dacht.” Hij hoorde zelf dat het waar was, terwijl hij het zei. „Ik dacht dat ik alles moest hebben. Een buffer. Ik dacht dat er een dijk moest zijn.”

„En nu?”

„Nu weet ik het niet. Dat is ook goed.”


Het kantoor van mr. Boersma rook nog steeds naar pepermunt. De schaal stond er nog. Ellen legde het snoepje dat ze vijf weken in haar jaszak had gedragen terug in de schaal, met het papiertje eromheen, en de notaris keek ernaar en zei er niets van.

„Het huis is leeg?” vroeg ze.

„Het huis is leeg,” zei Ellen.

Maarten schraapte zijn keel.

„Op drie boeken na,” zei hij. „Die staan in mijn hotelkamer. Ze zijn het huis uit geweest, technisch gesproken. Ze zijn er nooit meer in geweest, sinds zondag.”

Joost draaide zich om in zijn stoel. Ellen ook.

„Welke?” vroeg Joost.

„Die van Bonnema.”

Er was een stilte. Toen zei mr. Boersma, heel droog: „Daar staat in het testament niets over.” En ze pakte de envelop uit een la, de bruine envelop met het rode lakzegel, en legde hem midden op het bureau.

Ze verbrak het zegel met een briefopener. Er zaten twee dingen in. Een brief van één vel, dubbelgevouwen, in de zwarte vulpen. En een spaarboekje. Een ouderwets spaarboekje van een bank die al lang anders heette, met een elastiekje eromheen.

De notaris gaf de brief aan Ellen. Ellen gaf hem aan Maarten. Maarten begreep niet waarom, en toen begreep hij het wel.

Hij las hardop.

Ellen, Maarten, Joost,

Als jullie dit lezen, is het huis leeg. Dat had ik zelf nooit gekund.

In het spaarboekje staat wat ik sinds 2001 elke maand opzij heb gezet. Het is voor Porto. Jullie moeder en ik zouden er in het voorjaar van 2002 heen gaan. Ze had het al uitgezocht, het staat in een boekje in de theedoekenla. Ik ben nooit gegaan. Ik wilde niet zonder haar en ik kon niet met haar. Gaan jullie. Met zijn drieën. Niet apart, niet om de beurt, niet als het een keer uitkomt. Samen.

Wat er daarna over is, is voor wie het het hardst nodig heeft. Dat bepalen jullie zelf, aan de keukentafel. Ik weet niet wie dat zal zijn. Ik heb het nooit goed geweten met jullie. Ik heb het meestal opgeschreven in plaats van gevraagd.

Er ligt een zus van jullie op de Zuiderbegraafplaats. Ik had het moeten vertellen. Als jullie dit lezen, weten jullie het waarschijnlijk al, want ik heb het overal neergelegd, en jullie zijn niet dom. Ze heeft een steen van mij. Geef haar een betere.

Pa

Maarten liet de brief zakken. Hij keek naar het spaarboekje, dat Joost had opengeslagen. Joost hield het naar hem toe zodat hij het kon zien. Rijen getallen, met de hand bijgeschreven, maand na maand, vijfentwintig jaar lang, in hetzelfde nette handschrift, dat aan het eind wankel werd en toen ophield. Onderaan, op de laatste regel, stond een bedrag dat hij twee keer moest lezen.

Eenenveertigduizend en nog wat.

„Dat is wel een heel dure reis,” zei Joost.

Ellen begon te lachen. Mr. Boersma schoof de schaal met pepermunt naar haar toe.